ECLI:NL:PHR:2014:1626

ECLI:NL:PHR:2014:1626, Parket bij de Hoge Raad, 17-06-2014, 13/05765

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 17-06-2014
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 13/05765
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2014:2772
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 4 zaken
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001903

Samenvatting

Beklag, beslag. HR verklaart betrokkene o.g.v. art. 552d.2 Sv n-o in het beroep (vgl. ECLI:NL:HR:2012:BX5512). I.c. doet zich niet de situatie voor dat de OvJ aan de beslagene de mededeling heeft gedaan van zijn voornemen het inbeslaggenomen voorwerp met toepassing van art. 116.3 Sv aan hem of aan een ander terug te geven, dan wel de situatie dat de beslagene moet worden beschouwd als een persoon aan wie een zodanige mededeling is gedaan. In dat geval zou het cassatieberoep ontvankelijk zijn (vgl. ECLI:NL:HR:1996:ZD0589, NJ 1997/387, ECLI:NL:HR:2007:AZ1656 en ECLI:NL:HR:2012:BT8915).

Uitspraak

Nr. 13/05765 B

Mr. Harteveld

Zitting 17 juni 2014

Conclusie inzake:

[betrokkene 1]

1. De Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft bij beschikking van 30 oktober 2013 een door [klaagster], ingediend klaagschrift strekkende tot teruggave aan klaagster van een onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen personenauto, merk Porsche Panamera met het kenteken [AA-00-AA], gegrond verklaard.

2. Tegen deze beschikking is door [betrokkene 1] beroep in cassatie ingesteld. Namens [betrokkene 1] heeft mr. M.J. van Weerden, advocaat te Almere, een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het cassatieberoep merk ik het volgende op.

3.2. Het beroep is gericht tegen een beschikking die is gegeven op een klaagschrift van [klaagster] strekkende tot teruggave van een onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen Porsche Panamera. Blijkens de stukken van het geding is [betrokkene 1], belanghebbende beslagene, overeenkomstig artikel 552a, vijfde lid, Sv op de hoogte gebracht van het door [klaagster] ingediende klaagschrift, van de datum en de tijd waarop de openbare behandeling van het klaagschrift zou plaatsvinden, alsmede van de mogelijkheid om zelf een klaagschrift tegen het beslag in te dienen. [betrokkene 1] heeft echter geen klaagschrift ingediend en is evenmin in openbare raadkamer verschenen. De Rechtbank heeft het klaagschrift van [klaagster] gegrond verklaard en aan haar de teruggave gelast van de personenauto.

Nu [betrokkene 1] als belanghebbende beslagene ingevolge het bepaalde in artikel 552a, vijfde lid, Sv op de hoogte is gebracht van het klaagschrift van [klaagster], moet eerstgenoemde met een klager in de zin van art. 552d, tweede lid, Sv worden gelijkgesteld. Dit brengt mee dat [betrokkene 1] ontvankelijk is in zijn cassatieberoep.

4.1. Het eerste middel komt op tegen het impliciete oordeel van de Rechtbank dat [betrokkene 1] behoorlijk is opgeroepen.

4.2.1. De bestreden beschikking houdt in:

“Voor de behandeling ter zitting zijn opgeroepen, [betrokkene 1] als beslagene, [betrokkene 2] en [betrokkene 3] als belanghebbenden. Namens klaagster is mr. S.P. Janssen verschenen, de overige personen zijn niet verschenen.”

4.2.2. Het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling van 30 oktober 2013 houdt - voor zover van belang - in:

“re (Ik (AEH) begrijp: ‘voorzitter deelt mede’)

Schors(t) en hervt

sluit, OM verzet zich niet tegen teruggave en OM ziet vooralsnog geen strafvorderlijk belang tot handhaving van het beslag. Klaagschrift gegrond en gelast teruggave aan uw cliënt. T.a.v. horen van anderen: [betrokkene 1] was uitgenodigd, niet verschenen, hij voldoende mogelijkheid gehad zijn zegje te doen.”

4.2.3. Bij de stukken van het geding bevindt zich een brief van 25 oktober 2013 afkomstig van de griffier van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, gericht aan [betrokkene 1], [a-straat 1] te [plaats]. Deze brief houdt in:

“Geachte heer/mevrouw,

[klaagster] heeft bezwaar gemaakt tegen de bij u inbeslaggenomen goederen. Dit wordt een klaagschrift genoemd en hierbij stuur ik u daarvan een kopie.

Het klaagschrift wordt door de rechtbank behandeld op de raadkamerzitting van 30 oktober 2013 om 14.15 uur. U kunt aanwezig zijn bij die behandeling.

U kunt ook zelf een klaagschrift tegen het voortduren van het beslag indienen.

De zitting wordt gehouden in het gerechtsgebouw aan het Zaailand 102 te Leeuwarden.”

4.3. Het hier van toepassing zijnde vijfde lid van artikel 552a Sv luidt:

“5. De griffier van het gerecht dat tot afdoening bevoegd is, zendt aan degene bij wie het voorwerp is in beslag genomen, indien hij noch de klager is, noch afstand van het voorwerp heeft gedaan, en zijn adres bekend is, onverwijld een afschrift van het klaagschrift en deelt hem mee dat hij zijnerzijds een klaagschrift kan indienen. Op last van de voorzitter van het gerecht stelt de griffier tevens andere belanghebbenden van het klaagschrift in kennis, hun de gelegenheid biedende hetzij zelf binnen een in de kennisgeving te vermelden termijn een klaagschrift in te dienen, betrekking hebbend op hetzelfde voorwerp of dezelfde gegevens, hetzij tijdens de behandeling van het klaagschrift te worden gehoord. In het laatste geval geldt de kennisgeving als oproeping.”

4.4. In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats aangevoerd dat [betrokkene 1] de onder 4.2.3. vermelde brief van 25 oktober 2013 van de griffier op een zo laat tijdstip heeft ontvangen dat niet meer van een behoorlijke oproeping kan worden gesproken. Immers de bedoelde brief is op vrijdag 25 oktober 2013 verzonden en eerst door [betrokkene 1] op dinsdag 29 oktober 2013 ontvangen (doordat op maandag geen post wordt bezorgd), terwijl de raadkamerzitting de dag erna, op woensdag 30 oktober 2013, al plaatsvond. Hierdoor was het voor [betrokkene 1] onmogelijk om zich van juridisch bijstand te voorzien, zelf een klaagschrift in te dienen, dan wel te organiseren dat hij of een gemachtigd raadsman bij de raadkamerbehandeling aanwezig kon zijn. In de tweede plaats wordt gesteld dat de oproeping ook gelet op de inhoud en tekst daarvan niet behoorlijk is.

4.5. De aan [betrokkene 1] toegezonden brief van 25 oktober 2013 van de griffier kan worden beschouwd als een kennisgeving als bedoeld in artikel 552a, vijfde lid, Sv. Gelet op het door de steller van het middel beschreven tijdsverloop kan bezwaarlijk worden volgehouden dat is voldaan aan het stelsel van eisen zoals is bepaald in de eerste volzin van het vijfde lid van artikel 552a Sv. Die eisen houden immers in dat de belanghebbende tijdig op de hoogte moet worden gesteld van een ingediend klaagschrift en hem de mogelijkheid moet worden geboden om zelf een klaagschrift in te dienen dan wel in raadkamer te worden gehoord. Van een redelijke termijn voor het aanwenden van die processuele mogelijkheden is gelet op het tijdsbestek gelegen tussen het moment van kennisgeving en de behandeling in raadkamer is in het onderhavige geval geen sprake. Voor zover het middel hierover klaagt is het terecht voorgesteld.

Ook de tweede klacht van het middel treft mijns inziens doel. De kennisgeving houdt in dat [klaagster] een klaagschrift heeft ingediend, dat het klaagschrift behandeld zal worden ter openbare terechtzitting van de raadkamer op 30 oktober 2013 om 14.15 uur in de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, en dat [betrokkene 1] ook een klaagschrift kan indienen tegen de inbeslagneming. De kennisgeving houdt voorts in dat [betrokkene 1] aanwezig kan zijn bij de raadkamerbehandeling. Aan deze bewoordingen kon [betrokkene 1] weliswaar ontlenen dat hij was uitgenodigd om de openbare behandeling van het klaagschrift bij te wonen, maar kon hij niet afleiden dat hem tijdens deze behandeling de gelegenheid zou worden geboden om aldaar zijn standpunt mondeling te berde te brengen.

Het voorgaande brengt mee dat de kennisgeving niet voldoet aan de eisen zoals gesteld in art. 552a, vijfde lid, Sv. Het in de overwegingen van de Rechtbank besloten liggende oordeel dat de [betrokkene 1] behoorlijk is opgeroepen, geeft aldus blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In het onderhavige geval had de Rechtbank niet in de beoordeling van het klaagschrift mogen treden zonder dat de belanghebbende beslagene op een behoorlijke wijze in de gelegenheid was gesteld om te worden gehoord en om desgewenst zelf een klaagschrift in te dienen, zodat de bestreden beschikking niet in stand blijven.

4.6. Het middel slaagt.

5.1. Het tweede middel klaagt dat de Rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift de verkeerde maatstaf heeft aangelegd.

5.2. De Rechtbank heeft (ten onrechte) niet vastgesteld op welke grond beslag is gelegd. Het middel klaagt daar niet over. Uit de zich in het dossier bevindende kennisgeving van inbeslagneming van 10 juni 2013 kan worden afgeleid dat het beslag op de personenauto is gelegd op grond van artikel 94 Sv. Dit was in feitelijke aanleg klaarblijkelijk voor alle partijen duidelijk, althans dit punt is niet weersproken. Kennelijk en niet onbegrijpelijk is de Rechtbank uitgegaan van beslag ex artikel 94 Sv. In cassatie moet daarvan worden uitgegaan.

5.3. De Rechtbank heeft het klaagschrift van de klaagster gegrond verklaard. Zij heeft daartoe, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:

“Klaagster heeft het volgende gesteld. Op 8 februari 2013 is een financial leaseovereenkomst gesloten tussen klaagster en [A] BV (verder de BV) met betrekking tot een Porsche Panamera. De BV is ernstig in gebreke gebleven in de betaling van de maandelijkse leasetermijnen; er zijn slechts twee termijnen voldaan. De openstaande vordering bedraagt per 9 oktober 2013 € 107.692,06. Klaagster heeft de overeenkomst opgezegd en gesommeerd tot afgifte van auto. De BV reageert echter nergens op.

Uit een proces-verbaal van politie blijkt dat [betrokkene 4] op 29 mei 2013 namens de BV aangifte van diefstal van voornoemde auto heeft gedaan, gepleegd tussen 24 en 27 mei 2013. Op 10 juni 2013 biedt [betrokkene 1] de Porsche - met Duitse kentekenplaten - ter keuring aan bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer te Heerenveen. De politie wordt gebeld als blijkt dat het digitaal uitgelezen chassisnummer als gestolen geregistreerd staat. [betrokkene 1] wordt gehoord en heeft verklaard dat hij de auto een week daarvoor in Harderwijk voor € 48.000,00 heeft gekocht. Het was hem niet bekend dat de auto van diefstal afkomstig was.

Voor de behandeling ter zitting zijn opgeroepen klaagster, [betrokkene 1] als beslagene, [betrokkene 2] en [betrokkene 3] als belanghebbenden. Namens klaagster is mr. S.P. Janssen verschenen, de overige personen zijn niet verschenen.

De officier van justitie heeft zich niet verzet tegen teruggave van de Porsche aan klaagster.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft klaagster voldoende aannemelijk gemaakt dat het inbeslaggenomen goed aan haar kan worden teruggegeven, zodat, nu het belang van strafvordering zich niet meer tegen teruggave verzet, het klaagschrift gegrond dient te worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart voormeld klaagschrift gegrond en gelast de teruggave aan klaagster van de inbeslaggenomen Porsche Panamera met het kenteken [AA-00-AA].”

5.4. In een geval als het onderhavige, waarin een ander dan de beslagene, stellende dat het inbeslaggenomene hem toebehoort, zich bij de Rechtbank beklaagt over de voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave aan hem, dient de Rechtbank (a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en zo neen, (b) de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de klager indien deze redelijkerwijze als rechthebbende ten aanzien van het voorwerp moet worden beschouwd.

5.5. Door te overwegen als hiervoor onder 5.3 weergegeven, dat "klaagster voldoende aannemelijk [heeft] gemaakt dat het inbeslaggenomen goed aan haar kan worden teruggegeven", heeft de Rechtbank een andere dan de toepasselijke - en dus een onjuiste - maatstaf aangelegd. Ik merk daarbij op dat met name gelet op het gebrek aan door de Rechtbank verrichte (feitelijke) vaststellingen uit hetgeen door haar is overwogen ook niet zonder meer de toepassing van de ‘juiste’ maatstaf kan worden afgeleid. Het middel is dan ook terecht voorgesteld.

5.6. De middelen slagen.

6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzing of terugwijzing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Zie ook HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823. Vgl. HR 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8915. Zie HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov. 2.11. Vgl. o.a. HR 8 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7683 en HR 18 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB8869.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?