13. Het eerste middelfaalt.
14. Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring onder 1 en 2 niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Er zijn twee klachten: 1. De bewijsmotivering van medeplegen bevat een groot aantal niet redengevende omstandigheden; 2. Niet duidelijk is waaraan het Hof een cruciale redengevende omstandigheid heeft ontleend.
15. De bewezen verklaarde strafbare feiten betreffen (in huis tuin en keukentaal) een overval op een echtpaar om informatie te krijgen teneinde daarmee vervolgens een grote slag te kunnen slaan. De vrouw van het echtpaar zou over cruciale informatie beschikken dat noodzakelijk was om die grote slag daadwerkelijk te realiseren. De overval op het echtpaar is, zoals hierboven onder nummer 1 al bleek, tenlastegelegd en bewezenverklaard als medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, bedreiging, poging tot diefstal met geweld en poging tot afpersing. Deze overval is uitgevoerd door meer personen waaronder verdachte, maar werd al spoedig verstoord. Andere overvallers dan verdachte hebben vervolgens al vluchtend nog meer strafbare feiten gepleegd. Er is onder meer nog een auto gestolen, die auto is in botsing met een paal gekomen en drie andere overvallers zijn in de onmiddellijke omgeving van die auto aangehouden. Het onderzoek naar die andere strafbare feiten heeft mede inzicht gegeven in de planning (het scenario) van de overval op het echtpaar.
16. De eerste klacht houdt in dat feiten en omstandigheden die met name betrekking hebben op strafbare feiten gepleegd door anderen dan verdachte na de woningoverval op het echtpaar voor het bewijs zijn gebruikt. Die feiten en omstandigheden zouden niet redengevend zijn. In dat verband heeft het Hof overwogen (p. 28 van het arrest):
“In het navolgende komen ook feiten en omstandigheden aan de orde die betrekking hebben op een overval die niet aan de onderhavige verdachte, maar wel aan drie van zijn medeverdachten, is ten laste gelegd. Deze feiten en omstandigheden zij n namelijk redengevend voor het bewijs van de feiten die wel aan de verdachte zijn ten laste gelegd, vanwege de samenhang tussen de strafzaak van de verdachte met de strafzaken van zijn medeverdachten.”
17. De klacht faalt, omdat ook die feiten en omstandigheden bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij de overval op het echtpaar hebben opgeleverd. Door tevens de gang van zaken bij de strafbare feiten waarvan verdachte niet is verdacht te schetsen wordt de wijze van redeneren van het Hof inzichtelijk. Door ontkenning en zwijgen van de verdachten is hun onderlinge relatie, het gebruik van auto’s en de voorwerpen die zijn aangetroffen cruciaal. Dat in dat kader ook wordt gerelateerd inzake aangetroffen en/of gebruikte wapens en de verdachte is vrijgesproken van verboden wapenbezit doet daaraan niet af.
18. Onder het kopje ‘Oordeel van het Hof’ wordt in onderdeel 7.1.4.1. van het arrest (p. 47) overwogen dat een autosleutel van een voor de woning van de aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geparkeerde gestolen auto bij de fouillering van verdachte is aangetroffen. De feiten waarop dit relaas gebaseerd is zijn te vinden in 7.1.3.3 (p. 38) en 7.1.3.5 (p. 42) en in voetnoten zijn enkele vindplaatsen in het politieproces-verbaal vermeld. Voor de betrokkenheid van verdachte bij de bewezenverklaarde strafbare feiten is het aantreffen van de autosleutel van de zwarte, gestolen VW Golf die met het kenteken [DD-00-DD] is aangetroffen bij de woning van de aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door het Hof met name voor het medeplegen van de feiten mede redengevend geacht, maar het Hof heeft inderdaad verzuimd het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan het aantreffen van de sleutel is ontleend. Voor het bewijs van het door het Hof zeer uitvoerig gemotiveerde medeplegen is deze omstandigheid echter van zo ondergeschikte betekenis dat dit niet tot cassatie behoeft te leiden. De vermelding van het aantreffen van de sleutel van de Golf met kenteken [DD-00-DD] kan overigens gelet op een vluchtige blik in het onderliggende dossier niet anders dan berusten op een kennelijke misslag. De sleutel van die auto is immers bij medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen, terwijl de sleutel van één van de twee gebruikte huurauto’s (grijze VW Golf diesel met kenteken [BB-00-BB]) bij verdachte is aangetroffen. Het aantreffen van die sleutel bij verdachte is wel degelijk redengevend voor het bewijs van het medeplegen evenals het aantreffen van de voorwerpen in de gestolen Golf.
19. Ook het tweede middel treft geen doel.
20. Het derde middel klaagt dat Hof het verweer houdende dat de kinderen niet (wederrechtelijk) van hun vrijheid zijn beroofd ten onrechte dan wel ontoereikend heeft verworpen en dat de bewezenverklaring van dit bestanddeel (onder 1, eerste cumulatief) niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
21. De klacht beperkt zich tot de bewijsvoering van het Hof voor zover in het kader van feit 1 is bewezenverklaard dat het uit bed gehaalde kind samen met haar broer op één slaapkamer is vastgehouden. Ik kan niet nalaten op te merken dat hetgeen naar voren wordt gebracht mij van weinig betekenis voor de afdoening van de zaak lijkt. Ook als niet bewezen zou kunnen worden dat de kinderen zijn ‘vastgehouden’, is dat voor de ernst en aard van de feiten van volstrekt ondergeschikt belang. Immers voor dat geval blijkt kennelijk ook naar het oordeel van de steller van de middelen genoegzaam uit de bewijsvoering dat de ouders van hun vrijheid zijn beroofd, dat gepoogd is met geweld en bedreiging van geweld te stelen en dat is gepoogd af te persen, terwijl de kinderen boven in de woning aanwezig waren en één van de daders bij de kinderen is geweest en contact met één van kinderen heeft gehad. Dat laatste kan hoe dan ook voor de straftoemeting van belang worden geacht.
22. Het hof heeft een gevoerd verweer inzake de vrijheidsberoving van de kinderen als volgt verworpen (p. 50 van het arrest):
“Wederrechtelijke vrijheidsberoving
Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat geen sprake is van wederrechtelijke vrijheidsberoving van het echtpaar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en hun twee kinderen overweegt het hof het navolgende. Onder wederrechtelijke vrijheidsberoving dient te worden verstaan de beroving van iemands vrijheid, waarbij diegene niet vrijwillig kan vertrekken van de plaats waar hij was of naar de plaats waar hij heen wil, omdat hij is opgesloten of niet weg kan gaan zonder zich bloot te stellen aan geweld. Daarbij levert het ontnemen van de vrijheid tot bewegen van in totaal enkele minuten al wederrechtelijke vrijheidsberoving op (vlg. HR 23 april 1985, NJ 1985, 891).
Uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden volgt dat aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vanaf het moment dat de mannen hun woning binnendrongen geheel in hun bewegingsvrijheid waren beperkt. Zij werden immers gedwongen om te gaan zitten en waren niet in staat om (met hun kinderen) te vluchten. Naar het oordeel van het hof zijn ook de kinderen van aangevers van hun vrijheid beroofd. Nadat aan het tienjarige dochtertje van aangevers werd gevraagd om naar de slaapkamer van haar ouders te gaan en naar haar broertje te gaan en zij haar vader heeft horen roepen dat zij werden overvallen, wilde zij samen met haar broertje uit het raam naar buiten klimmen. Daaruit volgt dat zij zich niet vrij voelde om op de gebruikelijke wijze naar beneden naar haar ouders te gaan. Dat het gebeuren hooguit enkele minuten heeft geduurd doet aan het vorenstaande niets af. De situatie was zodanig dat de kinderen niet vrijwillig konden vertrekken van de plaats waar zij zich bevonden, zonder het gevaar te lopen aan geweld bloot te staan. Het verweer wordt verworpen.”
22. Mede in het licht van hetgeen jegens de ouders heeft plaats gehad, is het niet onbegrijpelijk dat het Hof tot de slotsom is gekomen dat de (jonge) kinderen zijn vastgehouden. Vasthouden is iets anders dan opsluiten. Ook geldt niet de eis dat het vasthouden een bepaalde minimumduur heeft. De oudste van de kinderen (het dochtertje) heeft, zoals uit de bewijsvoering blijkt, verklaard dat ze de eerste keer toen één van de mannen boven kwam zich heeft stil gehouden, maar dat ze de tweede keer ‘best wel hard’ werd vastgepakt en desgevraagd naar de ouderslaapkamer waar haar broertje sliep is gegaan. Ze is dus in de meest letterlijke zin zelfs even feitelijk vastgehouden, terwijl ze haar vader tevoren had horen roepen: “Help. We worden overvallen”. Dat ze werd vastgehouden, kon het Hof bovendien nog afleiden uit haar verklaring dat zij van plan was met haar broertje uit het raam te klauteren. Het Hof heeft dat kennelijk en niet onbegrijpelijk zo opgevat dat beide kinderen werden belemmerd de woning langs de gebruikelijke weg te verlaten, omdat ze door toedoen van de verdachten vast zaten op de ouderslaapkamer.
23. Volgens de steller van het middel ‘leunt het Hof ten onrechte op de subjectieve beleving van het meisje: zij voelde zich niet vrij om op de gebruikelijk wijze naar haar ouders te gaan.’ Het Hof heeft inderdaad het gevoel van het meisje als aanknopingspunt genoemd. Bepalend is dat gevoel mijns inziens inderdaad niet, omdat indien het meisje (en in haar kielzog het jongere broertje) zich wel vrij had gevoeld naar haar ouders te gaan en dit ook daadwerkelijk zou hebben gedaan de vrijheidsberoving door die mogelijkheid van interne verplaatsing binnen het huis niet ten einde zou zijn gekomen. De bewegingsvrijheid van een jong kind hangt in een geval als het onderhavige sterk samen met de bewegingsvrijheid die de overvallers de ouders laten. Bovendien heeft het Hof echter overwogen dat de situatie zodanig was dat de kinderen niet vrijwillig konden vertrekken van de plaats waar zij zich bevonden, zonder het gevaar te lopen aan geweld bloot te staan. Anders dan de steller van het middel meent acht het Hof de subjectieve beleving van het meisje dus niet doorslaggevend. In de schriftuur wordt mijn ambtgenoot Knigge als volgt geciteerd: “Mijn conclusie is dat veel ervoor pleit om vrijheidsberoving te definiëren als het benemen van de feitelijke mogelijkheid om zich te verplaatsen, zodat de actuele beleving van het slachtoffer irrelevant is.” De feitelijke mogelijkheid om zich (naar volledige vrijheid) te verplaatsen, heeft het Hof anders dan de steller van het middel meent (mede) bepalend geacht door aan te knopen bij de situatie die zodanig was dat de kinderen niet vrijwillig konden vertrekken.
24. Het derde middeltreft geen doel.
25. Het vierde middel klaagt over de verwerping van het verweer dat ter zake van de onder 2 bewezenverklaarde feiten geen sprake is geweest van een strafbare poging en ook overigens over de motivering van de bewezenverklaring van die strafbare poging.
26. Voor zover voor de beoordeling van het middel van belang heeft het Hof in het arrest (p. 50/51) het volgende overwogen:
“Poging of voorbereiding?
Van een strafbare poging is sprake als de gedragingen van een verdachte zijn aan te merken als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Daarbij is leidend dat zij naar hun uiterlijke verschijningsvorm dienen te worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van dat misdrijf. Hiertoe kunnen naast de voor een derde zichtbare gedragingen ook bijdragen andere feiten en omstandigheden die de context van de gedragingen kunnen bepalen.
Zoals hiervoor reeds in het kader van het medeplegen is overwogen gaat het hof ervan uit dat de verdachten het voornemen hadden om het telkantoor van de Hoogvliet te Zoeterwoude te overvallen. Daartoe zijn zij, nadat zij op verschillende dagen plaatsen hadden afgelegd die gerelateerd waren aan dat kantoor, eerst naar de woning van [slachtoffer 1] gegaan, alwaar zij haar onder bedreiging van vermoedelijk een vuurwapen hebben ondervraagd over de kluis, de hoeveelheid geld in de kluis op dat moment en wie van haar collega's de volgende ochtend zou komen werken. Het hof acht het uitermate onwaarschijnlijk dat de verdachten, na deze vragen aan [slachtoffer 1] te hebben gesteld, de woning weer zouden hebben verlaten om – na beraad – vervolgens op een ander moment het telcentrum te overvallen of aldaar in te breken. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat [slachtoffer 2] de overvallers heeft horen zeggen dat zij zijn vrouw naar de kluis zouden meenemen en aan de vrouw is gevraagd of zij wilde meewerken.
Verder dragen ook de goederen die de verdachten naar en in de woning van [slachtoffer 1] goederen hadden meegenomen bij aan de uitvoering van het plan, zoals tie-wraps, wapens, pruiken en opplaksnorren, die konden dienen als vermomming.
Het hof beschouwt de gedragingen van de verdachten als een opeenvolgend geheel, welke tot een voltooiing van het delict zouden hebben geleid als de verdachten niet door de politie waren gestoord. De overval in de woning van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en het stellen van de bovengenoemde vragen tijdens die overval kan gezien de uiterlijke verschijningsvorm worden beschouwd als een begin van uitvoering van de onder 2 primair, eerste en tweede cumulatief, tenlastegelegde poging. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat al hetgeen onder 2 primair ten laste is gelegd bewezen kan worden verklaard.
27. De steller van het middel meent dat de gedragingen in de woning van echtpaar te [plaats] geen poging tot diefstal met geweld c.q. poging tot afpersing jegens het telkantoor van Hoogvliet B.V. te Zoeterwoude kunnen opleveren. Niet wordt betwist dat er plannen en/of voorbereidingen waren voor de overval op het telkantoor, maar de gedragingen te Alphen aan den Rijn kunnen slechts een begin van uitvoering van een overval op het telkantoor opleveren als er eenheid is van tijd en plaats. Nu de plaats van de gedragingen en van de geplande overval op het telkantoor verschilt en gelet op de afstand tussen Alphen aan den Rijn en Zoeterwoude het niet anders kan dan dat de tijdstippen eveneens verschillen, kunnen de gedragingen te Alphen aan den Rijn geen begin van uitvoering van een overval in Zoeterwoude opleveren. Het vereiste van eenheid van tijd en plaats ontleent de steller van het middel aan HR 16 oktober 1911, W 9232.
28. Het arrest van de Hoge Raad van 16 oktober 1911, W 9232 ziet niet op een poging, maar op het voltooid delict van art. 312 Sr. Voor een goed begrip citeer ik de volgende passage uit Noyon/Langemeijer/Remmelink:
“In de betreffende zaak ging het o.m. om diefstal in een woning (art. 312 lid 2art. 312 lid 2 onder 1°). Daardoor werd echter de plaats van het delict nog extra beperkt. Art. 312 lid 2Art. 312 lid 2 onder 1 Sr spreekt immers van 'het feit', waaronder toch de diefstal mét geweld is te verstaan, gepleegd ín een woning. In casu was het geweld gepleegd op een brug over de Beerse Maas bij een poging aan betrapping te ontkomen een half uur na de diefstal. De A-G meende, dat het Hof nog wel had kunnen aannemen, dat de diefstal door geweld in de zin van art. 312art. 312 was gevolgd, want dat er nu eenmaal een zekere speling van tijd en plaats noodzakelijk is en deze zou hier niet te ruim zijn genomen. Wel meende de A-G, dat het Hof gelet op de vereiste eenheid van plaats ten onrechte art. 312 lid 2art. 312 lid 2 sub 1 toepasselijk had geacht. De Hoge Raad oordeelde: Van het telastegelegde misdrijf vormt, al ware het slechts om het bepaalde in art. 312 lid 2art. 312 lid 2 sub 1, eenheid van plaats (zij het in ruime zin opgevat) voor de beide onderdelen van het samengestelde delict (diefstal met geweld) een noodzakelijk bestanddeel. In dit opzicht achtte de Hoge Raad het arrest van het Hof onvoldoende gemotiveerd. Maar omdat in art. 312 lid 2art. 312 lid 2 onder 1 en 33 Sr nader wordt aangeduid waar 'het feit' moet hebben plaatsgevonden ligt een beperking naar plaats daar eerder voor de hand dan in art. 312 lid 2art. 312 lid 2 onder 2 en art. 312 lid 3art. 312 lid 3 Sr. Het ligt voor de hand, dat t.a.v. de tijd in soortgelijke geest geoordeeld moet worden.”
