Zaaknr. 14/02630
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 11 juli 2014
Conclusie (art. 80a) inzake:
[verzoeker]
1. Ter afwending van een tegen hem op 11 december 2013 door Europe ’92 Uitzendbureau B.V. (hierna: Europe ’92) ingediend faillissementsrekest, heeft verzoeker tot cassatie, [verzoeker], een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend. Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 18 februari 2014 is [verzoeker] in dat verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
Vervolgens is [verzoeker] bij vonnis van die rechtbank van 25 maart 2014 in staat van faillissement verklaard.
2. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 1 april 2014, is [verzoeker] van beide vonnissen in hoger beroep gekomen, en heeft hij verzocht deze vonnissen te vernietigen en hem alsnog toe te laten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Nadat het hof [verzoeker] ter mondelinge behandeling op 6 mei 2014, na een korte schorsing voor beraad, heeft medegedeeld dat hij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn hoger beroep van het vonnis van 18 februari 2014, heeft [verzoeker] het hoger beroep van het vonnis van 25 maart 2014 ingetrokken.
Vervolgens heeft het hof [verzoeker] bij arrest van 13 mei 2014 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep van het vonnis van 18 februari 2014, en heeft het hof het verzoek tot vernietiging van het vonnis van 25 maart 2014 afgewezen.
3. [verzoeker] heeft tegen dit arrest tijdig beroep in cassatie ingesteld.
Het cassatiemiddel richt zich tegen rechtsoverweging 3.7, waarin het hof heeft geoordeeld dat in dit geval niet is gebleken van een verschoonbare termijnoverschrijding en dat [verzoeker] daarom niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep van het vonnis van 18 februari 2014.
4. In cassatie wordt – terecht – niet geklaagd over de vooropstelling van het hof dat in het belang van een goede rechtspleging, omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie aanvangt (en eindigt), duidelijkheid dient te bestaan en dat aan beroepstermijnen strikt de hand moet worden gehouden en voorts dat een termijnoverschrijding bij uitzondering mogelijk is in geval een zogeheten apparaatsfout.
5. Het cassatiemiddel klaagt uitsluitend dat, nu in het vonnis van 18 februari 2014 geen rechtsmiddelenclausule wordt genoemd en [verzoeker] in de procedure in eerste aanleg geen rechtsbijstand heeft gehad, het niet tijdig instellen van hoger beroep niet aan [verzoeker] mag worden aangerekend en dat in zoverre sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het middel verwijst in dat verband naar de in het bestuursrecht bestaande verplichting om bij besluiten waartegen bezwaar of beroep kan worden ingesteld een rechtsmiddelenclausule op te nemen (zie art. 3:45 Awb), en betoogt dat een dergelijke verplichting ook dient te gelden in het civiele recht.
6. Het middel rechtvaardigt geen behandeling in cassatie, omdat het klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden. Daartoe geldt het volgende.
Anders dan in het bestuursrecht schrijft de wet niet voor dat in een civiele uitspraak een rechtsmiddelenclausule wordt opgenomen. Het gaat dan de rechtsvormende taak van het hof en de Hoge Raad te buiten om desondanks een dergelijke verplichting aan de rechter in eerste aanleg op te leggen. Daarnaast is het feit dat in bepaalde zaken geen verplichte rechtsbijstand geldt, geen reden om niet strikt de hand te houden aan beroepstermijnen. Terzijde wijs ik er op dat wanneer een rechtsmiddelenclausule – ondanks het ontbreken van een verplichting daartoe – toch in een civiele uitspraak wordt opgenomen, de eventuele onjuistheid daarvan de wettelijke regeling omtrent de beroepstermijn niet opzij kan zetten.
7. Verzoeker dient op grond van het voorgaande met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G