ECLI:NL:PHR:2014:1776

ECLI:NL:PHR:2014:1776, Parket bij de Hoge Raad, 11-07-2014, 14/02584

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 11-07-2014
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 14/02584
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2014:2819
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0001830 BWBR0001860

Samenvatting

Art. 81 lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging. Grievenstelsel, “in beginsel strakke regel”. Laten ontstaan van nieuwe bovenmatige schuld, art. 350 lid 3 onder d Fw. Feiten van algemene bekendheid en algemene ervaringsregels.

Uitspraak

2. Beoordeling van het cassatieberoep

Het cassatierekest bevat één cassatiemiddel. Dat middel valt, na het citeren van rov. 1.-3.6 van het bestreden arrest, uiteen in twee onderdelen.

Onderdeel 1 klaagt over de inhoudelijke kern van het bestreden arrest, rov. 3.5-3.6:

“3.5 Het hof oordeelt over het beroep inhoudelijk als volgt. Het enkele ontstaan van de schuld aan Liander van € 7.872,24, welke schuld als gevolg van rente en bijkomende kosten inmiddels is opgelopen tot meer dan € 8.500,- wegens een illegale aansluiting op het elektriciteitsnet ten behoeve van een hennepplantage in de destijds door [verzoekster] gehuurde woning aan de [a-straat 1] te [plaats], is op zichzelf reeds voldoende grond om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen, omdat aangenomen moet worden dat [verzoekster] niet in staat zal zijn deze schuld uit het vrij te laten bedrag in te lopen, zelfs niet als de looptijd van de regeling met de maximale duur van twee jaar zou worden verlengd. Uit de verklaring van [verzoekster] blijkt bovendien dat zij ten tijde van de inval door de politie in augustus 2012 al enige tijd in voormelde woning verbleef en dat het huurcontract op haar naam stond. Hoewel het hof wil aannemen dat niet [verzoekster] maar [betrokkene] de hennepkwekerij heeft opgezet en beheerd, blijft [verzoekster] als huurster aansprakelijk voor de kosten van de illegale aansluiting op het elektriciteitsnet, en daarmee voor de schuld aan Liander. In zoverre is het ontstaan van de nieuwe schuld ook aan [verzoekster] toerekenbaar. Daar komt bij dat het hof het niet aannemelijk acht dat [verzoekster] gedurende de drie à vier maanden dat [betrokkene] doende was met de hennepkwekerij in haar huurwoning, hiervan nooit iets heeft gemerkt. Het is niet alleen onaannemelijk dat [verzoekster] [betrokkene] tijdens het opzetten van de hennepkwekerij nooit in de woning is tegengekomen, maar het is bovendien een feit van algemene bekendheid is dat hennepteelt gepaard gaat met een penetrante geur en fel licht, die [verzoekster] niet kunnen zijn ontgaan. Voorts acht het hof onwaarschijnlijk dat het [verzoekster] geheel zou zijn ontgaan dat [betrokkene] wijzigingen heeft aangebracht in de meterkast.

De in hoger beroep aangevoerde gronden treffen dan ook geen doel. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster] zou moeten voortduren, is onvoldoende gebleken. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.”

De klacht houdt het volgende in:

i) het hof heeft uit het oog verloren dat [verzoekster] een regresrecht heeft op de derde (hierna ook:) [betrokkene], die buiten medeweten en toestemming van [verzoekster] om de hennepkwekerij heeft opgezet. Door dat regresrecht kan de schuld aan Liander door, althans samen met [betrokkene] voldaan worden binnen de eventueel met maximaal twee jaar te verlengen looptijd van de schuldsaneringsregeling;

ii) het hof is uitgegaan van een te vergaande risicoaansprakelijkheid van huurster [verzoekster], nu de hennepkwekerij is opgezet door [betrokkene], die haar had gevraagd van tijd tot tijd in haar woning te mogen verblijven. [verzoekster] heeft [betrokkene] vanwege haar wisselende diensten nooit in haar woning aangetroffen. Zij heeft nooit gemerkt dat er veranderingen waren aangebracht aan de elektriciteitsmeter en geen penetrante geur ontwaard. Krachtens de algemene voorwaarden van Liander is voor het instellen van “de onderhavige vordering” toerekenbaarheid vereist, die ontbreekt;

iii) het hof gaat ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd uit van de eenzijdige opgave van de schuld aan Liander, terwijl [verzoekster] de hoogte van deze vordering gemotiveerd heeft betwist. Feit van algemene bekendheid is dat elektriciteitsmaatschappijen bij hennepkwekerijen met schattingen en veronderstellingen werken, waarbij [verzoekster] vervolgens in bewijsnood verkeert nu zij niet betrokken is geweest bij de hennepkwekerij;