29. Het vereiste van een zekere eenheid van plaats en tijd wordt in bovenstaand citaat in verband gebracht met de mogelijkheid van een nadere strafmaximumverhogende kwalificatie: (gedurende de voor nachtrust bestemde tijd) in een woning. Een dergelijk verband is in de onderhavige zaak niet aan de orde. De gedragingen in Alphen aan den Rijn vonden weliswaar plaats in de woning, maar uit de kwalificatie valt af te leiden dat deze omstandigheid hier niet als strafmaximumverhogende omstandigheid is aangemerkt. Overigens wordt in een vervolgpassage op het citaat hierboven gesteld dat de mobiliteit van op heterdaad betrapte en vluchtende daders kan nopen tot herbezinning. Het accent moet dan gelegd worden op de totaliteit van het gebeuren. Gewezen wordt ook op HR 8 september 1998, nr. 108.542 waarin de Hoge Raad niet ingreep in een veroordeling waarin het gevolgde geweld bestond uit het rammen van een politieauto 25 minuten na een snelkraak in een andere gemeente. Diefstal en geweld kunnen dus wel degelijk ruimtelijk en temporeel uit elkaar liggen.
30. Anders dan de steller van het middel meen ik dat bij diefstal met geweld en afpersing niet zonder meer de eis geldt dat plaats en tijd van het geweld samenvallen met de plaats waar en het tijdstip waarop het wegnemen of de afgifte wordt gerealiseerd. Dat zou bijvoorbeeld tot het onaanvaardbare resultaat leiden dat het met geweld iemand ertoe brengen zijn pinpas en pincode af te geven en vervolgens even later geld pinnen niet kan worden aangemerkt als diefstal met geweld van geld of afpersing van geld. Het gaat in de bewoordingen van NLR om de totaliteit van het gebeuren. Hetgeen voor het voltooid delict geldt, is zonder meer ook van toepassing bij poging. Gelet op het karakter van de poging sluit ik niet uit dat zelfs nog meer ruimte pleitbaar is. Enig verband waarin ook tijd en plaats een rol spelen is uiteraard wel vereist, maar daarover laat het middel zich verder niet uit en het behoeft geen toelichting dat een voldoende verband in deze zaak niet ontbreekt.
31. Het vierde middeltreft evenmin doel.
32. Het vijfde middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd cumulatief onder 2 zowel medeplegen van een poging tot diefstal met geweld als medeplegen van een poging tot afpersing heeft bewezenverklaard en daarbij is uitgegaan van meerdaadse samenloop.
33. Over de toepassing van de samenloopregeling heeft het Hof onder 11.3.5 (p. 60 van arrest) overwogen:
“Het hof houdt er in het voordeel van verdachte rekening mee dat er weliswaar een tweetal feiten bewezen is verklaard, maar dat de in artikel 55 en 56 Wetboek van Strafrecht vervatte samenloopregelingen van toepassing zijn. Zo is er ten aanzien van de afzonderlijk onder 1 cumulatief/alternatief ten laste gelegde feiten sprake van hetzelfde feitencomplex en aldus van eendaadse samenloop. Voorts is er bij de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten sprake van één voortgezette handeling, aangezien deze feiten het gevolg zijn van één wilsbesluit.”
35. Nu onder de toepasselijke voorschriften naast de artikelen 55 Sr (eendaadse samenloop binnen feit 1) en 56 Sr (voorgezette handeling van feit 1 en 2) ook 57 Sr is vermeld, kan ervan worden uitgegaan dat het Hof voor wat betreft de beide onder 2 bewezenverklaarde feiten artikel 57 Sr heeft toegepast. Naar aan te nemen valt heeft het Hof dus voor ogen gehad dat de in deze zaak ten hoogste op te leggen gevangenisstraf zestien jaar bedraagt. Indien zoals de steller van middel voorstaat beide onder 2 bewezenverklaarde pogingen met elkaar onverenigbaar zijn, bedraagt het maximum van de op te leggen gevangenisstraf twaalf jaar. In die zin heeft verdachte enig belang bij dit middel, ook al verbleekt dit belang in het licht van de feitelijk opgelegde straf.
36. De feitelijke omschrijving (na het woordje: immers) van de beide onder 2 bewezenverklaarde pogingen is identiek. Tenlastelegging en bewezenverklaring richten zich op het wegnemen van geld en op dwang tot afgifte van geld. Tevoren valt moeilijk te bepalen of de realisering van het voornemen om het telkantoor (een hoeveelheid) geld afhandig te maken zal plaatsvinden door met (bedreiging van) geweld weg te nemen of onder dwang afgeven en welk van de twee varianten het wordt, zal de verdachten naar aan te nemen valt een zorg zijn. Wanneer het om het afhandig maken van meer voorwerpen gaat valt niet uit te sluiten dat bepaalde voorwerpen worden weggenomen en andere voorwerpen onder dwang worden afgegeven. Als het om hetzelfde voorwerp gaat is het van tweeën één.
37. Geld bestaat (onder meer) uit munten en muntbiljetten en bij een overval is het niet ongebruikelijk dat na een gedwongen afgifte de overvaller alsnog een greep in de kas doet. De afgifte van bepaalde biljetten kan dan in de termen van art. 317 Sr vallen en de greep van andere biljetten uit de kas in termen van art. 312 Sr. Anders dan de steller van het middel meent behoeven beide pogingen hier dus elkaar niet uit te sluiten en is het in het licht van de bewijsvoering niet onbegrijpelijk dat het Hof beide varianten voor ogen heeft gehad. De verdachten zullen toch ook niet van plan zijn geweest om geld dat ze in het telkantoor buiten de kluis zouden aantreffen niet te beroeren. In die benadering heeft het Hof dus op goede grond tevens toepassing gegeven aan art. 57 Sr.
38. Het vijfde middelfaalt.
39. Het zesde middel komt op tegen de bewezenverklaring onder 2, omdat ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd is bewezen verklaard dat de verdachten het voornemen hadden [slachtoffer 2] door geweld of bedreiging met geweld te dwingen tot afgifte van een hoeveelheid geld.
40. In de toelichting op het middel wordt er een punt van gemaakt dat ook ten aanzien van [slachtoffer 2] poging tot afpersing is bewezen verklaard. Daarbij wordt gewezen op de voor het bewijs gebezigde verklaring van [slachtoffer 1] inhoudende dat tegen [slachtoffer 2] is gezegd: “We komen niet voor jou, we komen voor je vrouw.” Inderdaad is [slachtoffer 2] niet de meest aangewezene om de gewenste inlichtingen over het telkantoor te verschaffen en is er ook geen directe aanleiding om hem mee te nemen naar het telkantoor. De voor afpersing vereiste dwang in de vorm van (bedreiging met) geweld wordt echter wel degelijk ook op hem uitgeoefend en met die dwang kan worden bewerkstelligd dat de inlichtingen worden gegeven. De dwang kan zodanig zijn dat hij de (geringe) informatie waarover hij mogelijk zelf beschikt geeft. Voorts is denkbaar dat hij door de uitgeoefende dwang zijn vrouw er toebrengt informatie te geven. In die meer functionele benadering is het dus niet de fysieke handeling van [slachtoffer 2], maar is het [slachtoffer 2] die zijn vrouw [slachtoffer 1] de informatie doet afgeven. Ten overvloede is pleitbaar dat reeds voldoende is dat [slachtoffer 1] juist door het op [slachtoffer 2] toegepaste geweld de inlichtingen geeft.
41. Ook het zesde middeldeelt het lot van de andere middelen.
42. De middelen falen en in ieder geval het tweede en zesde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.
43. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaalbij de Hoge Raad der Nederlanden
AG