1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft bij arrest van 26 maart 2013, onder bevestiging van de beslissing van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 21 september 2009 behalve voor wat betreft de opgelegde betalingsverplichting, het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 500,00 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
2. Namens verzoeker heeft mr. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, twee middelen van cassatie voorgesteld, waarvan één bij aanvullende schriftuur.
3. Het eerste middel klaagt dat de door het Hof bevestigde beslissing van de politierechter niet de inhoud en/of vermelding bevat van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend, althans dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel onvoldoende is gemotiveerd.
4. De beslissing van de politierechter houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“(…)
De politierechter heeft kennis genomen van de stukken van het voorbereidend onderzoek in de strafzaak met opgemeld parketnummer tegen veroordeelde, te weten:
de berekening wederrechtelijk verkregen voordeel opgemaakt door [verbalisant 3], inspecteur van Politie Flevoland, onder nummer 2007-04-17 9008 1300;
de stukken van het opsporingsonderzoek van Politie Flevoland, Recherche Zeewolde, nummer 2007015507;
het vonnis van de politierechter van heden.
2.1 De beoordeling
De officier van justitie heeft gevorderd dat [betrokkene] zal worden veroordeeld tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel dat hij heeft genoten door middel van het feit zoals bewezen is verklaard in de strafzaak met opgemeld parketnummer (het voorhanden hebben van hennepstekken), alsmede wegens het inzamelen van hennepafval, welk voordeel door de officier van justitie wordt geschat op € 3.153,76.
[betrokkene] heeft slechts als verweer gevoerd dat de vordering afgewezen moet worden omdat hij van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.
De berekening wederrechtelijk verkregen voordeel betreft twee feiten: het voorhanden hebben (en verhandelen) van hennepstekken, en het inzamelen van hennepafval. Het vonnis heeft alleen betrekking op het voorhanden hebben van hennepstekken. De politierechter acht het bedrijfsmatig afval inzamelen zonder vergunning niet een soortgelijk feit en zal daarom met het daarmee gemoeide voordeel geen rekening houden.
Op grond van de stukken van voornoemd voorbereidend onderzoek en gelet op hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht, is de politierechter van oordeel dat [betrokkene] wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit de baten van het verhandelen van de voorhanden zijnde hennepstekken, waarvoor [betrokkene] bij opgemeld vonnis is veroordeeld, en soortgelijke feiten (het in eerdere perioden voorhanden hebben en verhandelen van hennepstekken), waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan.
De politierechter schat dit voordeel op € 745,00. De politierechter is daarbij uitgegaan van de uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen voortvloeiende -als aannemelijk aan te merken- gegevens, waarop ook bovenvermeld rapport is gebaseerd.
De politierechter ziet geen grond voor matiging van de vordering, omdat niet gebleken is dat de financiële situatie van [betrokkene] betaling van voornoemd bedrag (ook in de toekomst) niet toe zou laten.
De politierechter zal derhalve de vordering van de officier van justitie, zijnde deze vordering ook overigens op de wet gegrond, toewijzen tot dat bedrag.”
5. Krachtens art. 511f Sv kan de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. Ingevolge art. 511e, eerste lid, Sv (in eerste aanleg) en art. 511g, tweede lid, Sv (in hoger beroep) is op de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel art. 359, derde lid, Sv van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat die uitspraak de bewijsmiddelen moet vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden.
6. De bestreden uitspraak voldoet niet aan dit vereiste en is dus in zoverre ontoereikend gemotiveerd. De door het Hof bevestigde beslissing van de politierechter vermeldt immers ten bewijze van het door de betrokkene genoten voordeel slechts enkele stukken zonder echter de inhoud daarvan weer te geven. Daardoor blijft onduidelijk hoe de omvang van het geschatte respectievelijk vastgestelde voordeel tot stand is gekomen.
7. Bovendien is ’s Hofs bevestiging van het oordeel van de politierechter dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen “uit de baten van het verhandelen van de voorhanden zijnde hennepstekken” niet zonder meer begrijpelijk, nu – naar uit het veroordelend arrest van het Hof in de hoofdzaak blijkt – de betrokkene is veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van 776 hennepplanten en in de bestreden ontnemingsuitspraak niet van enig voordeel uit dát feit blijkt.
8. Gelet op het voorgaande, meen ik dat de overige klachten in het middel geen bespreking behoeven.
9. Het middel slaagt.
10. Dit brengt mee dat het (bij aanvullende schriftuur voorgestelde) tweede middel, dat over het ontbreken van een tweetal bijlagen bij de opgemaakte berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel klaagt, evenmin hoeft te worden besproken.
9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof, opdat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG