Schieten op de Hoofdstraat:
Het hof neemt bij het vaststellen van de feiten de verklaringen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] tot uitgangspunt. Uit hun verklaringen volgt in de kern dat de verdachte als eerste heeft geschoten en dat hij op de Hoofdstraat heeft geschoten in de richting van [verbalisant 1].
Anders dan door de verdediging is betoogd gaat het hof voorbij aan de verklaringen van de getuige [betrokkene 1]. De getuige [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij de verdachte niet heeft zien schieten. Het hof sluit niet uit dat de getuige [betrokkene 1], gezien zijn positie (de getuige [betrokkene 1] was gezeten in zijn auto, rijdende in de Kerkstraat teneinde aldaar rechtsaf te slaan naar de Hoofdstraat, weg van de locatie van het schietincident), niet voortdurend volledig en goed zicht heeft gehad op de situatie. In het dossier is voorts geen ondersteuning te vinden voor de verklaringen van de getuige [betrokkene 1] dat de politieagent als eerste zou hebben geschoten, ook niet - zoals hierna zal worden overwogen - in het ontbreken van een huls uit het wapen van de verdachte in de Hoofdstraat.
Met de verdediging stelt het hof vast dat verschillende door de verdediging genoemde getuigen op onderdelen niet eensluidend hebben verklaard en dat de getuigen die hebben verklaard dat de verdachte als eerste heeft geschoten dit soms in voorzichtige bewoordingen hebben gedaan. Naar het oordeel van het hof doet dit evenwel niet af aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. De verklaringen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] vinden in de kern en op grote onderdelen bevestiging in de verklaringen van de door de verdediging genoemde getuigen. In hetgeen door deze getuigen is verklaard ziet het hof dan ook geen aanleiding om aan de juistheid van de door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] geschetste gang van zaken in de Hoofdstraat te twijfelen.
Ook in de resultaten van het forensisch technisch onderzoek ziet het hof geen reden om aan de verklaringen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] te twijfelen. Naar het oordeel van het hof kan aan de enkele omstandigheid dat op de Hoofdstraat geen huls uit het wapen van verdachte is aangetroffen niet zonder meer de gevolgtrekking worden verbonden dat de verdachte op die plaats geen kogel heeft afgevuurd. Het hof merkt op dat sporen die kunnen worden gerelateerd aan een strafbaar feit, zoals in het onderhavige geval een huls, door verschillende oorzaken bij een sporenonderzoek op de plaats delict kunnen worden gemist of van de plaats delict kunnen verdwijnen. De deskundige D.W. Zoetmulder heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij het zeer onwaarschijnlijk acht dat de huls door een passerend voertuig is meegenomen omdat het profiel van een band van een personenauto te klein is. In zijn aanvullend rapport d.d. 2 maart 2013 heeft de deskundige Zoetmulder gerapporteerd dat het scenario dat een huls van het kaliber 9 mm door een passerend motorvoertuig in het bandenprofiel wordt meegevoerd met aan zekerheid grenzende waarschijnlijk is uit te sluiten. Naar het oordeel van het hof kan aan de conclusie van de deskundige evenwel geen doorslaggevende betekenis worden toegekend nu op grond van de verklaring en het rapport van de deskundige evenmin kan worden uitgesloten dat de huls op andere wijze van de plaats delict is verdwenen. De deskundige Zoetmulder heeft ter terechtzitting in eerste aanleg immers verklaard dat hij zich er verder niet in heeft verdiept of hulzen op andere wijze kunnen zijn verdwenen.
Voorts overweegt het hof nog dat ook het feit dat bij gelegenheid van het forensisch technisch onderzoek in de Sint Odulphusstraat zeven hulzen en in de Hoofdstraat één patroon uit het wapen van de verdachte zijn aangetroffen, voor het hof geen aanwijzing vormt dat de verdachte in Hoofdstraat niet heeft geschoten. Weliswaar kan de patroonhouder van het wapen van de verdachte maximaal acht patronen bevatten, doch blijkens de verklaring van de voornoemde deskundige Zoetmulder is het technisch mogelijk dat het wapen van de verdachte was geladen met acht patronen in de patroonhouder en één patroon in de kamer van het wapen, zodat hij over negen patronen beschikte. Dit betekent dat het mogelijk is dat, ondanks dat zeven hulzen en een patroon zijn aangetroffen, de verdachte in de Hoofdstraat een (negende) kogel heeft afgevuurd, waarvan de huls niet is gevonden.
Gelet op het voorgaande en hetgeen overigens uit de bewijsmiddelen blijkt, acht het hof mitsdien bewezen dat de verdachte als eerste heeft geschoten en dat hij op de Hoofdstraat één kogel heeft afgevuurd in de richting van [verbalisant 1].
Voorbedachte raad:
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Het hof overweegt in dit verband het volgende.
Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op 23 augustus 2011 een vuurwapen bij zich droeg. De agenten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben op enig moment van de meldkamer een melding gekregen over een man (naar later blijkt te zijn de verdachte) die op het spoor liep. Even later is deze melding aangevuld met informatie dat een melder zou hebben gezien dat deze man een vuurwapen bij zich droeg. De verdachte heeft verklaard dat hij wist dat de melder het pistool had gezien en dat hij ook wel wist dat de politie dat inmiddels wist. Uit deze verklaringen van de verdachte leidt het hof af dat de verdachte er vanuit is gegaan dat de persoon die het wapen bij hem had gezien, deze informatie zou doorgeven aan de politie en dat hij zich reeds op dat moment heeft gerealiseerd dat de politie mogelijk naar hem op zoek zou gaan. Dit betekent naar het oordeel van het hof dat de verdachte zich vanaf dat moment heeft kunnen beraden over een te nemen besluit in het geval hij door de politie zou worden aangesproken.
Op de Hoofdstraat is de verdachte, nadat hij uit de taxi was gestapt, door de agenten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] aangeroepen. Bij gelegenheid van het forensisch technisch onderzoek is ter plaatse, op het trottoir nabij de plaats waar de verdachte door de politie is aangesproken, een patroon aangetroffen. De bodem van de huls van deze patroon was voorzien van dezelfde tekst (GECO 9 MM Luger) als de op Sint Odulphusstraat aangetroffen hulzen afkomstig uit het wapen van de verdachte. De NFI-deskundige W. Kerkhoff heeft op basis van een vergelijkend onderzoek aan de patroon en een aantal hulzen van proefschoten met het wapen van verdachte geconcludeerd dat zijn bevindingen waarschijnlijker zijn wanneer de patroon doorgeladen is geweest in hetzelfde vuurwapen als waarmee de hulzen zijn verschoten, dan wanneer de patroon doorgeladen is geweest in een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als waarmee de hulzen zijn verschoten. Op grond hiervan gaat het hof er vanuit dat de aangetroffen patroon doorgeladen is geweest in het wapen van de verdachte en dat deze ter plaatse door de verdachte is verloren. Uit het onderzoek ter terechtzitting is geen enkele aanwijzing naar voren gekomen dat een ander dan verdachte de patroon ter plaatse heeft achtergelaten. Blijkens de hiervoor aangehaalde verklaring van de deskundige Zoetmulder is het technisch mogelijk dat het wapen van de verdachte was geladen met acht patronen in de patroonhouder en één patroon in de kamer van het wapen. Voorts volgt uit de verklaring van de deskundige Zoetmulder dat bij het doorladen van een wapen de patroon (naar het hof begrijpt: de patroon die zich in de kamer van het wapen bevindt) wordt uitgeworpen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is geen enkele aanwijzing naar voren gekomen dat de verdachte de patroon los, dat wil zeggen buiten zijn wapen, bij zich droeg.
De verdachte is - zoals gezegd - door de agenten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op de Hoofdstraat staande gehouden. Op enig moment heeft [verbalisant 1] aan de verdachte gevraagd of hij iets bij zich had wat hij niet bij zich mocht hebben, waarop de verdachte heeft geantwoord: "Dat is voor jou een vraag en voor mij een weet". Daarop heeft [verbalisant 1] tegen de verdachte gezegd dat hij de verdachte wilde fouilleren, waarop de verdachte heeft gezegd: "Dat zou ik niet doen". Vervolgens heeft [verbalisant 1] nogmaals tegen de verdachte gezegd dat hij de verdachte wilde fouilleren. Daarop heeft de verdachte zich omgedraaid en is hij bij [verbalisant 1] vandaan gelopen.
Gelet op de plaats waar het patroon uit het wapen van verdachte is aangetroffen, gaat het hof er dan ook vanuit dat de verdachte op dat moment zijn wapen heeft doorgeladen, waarbij de aangetroffen patroon is uitgeworpen en op het trottoir is achtergebleven. Het hof leidt uit de uiterlijke verschijningsvorm van deze handeling van de verdachte af dat de verdachte op dat moment het besluit heeft genomen om het wapen in een confrontatie met de politieagenten tegen hen te gebruiken.
Verdachte heeft later, in het kader van het onderzoek door de Rijksrecherche, verklaard dat hij niet gefouilleerd wilde worden omdat hij een wapen bij zich had. [verbalisant 1] heeft de verdachte aangeroepen dat hij terug moest komen. Hierop heeft de verdachte het wapen tevoorschijn gehaald, zich omgedraaid en een kogel afgevuurd in de richting van agent [verbalisant 1]. Het hof leidt uit de uiterlijke verschijningsvorm van deze handeling van de verdachte af dat de verdachte op dat moment het besluit heeft genomen om daadwerkelijk uitvoering te geven aan zijn voorgenomen plan om in een confrontatie met de politieagenten het wapen te gebruiken.
Vervolgens is de verdachte naar de Sint Odulphusstraat gerend, alwaar hij nog zes kogels heeft afgevuurd in de richting van agent [verbalisant 1] en één kogel in de richting van agent [verbalisant 2]. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte zich ook gedurende deze tijd steeds kunnen beraden over het al dan niet verder uitvoering geven aan zijn voorgenomen plan. Desondanks heeft de verdachte zich gedurende deze tijd niet overgegeven, hoewel daartoe wel de mogelijkheid bestond. Verdachte heeft zich daarentegen pas overgegeven nadat hij gewond was geraakt en hij zijn wapen had leeggeschoten.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Het hof is niet gebleken van feiten en omstandigheden die een contra-indicatie zouden kunnen vormen voor het aannemen van voorbedachte raad bij de verdachte. Anders dan door de verdediging is betoogd is het feitelijk onjuist dat de verdachte op de Hoofdstraat zonder grond en onverhoeds door agent [verbalisant 1] is beschoten. Uit de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen hieromtrent hiervoor is overwogen volgt immers dat de verdachte in de Hoofdstraat als eerste heeft geschoten in de richting van [verbalisant 1].
Mitsdien is het hof van oordeel dat de verdachte de tijd en gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad om opzettelijk [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van het leven te beroven en zich daarvan rekenschap te geven. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad.
Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.”
Sinds zijn arrest van 28 februari 2012 is de Hoge Raad nadere eisen gaan stellen aan (het bewijs van) voorbedachte raad. De Hoge Raad heeft in dat arrest onder meer overwogen:
“Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.“
In aanvulling daarop overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156 m.nt. Keulen het volgende:
“De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.”
Allereerst wordt in het middel de overweging van het Hof bestreden voor zover inhoudende dat de verdachte als eerste heeft geschoten en dat hij op de Hoofdstraat één kogel heeft afgevuurd in de richting van agent [verbalisant 1]. Die vaststelling van het Hof is volgens de steller van het middel onbegrijpelijk onder meer omdat deze geen steun vindt in het forensisch-technisch bewijs.
In zijn overwegingen is het Hof uitvoerig ingegaan op het betoog van de verdediging dat niet verdachte als eerste op de Hoofdstraat heeft geschoten maar dat hij is beschoten door de politie en dat hij pas in de Sint Odulphusstraat heeft teruggeschoten. Het Hof heeft de verklaringen van aangevers [verbalisant 1] en [verbalisant 2] tot uitgangspunt genomen en deze betrouwbaar en geloofwaardig geacht, in het bijzonder omdat deze verklaringen in de kern en op grote onderdelen steun vinden in de verklaringen van andere getuigen. Ook heeft het Hof de resultaten van het forensisch technisch onderzoek meegewogen en heeft het Hof in het niet aantreffen van een huls uit het wapen van verdachte geen reden gezien om aan de verklaringen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] te twijfelen. Dat de verdachte als eerste één keer heeft geschoten op de Hoofdstraat valt af te leiden uit voor het bewijs gebezigde verklaringen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] die als bewijsmiddel 1 en 2 in het arrest zijn opgenomen. In de kern staat het middel in zoverre een andere waardering en selectie van de bewijsmiddelen voor, maar nu die selectie en waardering niet onbegrijpelijk is en bovendien door het Hof nader is toegelicht is gelet op het feitelijke karakter ervan voor nadere toetsing in cassatie geen plaats. Deze klacht faalt.
In het middel wordt voorts – naar ik aanneem als speerpunt – geklaagd over de wijze waarop het Hof invulling heeft gegeven aan (het bewijs van) de voorbedachte raad. Naar de letter beperkt het middel zich (onder 7 van de schriftuur) tot de laatste (overigens zeer ingrijpende) fase van het schietincident; het schieten door verdachte terwijl hij zich bevindt op de Sint Odulphusstraat. Als pijnpunt vermeldt de schriftuur het oordeel van het Hof (p. 18 van het arrest) dat verdachte zich ook gedurende deze tijd steeds heeft kunnen beraden over het al dan niet verder uitvoering geven aan zijn voorgenomen plan. De strekking van het middel kan echter geen andere zijn dan een algehele bestrijding van het bewijs van de voorbedachte raad.
Zowel de materiele invulling van de voorbedachte raad als het bewijs ervan houdt strafrechtelijk Nederland bezig. Moet de rechtspraak van de Hoge Raad zo worden begrepen dat een gelegenheid tot beraad behoudens contra-indicaties (hevige drift, korte tijdspanne, pas beraad tijdens uitvoering) voldoende is om aan te nemen dat er sprake is geweest van daadwerkelijk beraad? Bij een bevestigende beantwoording wordt de recente rechtspraak van de Hoge Raad vooral gezien als een kader voor de bewijsconstructie van voorbedachte raad. Het hier boven gedeeltelijk geciteerde arrest van 2012 is niet zelden zo begrepen. Keulen (noot onder NJ 2014/156) ziet in het arrest van oktober 2013 tevens een meer materieelrechtelijke benadering. Hij leidt uit het arrest voorzichtig (‘zo lijkt het’) af dat de gelegenheid tot beraad niet altijd voldoende is. Ook als de mogelijkheid tot beraad bestaat, is het niet altijd redelijk daaruit ook af te leiden dat verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht. Keulen zegt het zo: “De gelegenheid tot nadenken is te oordelen naar deze formulering niet doorslaggevend, maar staat naast de andere feitelijke omstandigheden van het geval. En het gaat er uiteindelijk om, zo lijkt het, ‘wat in de verdachte is omgegaan.’ Hij voegt daar nog aan toe dat ook als er geen sprake is van een hevige gemoedsopwelling, beraad achterwege kan zijn gebleven.
In de hierboven onder 5 geciteerde bewijsoverweging beoogt het Hof het beginpunt van de mogelijkheid tot beraad kennelijk te leggen (ver) voor het moment dat de verdachte na het uitstappen uit de taxi door de politieambtenaren wordt aangesproken. Bepalend voor het Hof is dat verdachte ervan uit is gegaan dat de persoon die een wapen bij hem heeft gezien dit zou melden aan de politie en dat verdachte zich reeds vanaf dat moment heeft gerealiseerd dat de politie mogelijk op zoek naar hem zou gaan. Vanaf dat moment kon verdachte zich beraden op een te nemen besluit in het geval hij door de politie zou worden aangesproken. Om uiteenlopende redenen is deze redenering niet goed te begrijpen.
Allereerst biedt de overweging van het Hof ook in samenhang met de voor het bewijs gebezigde verklaringen van verdachte (bewijsmiddelen 7, 8 en 9) geen helder aanknopingspunt voor de vaststelling van de start van de mogelijkheid tot beraad. Het moment waarop verdachte zich heeft gerealiseerd (1) dat de politie wel op zoek naar hem zou gaan en (2) dat de politie wel van de melder zou hebben vernomen dat hij een vuurwapen bij zich droeg berust op niet meer dan een veronderstelling. Verdachte kan zich een en ander immers zowel hebben gerealiseerd toen de melder hem zag, maar het kan ook zijn dat de puzzel voor verdachte in elkaar paste toen hij daadwerkelijk door de politie werd aangesproken. Anders gezegd: de keuze van het beginpunt voor het beraad is in de overweging van het Hof niet zonder meer begrijpelijk; daarmee valt over de duur van het beraad weinig zinvols te zeggen en dat klemt omdat daarmee niet is uitgesloten dat er van een korte tijdspanne sprake was.
Voorts vraag ik mij af of hier wel van de mogelijkheid tot beraad kan worden gesproken. Kan hier wel worden gesproken van beraad over een voorgenomen daad te weten het schieten op agenten om deze te doden? De gelegenheid tot beraad blijft hier wel erg algemeen en abstract. Er is wel gelegenheid tot beraad, maar die gelegenheid kan toch pas voorbedachte raad opleveren als er van een ‘voorgenomen daad’ sprake is. Het Hof stelt niet vast wat de voorgenomen daad was op het moment dat verdachte zich realiseerde dat hij wel eens door de politie gezocht kon worden, terwijl de politie op de hoogte was van de omstandigheid dat hij een wapen droeg. Verschilt deze gelegenheid tot beraad wezenlijk van de situatie waarin alleen vaststaat dat iemand tevoren een vuurwapen heeft gedragen? Ook hij heeft gelegenheid om zich te beraden over het gebruik van het wapen (ook voor het geval hij onverhoeds door de politie wordt gecontroleerd), maar het gaat mij veel te ver om zonder meer aan te nemen dat bij elk volgend daadwerkelijk gebruik van het wapen sprake is van voorbedachte raad, omdat steeds kan worden aangenomen dat iemand zich over het kennelijk gevolgde wapengebruik ook daadwerkelijk heeft beraden. Een dergelijke aanname is niet redelijk.
Voor zover het Hof het beginpunt van de gelegenheid tot beraad heeft gelegd (ver) voorafgaande aan het moment waarop verdachte werd aangesproken door de agenten vind ik dit oordeel van het Hof getuigen van een onjuiste rechtsopvatting omtrent voorbedachte raad, althans is de motivering niet begrijpelijk.
In de hierboven onder 5 geciteerde bewijsoverweging laat het Hof zich vervolgens uit over het moment dat verdachte heeft besloten het wapen daadwerkelijk te gebruiken. Dat is volgens het Hof het moment waarop verdachte na zich te hebben omgedraaid (van verbalisant [verbalisant 1] af) en te zijn weggelopen het wapen heeft doorgeladen, zich na door de verbalisant [verbalisant 1] te zijn aangeroepen opnieuw heeft omgedraaid (naar verbalisant [verbalisant 1] toe) en een kogel op [verbalisant 1] heeft afgevuurd. Het besluit en het daadwerkelijk uitvoering geven aan – in de woorden van het Hof – het voorgenomen plan om een confrontatie met politieagenten het wapen te gebruiken liggen, hoewel het Hof geen tijdsaanduiding geeft, (mijns inziens ook in tijd) dicht bij elkaar. Dat blijkt nog iets duidelijker uit de voor het bewijs gebruikte verklaring van verbalisant [verbalisant 2] (bewijsmiddel 2):
“Ik hoorde dat die man met [verbalisant 1] ([verbalisant 2] doelt hierbij op zijn collega [verbalisant 1]; PV) aan het praten was. Ik zag dat die man achteruit van [verbalisant 1] probeerde weg te lopen. Zijn snelheid werd opgebouwd. Na ongeveer twee meter zag ik dat die man zich rechtsom draaide en wegrende. Terwijl ik zag dat die man wegliep, stapte ik ook uit de dienstwagen. Vervolgens zag ik dat [verbalisant 1] achter die man aan rende en eigenlijk op dat moment zag ik dat die man een vuurwapen vast had. Op het moment dat ik dat vuurwapen zag, hoorde ik enkele knallen. Ik zag ook het mondingsvuur uit de loop van dat vuurwapen komen.”
Het Hof spreekt niet alleen van beraad, maar zelfs van een voorgenomen plan om bij een confrontatie met politieagenten het wapen daadwerkelijk te gebruiken. Mij is geenszins duidelijk waarop het Hof heeft gebaseerd dat van een voorgenomen plan sprake was.
Dat verdachte zich ook bij het schieten vanaf de Sint Odulphusstraat heeft kunnen beraden is op zichzelf juist. Het Hof overweegt dat er geen feiten en omstandigheden zijn die een contra-indicatie zouden kunnen vormen voor het aannemen van voorbedachte raad. In dat kader overweegt het Hof dat verdachte niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. In de bijzondere bewijsoverwegingen van het Hof mis ik aandacht voor de tijd die is verlopen tussen het schieten op de Hoofdstraat en het schieten op de Sint Odulphusstraat. De (als bewijsmiddel 1 en 2 gebezigde) verklaringen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] bevatten weliswaar ook op dit punt geen tijdsaanduiding, maar er valt zonder meer uit af te leiden dat de gebeurtenissen zich aansluitend en in een zeer korte tijd hebben afgespeeld. Het Hof was mijns inziens gehouden aan dit tijdsverloop aandacht te besteden.
Al met al meen ik dat het arrest geen stand kan houden. Het Hof heeft een onjuiste uitleg aan het begrip voorbedachte raad gegeven door zonder meer uit de gelegenheid tot beraad daadwerkelijk beraad af te leiden, terwijl daarbij voorbij is gegaan aan de tijdspanne. Onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd dat die tijdspanne een aanvang neemt voordat de verdachte uit de taxi stapt en voor zover die tijdspanne op het moment dat verdachte de taxi verlaat is aangevangen, heeft het Hof nagelaten te motiveren waarom het korte tijdsverloop hier geen contra-indicatie oplevert voor het bewijs van voorbedachte raad.
Het middel is terecht voorgesteld.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Hof, teneinde deze op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG