10. Het eerste middel slaagt.
11. Het tweede middel klaagt over de betekening van de ontnemingsvordering.
12. Ingevolge het vierde lid van art. 511b Sv behelst de vordering de oproeping om op het daarin vermelde tijdstip ter terechtzitting te verschijnen. Volgens de steller van het middel had het Hof de oproeping om in eerste aanleg te verschijnen nietig moeten verklaren, althans had het Hof een onderzoek moeten instellen naar de betekening van de ontnemingsvordering. Nu naar mijn oordeel het eerste middel slaagt, meen ik te kunnen volstaan met het volgende. Ter zitting van het Hof heeft de raadsman onder meer meegedeeld: “Uit de stukken blijkt echter niet dat mijn cliënt op de hoogte was van de ontnemingsvordering.” De betekeningsvoorschriften garanderen niet dat de veroordeelde op de hoogte raakt van de ontnemingsvordering. De mededeling van de raadsman houdt geen beroep op nietigheid van de oproep in de ontnemingszaak in en het Hof was niet gehouden daaromtrent uitdrukkelijk en gemotiveerd te beslissen. Waarom de raadsman in hoger beroep de betekening van de ontnemingsvordering in eerste aanleg niet aan de orde kon stellen ontgaat mij. Immers de omstandigheid dat de voorzitter van het Hof meedeelt dat de behandeling van de zaak zich beperkt tot de ‘vraag naar de ontvankelijkheid van verdachte’ staat daaraan niet zonder meer in de weg. De consequentie is dat gelet op het voorgaande de betekening niet voor het eerst in cassatie aan de orde kan worden gesteld.
13. Het tweede middel faalt.
14. Het eerste middel slaagt, terwijl het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.
15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Hof, teneinde deze op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG