ECLI:NL:PHR:2014:1763

ECLI:NL:PHR:2014:1763, Parket bij de Hoge Raad, 05-09-2014, 13/04782

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 05-09-2014
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 13/04782
Rechtsgebied Civiel recht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2014:3078
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830

Samenvatting

Art. 81 lid 1 RO. Beroepsaansprakelijkheid. Zorgplicht notaris; verplichting te adviseren om bezwaar te maken tegen aanslag overdrachtsbelasting? Onvoorziene wijziging rechtspraak belastingrechter.

Uitspraak

2. Procesverloop

[eiser] c.s. hebben [verweerder] op 6 juli 2010 gedagvaard voor de Rechtbank Den Haag. Zij hebben daarbij gevorderd dat [verweerder] veroordeeld wordt, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 33.858,-, dit te vermeerderen met – kort gezegd – wettelijke rente en kosten (zie rov. 2, en zie rov. 3.1 van het vonnis van de rechtbank van 23 februari 2011).

Aan deze vorderingen hebben [eiser] c.s. ‘primair’ ten grondslag gelegd dat [verweerder] hen had moeten adviseren om bezwaar te maken tegen de heffing van overdrachtsbelasting. ‘Subsidiair’ stellen [eiser] c.s. dat [verweerder] hen zekerheidshalve had moeten wijzen op de mogelijkheid om zelf, door middel van een eenvoudig briefje, bezwaar aan te tekenen. [verweerder] heeft de vorderingen gemotiveerd weersproken (zie rov. 4, en zie rov. 3.2 van het vonnis van de rechtbank van 23 februari 2011).

De rechtbank heeft de vorderingen van [eiser] c.s. bij vonnis van 23 februari 2011 afgewezen (ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ0672). De rechtbank oordeelde dat van [verweerder] als redelijk handelend en redelijk bekwaam beroepsbeoefenaar niet kon worden verwacht dat hij [eiser] c.s. zou adviseren om bezwaar aan te tekenen tegen de heffing van overdrachtsbelasting, althans hen zou wijzen op de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen. Van een schending van de zorgplicht of van onrechtmatig handelen was naar oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake (zie rov. 4.8 en 4.9 van het vonnis van 23 februari 2011).

[eiser] c.s. hebben hoger beroep ingesteld bij het Hof Den Haag. Het hof heeft bij arrest van 25 juni 2013 het hoger beroep verworpen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd (ECLI:NL:GHDHA:2013:CA3886). Het hof overwoog daartoe onder meer als volgt (rov. 7):

“7. Naar het oordeel van het hof is de notaris niet tekort geschoten in zijn zorgplicht jegens kopers door hen niet te adviseren om bezwaar te maken tegen de heffing van overdrachtbelasting, dan wel hen te wijzen op de mogelijkheid om zelf, door middel van een eenvoudig briefje, bezwaar aan te tekenen. De notaris mocht, als redelijk bekwaam en redelijk handelend notaris, uitgaan van de op dat moment geldende – duidelijke – tekst van de wet en de daarmee overeenstemmende jurisprudentie. Het enkele feit dat er in de literatuur door een aantal auteurs werd betoogd dat het onderscheid tussen rechtspersonen en particulieren in strijd was met het gelijkheidsbeginsel, is onvoldoende voor een ander oordeel. Ook de vermelding in de Notamail van 6 juli 2007 van een vonnis van de rechtbank Den Haag van 16 mei 2007 op dit punt maakt het bovenstaande niet anders, aangezien dit vonnis niet afweek van de wetstekst en de heersende jurisprudentie. Bovendien mocht de notaris er redelijkerwijs van uit gaan dat van dit vonnis geen hoger beroep was ingesteld, aangezien van een hoger beroep van dit vonnis – anders dan gebruikelijk – in de Notamail geen melding werd gemaakt, terwijl het gelet op de datum van publicatie van de Notamail (6 juli 2007) in de verwachting lag dat de beroepstermijn (6 weken na verzending van de uitspraak) ten tijde van de publicatie reeds was verstreken. Onder die omstandigheden had de notaris geen aanleiding om te vermoeden dat een bezwaar tegen de heffing van overdrachtsbelasting door kopers enige kans van slagen zou hebben, en daarmee ook geen aanleiding om kopers te adviseren bezwaar in te stellen dan wel hen te informeren over de mogelijkheid om zelf middels een eenvoudig briefje bezwaar te maken. Het feit dat aangiftebelastingen anders dan […] aanslagbelastingen geen voor belastingplichtigen kenbare rechtsmiddelverwijzing bevatten, is onvoldoende zwaarwegend voor een ander oordeel. Bij dit laatste weegt nog mee dat het in zijn algemeenheid binnen het notariaat niet gebruikelijk was (en is) om cliënten op de mogelijkheid van bezwaar tegen de heffing en inning van overdrachtsbelasting te wijzen. Alles afwegende is het hof van oordeel dat de notaris niet heeft gehandeld in strijd met hetgeen van een redelijk handelend en redelijk bekwaam notaris verwacht mocht worden.”

[eiser] c.s. hebben bij dagvaarding van 12 september 2013 tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping, en heeft zijn standpunt vervolgens ook schriftelijk toegelicht. [eiser] c.s. hebben daarna nog gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot repliek.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

Onderdeel 1

Onderdeel 1.1 richt zich tegen het oordeel (in rov. 7) dat [verweerder] in de gegeven omstandigheden geen aanleiding had om te vermoeden dat een bezwaar tegen de heffing van overdrachtsbelasting enige kans van slagen zou hebben en dat er daarmee voor [verweerder] ook geen aanleiding bestond om [eiser] c.s. te informeren over de mogelijkheid om bezwaar te maken. Het onderdeel klaagt dat het hof daarmee miskent dat de op een notaris rustende informatieverplichting er niet, althans niet primair, toe strekt om de cliënt te beschermen tegen bepaalde risico’s, maar om de cliënt in staat te stellen goed te beslissen over zijn mogelijkheden ter zake van die risico’s.

Onderdeel 1.2 richt zich tegen het oordeel (in rov. 7) dat [verweerder] in de gegeven omstandigheden geen aanleiding had om [eiser] c.s. te adviseren bezwaar in te stellen dan wel hen te informeren over de mogelijkheid om bezwaar in te stellen, en dat het feit dat aangiftebelastingen anders dan aanslagbelastingen geen voor belastingplichtigen kenbare rechtsmiddelverwijzing bevatten, onvoldoende zwaarwegend is om tot een ander oordeel te komen. Het onderdeel klaagt dat het hof met dat oordeel miskent dat op de notaris als redelijk bekwaam en redelijk handelend notaris, gelet op zijn positie in het maatschappelijk verkeer en het vertrouwen dat hij als zodanig geniet, een zwaarwegende zorgplicht rust. Het onderdeel klaagt verder onder meer dat het hof er in het bijzonder aan voorbijziet “dat juist de omstandigheid dat de onderhavige aangiftebelasting anders dan bij een aanslagbelasting geen voor belastingplichtigen kenbare rechtsmiddelverwijzing bevat, in casu met zich bracht dat de notaris beroepshalve gehouden was kopers niet alleen te wijzen op hun (belasting)plichten maar ook op hun daaraan verbonden rechten, met name op het recht gebruik te maken van de mogelijkheid van bezwaar tegen de heffing, en op het risico van het niet-gebruik van deze mogelijkheid.” Het oordeel van het hof zou in elk geval onbegrijpelijk zijn gemotiveerd.

De klachten van onderdelen 1.1 en 1.2 treffen geen doel. Het hof heeft vastgesteld – en die vaststelling wordt in cassatie ook niet met succes bestreden – dat [verweerder] in de gegeven omstandigheden geen aanleiding had om te vermoeden dat een door [eiser] c.s. in te stellen bezwaar tegen de heffing van overdrachtsbelasting, enige kans van slagen zou hebben (zie rov. 7). Naar oordeel van het hof bestond er voor [verweerder] dan ook geen aanleiding om [eiser] c.s. te adviseren om bezwaar in te stellen, dan wel om hen te informeren over de mogelijkheid om zelf middels een eenvoudig briefje bezwaar te maken. Bij dit laatste heeft het hof in aanmerking genomen dat het in zijn algemeenheid binnen het notariaat niet gebruikelijk was (en ook niet gebruikelijk is) om cliënten op de mogelijkheid van bezwaar tegen de heffing en inning van overdrachtsbelasting te wijzen (zie rov. 7). Alles afwegende komt het hof tot de slotsom dat [verweerder] niet heeft gehandeld in strijd met hetgeen van een redelijk handelend en redelijk bekwaam notaris verwacht mocht worden (zie rov. 7). Het oordeel van het hof geeft daarmee – in tegenstelling tot hetgeen onderdelen 1.1 en 1.2 betogen – geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de op een notaris rustende verplichtingen. Het oordeel van het hof is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, ook niet in het licht van de door onderdeel 1.2 aangeduide stellingen. Daarbij merk ik op dat er mijns inziens geen grond bestaat om in algemene zin aan te nemen dat een notaris ook in een geval waarin redelijkerwijs mag worden aangenomen dat het instellen van bezwaar geen kans van slagen zal hebben, telkens de verplichting heeft om zijn cliënten omtrent de mogelijkheid van bezwaar tegen te heffing van overdrachtsbelasting te adviseren of te informeren.

Onderdeel 1.3 richt zich tegen het oordeel (in rov. 7) dat [verweerder] onder de eerder vermelde omstandigheden “geen aanleiding [had] om te vermoeden dat een bezwaar tegen de heffing van overdrachtsbelasting door kopers enige kans van slagen zou hebben, en daarmee ook geen aanleiding om kopers te adviseren bezwaar in te stellen dan wel hen te informeren over de mogelijkheid om zelf middels een eenvoudig briefje bezwaar te maken.” Het onderdeel stelt dat het hof daarmee tevens miskent “dat de notaris, zeker als partijadviseur, inzake de verschuldigdheid van overdrachtsbelasting reeds is gehouden zijn cliënt te adviseren bezwaar in te stellen, althans op de mogelijkheid daartoe te wijzen, indien sprake is van een juridisch twijfelgeval waarin verdedigbaar is dat een beroep op een vrijstelling kan worden gedaan.” Volgens het onderdeel is het genoemde oordeel in elk geval onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd “nu de kopers in hoger beroep hebben aangetoond dat het onderscheid tussen rechtspersonen en natuurlijke personen bij de monumentenvrijstelling in 2007 twijfelachtig werd bevonden en dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel verdedigbaar was.”

Onderdeel 1.4 klaagt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is, voor zover aan dat oordeel ten grondslag ligt dat [verweerder] geen aanleiding had om te vermoeden dat een bezwaar tegen de heffing van overdrachtsbelasting enige kans van slagen zou hebben (zie rov. 7). Volgens het onderdeel miskent het hof daarmee namelijk “dat uit de door kopers in hoger beroep aangehaalde literatuur geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat reeds in 2007 de monumentenvrijstelling in rechtspraak en literatuur omstreden was en het beroep op het gelijkheidsbeginsel een verdedigbaar standpunt betekende.” Het oordeel van het hof zou bovendien moeilijk te rijmen zijn met de eerdere vaststelling (in rov. 6) dat er, zoals [verweerder] wist, in de literatuur stemmen opgingen die verdedigden dat het wettelijk onderscheid tussen rechtspersonen en natuurlijke personen in strijd was met het gelijkheidsbeginsel.

De klachten van onderdelen 1.3 en 1.4 zijn ongegrond. Het hof heeft geoordeeld dat [verweerder] mocht uitgaan van de op dat moment geldende – duidelijke – tekst van de wet en de daarmee in overeenstemming zijnde jurisprudentie. Het enkele feit dat er in de literatuur door een aantal auteurs betoogd werd dat het onderscheid tussen rechtspersonen en particulieren in strijd was met het gelijkheidsbeginsel, is naar oordeel van het hof onvoldoende voor een ander oordeel. Naar oordeel van het hof maakt ook de vermelding in de Notamail van 6 juli 2007 van een vonnis van de Rechtbank Den Haag van 16 mei 2007, dit niet anders. Dit vonnis van de Rechtbank Den Haag week namelijk niet af van de wettekst en van de daarbij aansluitende gangbare jurisprudentie. Bovendien mocht [verweerder] er redelijkerwijs van uitgaan dat van dat vonnis geen hoger beroep was ingesteld, aangezien van het hoger beroep van dat vonnis, anders dan gebruikelijk was, in de Notamail geen melding werd gemaakt, terwijl het gelet op de datum van publicatie van de Notamail (6 juli 2007) in de lijn der verwachting lag dat de beroepstermijn (6 weken na verzending van de uitspraak) ten tijde van de publicatie van de Notamail reeds verstreken was (zie rov. 7). Deze oordelen en vaststellingen van het hof, die ten dele overigens een feitelijk karakter hebben, geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn ook allerminst onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Dit geldt ook wanneer deze vaststellingen beschouwd worden in het licht van het betoog van onderdelen 1.3 en 1.4 en van de door deze onderdelen aangeduide passages uit de gedingstukken. De genoemde onderdelen worden dan ook tevergeefs voorgesteld.

Onderdeel 2

Onderdeel 2 (2.1 en 2.2) richt zich tegen de overweging van het hof (in rov. 7) dat bij het gegeven oordeel meeweegt dat het in zijn algemeenheid binnen het notariaat niet gebruikelijk was (en ook niet gebruikelijk is) om cliënten op de mogelijkheid van bezwaar tegen de heffing en inning van overdrachtsbelasting te wijzen. Onderdeel 2.1 klaagt dat het hof met dat oordeel miskent “dat indien zulk een gebruik binnen de notariële beroepsgroep ontbreekt en de notaris zijn cliënten aldus blootstelt aan vermijdbare risico’s, waarvan deze niet op de hoogte zijn en waartegen zij zich moeilijk hebben kunnen wapenen, dit niet tot gevolg heeft dat zulk een gedragslijn moet worden geacht overeen te komen met de hoge mate van zorgvuldigheid die een redelijk bekwaam en redelijk handelend notaris in deze dient te betrachten.” Volgens onderdeel 2.2 is het genoemde oordeel in elk geval ontoereikend gemotiveerd “nu de kopers erop hebben gewezen dat de notaris – ongeacht wat in de notariële praktijk gebruikelijk is – [zijn cliënten] niet behoort bloot te stellen aan de vermijdbare risico’s waarvan zij niet op de hoogte zijn geweest.”

De klachten van onderdelen 2.1 en 2.2 zijn ongegrond. Anders dan de klacht van onderdeel 2.1 veronderstelt, heeft het hof niet geoordeeld dat het feit dat het in zijn algemeenheid binnen het notariaat niet gebruikelijk was (en niet gebruikelijk is) om cliënten op de mogelijkheid van bezwaar tegen de heffing en inning van overdrachtsbelasting te wijzen, meebrengt dat een notaris die deze gedragslijn volgt daarmee ook handelt in overeenstemming met zijn zorgplicht. Ik verwijs naar de tekst van de bestreden rechtsoverweging (rov. 7). De aansluitende klacht van onderdeel 2.2 mist eveneens goede grond. De klacht faalt op de gronden zoals vermeld bij de bespreking van onderdelen 1.1 t/m 1.4.

Slotsom

Slotsom is dat geen van de klachten doel treft. Het cassatieberoep dient mijns inziens derhalve verworpen te worden.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?