iv) het hof heeft niet (voldoende) gemotiveerd overwogen dat het onaannemelijk is dat [verzoekster] nooit iets heeft gemerkt tijdens de drie à vier maanden dat [betrokkene] bezig was met zijn hennepkwekerij in haar woning, omdat niet alleen onaannemelijk is dat zij [betrokkene] tijdens de kweekopzet nooit is tegengekomen, maar feitelijk van algemene bekendheid is dat wietteelt gepaard gaat met penetrante geur en fel licht die [verzoekster] niet kunnen zijn ontgaan, terwijl ook de aanpassingen in de meterkast door haar moeten zijn opgemerkt. Dit is volgens het onderdeel een ontoereikende motivering, omdat vast zou staan dat [verzoekster] niet of nauwelijks in de woning kwam en het een feit van algemene bekendheid is dat als men in een omgeving komt waar een bepaalde geur hangt (zoals rondom een koffiebranderij, een haven of raffinaderijen), men zodanig aan die geur went, dat men die niet meer ruikt. Ook is maar de vraag of de hennepkwekerij met geurproductie gepaard ging, omdat [betrokkene] heeft gesteld dat de plantjes net aan het opkomen waren en er nog niet was geoogst; een vraag die het hof niet heeft onderzocht, door zonder aanknopingspunten daarvoor voetstoots uit te gaan van een volwassen kwekerij met verscheidene oogsten. Verder is volgens deze klacht niet duidelijk waar het hof de stelling op baseert dat de productie gepaard is gegaan met fel licht, dat [verzoekster] moet zijn opgevallen, want een dichte deur laat geen licht door. Het onderdeel besluit onder verwijzing naar art. 6 EVRM en art. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dat het hof ten onrechte op basis van eigen aannames, waarvoor geen steun is te vinden in de stukken, tot de conclusie is gekomen dat [verzoekster] de kwekerij niet kan zijn ontgaan.

Ik zie deze klachten om de volgende redenen niet opgaan.

Omvang rechtsstrijd in appel, onderdeel 1 aspecten i) en iii)

Allereerst speelt het punt van het tijdig aanvoeren van beroepsgronden – in beginsel niet voor het eerst ter mondelinge behandeling. Dat betreft in de eerste plaats het hiervoor met i) aangeduide aspect van onderdeel 1, het regresrecht op [betrokkene]. Ook in verzoekschriftprocedures in hoger beroep geldt de “in beginsel strakke regel” dat beroepsgronden tijdig moeten worden aangevoerd. Hoofdregel is dat het beroepschrift de gronden bevat waarop het berust (art. 359 jo 278 Rv). Door Uw Raad is een uitzondering aangenomen op grond van de aard van sommige procedures, zoals voor een beroep van een bevel van de rechter-commissaris in faillissement, mede in verband met de daar geldende zeer korte beroepstermijn van vijf dagen, onder de voorwaarde dat de grieven “met bekwame spoed” in een aanvullend rekest naar voren worden gebracht. Die ratio lijkt mij evenzeer opgaan voor schuldsaneringsprocedures als deze. Ondubbelzinnige toestemming van de wederpartij kan ook een uitzondering op de “in beginsel strakke regel” rechtvaardigen. De appelrechter mag geen acht slaan op gronden die voor het eerst bij de mondelinge behandeling in hoger beroep worden voorgedragen, tenzij gerekwestreerde ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat de desbetreffende grond alsnog in de rechtsstrijd wordt betrokken. Die toestemming hoeft niet uitdrukkelijk te zijn, deze kan ook besloten liggen in verklaringen of gedragingen van gerekwestreerde. Onder bijzondere omstandigheden kan deze ondubbelzinnige toestemming ook volgen uit het achterwege blijven van een reactie van gerekwestreerde op een nieuwe grond, bijvoorbeeld wanneer deze door appellant bij pleidooi uitdrukkelijk als zodanig is aangekondigd.

Grief 1” van het beroepschrift gaat eerst in op de verschoonbaarheid van de overschrijding van de beroepstermijn. In dat kader heeft [verzoekster] onder 7 de volgende inhoudelijke verweren naar voren gebracht: er zijn geen nieuwe schulden gemaakt, zij was niet betrokken bij de hennepkwekerij op haar zolder, waar ze ook niet van wist en er was ook geen andere reden voor tussentijdse beëindiging. Alle verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling is [verzoekster] stipt nagekomen (beroepschrift onder 8), terwijl zij zeer korte tijd verwijderd was van een schone lei (beroepschrift onder 9). Daarna is in het beroepschrift in “grief 2” (onder 12-13) een zogenoemde “veeggrond” geformuleerd. Hoewel het petitum van het beroepschrift onder ii) verzoekt [verzoekster] in de gelegenheid te stellen “de gronden van dit beroep zonodig aan te vullen en nader te motiveren”, heeft zij geen aanvullend rekest ingediend. Tenzij sprake is van ondubbelzinnige acceptatie door de bewindvoerder van aanvullende aspecten, is de rechtsstrijd in hoger beroep dus zoals hier geschetst afgebakend. Het regresrecht-aspect van onderdeel 1 valt daar buiten. Het beroepsschrift zwijgt hierover en van ondubbelzinnige aanvaarding daarvan in het geschil door de bewindvoerder is volgens mij geen sprake. Omdat [verzoekster] het regres-aspect niet in haar beroepschrift als grond heeft aangevoerd, mist zij belang bij cassatie op dit punt. Het stond het hof niet vrij daar op in te gaan en dat zou voor een verwijzingshof na cassatie niet anders zijn.

In de tweede plaats strandt aspect iii) van onderdeel 1 (hoogte schuld aan Liander) hierop. [verzoekster] heeft blijkens rov. 3.2 van het bestreden arrest de hoogte van de vordering van Liander van € 7.872,24 bestreden en gesteld dat de hoogte niet klopt gelet op de korte periode dat de kwekerij volgens [betrokkene] in bedrijf is geweest. In reactie daarop heeft de bewindvoerder in hoger beroep gesteld (p-v p. 2) dat zij “[o]ver de betrokkenheid van [verzoekster] bij de in haar huurwoning aangetroffen hennepkwekerij (…) geen mening [kan] vormen. Waar ik wel mee zit is een aanzienlijke schuld van bijna € 8.000,-. Gelet op wat ik hier vandaag heb gehoord zou het in de rede liggen dat [betrokkene] deze schuld dient te voldoen, maar vooralsnog is [verzoekster], als huurster van de woning, aansprakelijk voor deze vordering. Tegen de hoogte van de vordering van Liander is in het beroepschrift verder geen grond gericht, zoals we zagen in 2.6. Van ondubbelzinnige aanvaarding van de rechtsstrijd door de bewindvoerder op dit punt lijkt mij ook hier geen sprake. Het stond het hof dus niet vrij om hier op in te gaan en daarom heeft het hof deze stelling terecht buiten beschouwing gelaten.

Verder inhoudelijk over onderdeel 1 aspecten ii) en iv)

Deze aspecten (risicoaansprakelijkheid [verzoekster] en onaannemelijk dat zij niet van de hennepkwekerij heeft geweten) lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Het hof heeft de zaak inhoudelijk beoordeeld naar de maatstaf van het doen of laten ontstaan van bovenmatige schulden door de saniet, één van de gronden voor tussentijdse beëindiging (art. 350 lid 1 jo. lid 3 onder d Fw). De saniet moet van het ter beschikking gestelde vrij te laten bedrag kunnen rondkomen, het uitgavenpatroon moet daarop zijn afgestemd. Als de saniet schulden maakt die die financiële mogelijkheden te buiten gaan, kan het ontstaan van die schulden worden aangerekend, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt. Voor beëindiging op deze grondslag is vereist dat de schuld bovenmatig is. Of een schuld bovenmatig is moet volgens uw Raad worden gerelateerd aan de hoogte van het vrij te laten bedrag.

Het hof heeft overwogen dat hij [verzoekster] niet in staat acht de schuld aan Liander van inmiddels meer dan € 8.500,- uit het vrij te laten bedrag (ruim € 1.500,- per maand) in te lopen, ook niet als regeling met de maximale twee jaar zou worden verlengd. Het hof heeft aangenomen dat [verzoekster] als huurster contractant van Liander is en op die grond aansprakelijk is voor de illegale tapschuld. In zoverre is het ontstaan van de nieuwe schuld aan [verzoekster] toerekenbaar. Het hof acht niet aannemelijk dat [verzoekster] in de drie à vier maanden dat [betrokkene] in de weer was met de hennepkwekerij op de zolder van [verzoekster], hiervan nooit iets heeft gemerkt, omdat het

i) onaannemelijk is dat [verzoekster] [betrokkene] tijdens het opzetten van de hennepkwekerij nooit in de woning is tegengekomen,

ii) het een feit van algemene bekendheid is dat hennepteelt gepaard gaat met een penetrante (wiet)geur en fel licht en

iii) het onwaarschijnlijk is dat [verzoekster] de wijzigingen aan de elektriciteitsmeter in de kelderkast is ontgaan.

Dit oordeel houdt mijns inziens stand, het is bepaald niet onbegrijpelijk en er is geen sprake van schending van rechtsregels. Uitgangspunt is dat een huurder van woonruimte die daar zijn hoofdverblijf heeft, weet of behoort te weten wat zich in die woning afspeelt. Dat valt onder zijn zorgplicht als goed huurder. Vast staat dat [verzoekster] ten tijde van de inval door de politie in augustus 2012 al enige tijd in voormelde woning verbleef, dat het huurcontract op haar naam stond en zij [betrokkene] toestond om de zolder van haar woning te gebruiken, waar deze vervolgens onder het plegen van energiefraude in de weer is gegaan met een hennepplantage. Dat [verzoekster] niet of nauwelijks in de woning kwam, zoals het onderdeel onder aspect iv) stelt, mist feitelijke grondslag. [verzoekster] heeft gesteld dat zij wisselende diensten draait en daarom [betrokkene] nooit is tegengekomen, wat overigens gelet op de door [betrokkene] toegegeven duur van de teelt van enkele maanden en het enkele feit van het draaien van onregelmatige diensten ook al niet aanstonds aanspreekt. Ook ten aanzien van de energiefraude kon en mocht het hof [verzoekster] aanrekenen dat zij onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld bij het nagaan van wat er in haar woning door [betrokkene] werd verricht. Daarbij ligt het voor de hand dat [verzoekster] [betrokkene] zou hebben gevraagd wat hij met de in bruikleen gestelde zolder van plan was, of althans dat zij eens zou zijn gaan kijken wat daar op zolder zo al voorviel. Het is bepaald begrijpelijk dat het hof bij dit een en ander de nodige argwaan ventileert. Van (verregaande) risicoaansprakelijkheid van de huurder, zoals aspect ii) van onderdeel 1 aandraagt, is – wat daar verder van zij – geen sprake, het betreft contractuele aansprakelijkheid en begrijpelijke toerekening. Feitelijke grondslag mist verder nog de stellingen van aspect iv) van het onderdeel dat het hof voetstoots is uitgegaan van een volwassen kwekerij met meerdere oogsten, terwijl [verzoekster] ook niets heeft gesteld over een dichte (zolder)deur die geen fel licht door zou laten.

Het onderdeel verliest daarbij uit het oog dat het hof op grond van art 149 lid 2 Rv feiten of omstandigheden van algemene bekendheid en algemene ervaringsregels aan zijn beslissing ten grondslag mag leggen. Die hoeven niet gesteld te zijn en behoeven evenmin bewijs. Het hof heeft daardoor art. 6 EVRM en art. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie niet geschonden. Deze feiten of omstandigheden van algemene bekendheid vormen een feitelijke beslissing in cassatie en kunnen in cassatie dus slechts beperkt worden getoetst.

Terzijde wat dit betreft: een kweekcyclus van hennepplanten bedraagt 10 weken (aldus het BOOM-rapport van 1 november 2010 over “Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht, Standaardberekening en normen”, p. 2, 7, 8 en 18, waarvan kan worden aangenomen dat dit feiten van algemene bekendheid zijn). [betrokkene] heeft in hoger beroep verklaard (p-v p. 2) dat de hennepplantage hooguit drie maanden operationeel was (“De groeilampen hebben hooguit drie maanden gebrand.”). Dat is langer dan tien weken. Het is aannemelijk dat in die periode wietgeur moet zijn opgetreden in de woning van [verzoekster]. Dat een bepaalde (geur)gewenning optreedt, doet niet af aan de omstandigheid dat [verzoekster] aanvankelijk de hennepgeur moet hebben geroken.

Op dit alles stranden aspecten ii) en iv) van onderdeel 1. Onderdeel 1 is tevergeefs voorgesteld.

Onderdeel 2 klaagt, onder verwijzing naar de klachten van onderdeel 1, dat het hof ten onrechte in rov. 3.6 heeft beslist dat niet van bijzondere omstandigheden is gebleken op grond waarvan de schuldsaneringsregeling voor [verzoekster] zou moeten voortduren. Volgens het onderdeel dienen de volgende bijzondere omstandigheden in aanmerking te worden genomen op grond waarvan de regeling zou moeten voortduren, eventueel op nadere voorwaarden en met verlenging:

i) [verzoekster] is de regeling goed, trouw en nauwgezet nagekomen gedurende de looptijd en

ii) stond vlak voor het verlenen van een “schone lei”.

iii) Uit de wijze waarop [verzoekster] de regeling is nagekomen blijkt haar saneringsgezindheid en

iv) dat is ook een aanwijzing dat zij slachtoffer is geworden van [betrokkene], zonder zelf iets met de hennepkwekerij van doen te hebben.

Nog daargelaten of onderdeel 2 voldoet aan de aan een cassatiemiddel te stellen eisen bij gebreke van vindplaatsen in de stukken, kort hierover het volgende. Voor zover onderdeel 2 voortbouwt op het slagen van onderdeel 1, faalt het op de bij de bespreking daarvan aangegeven gronden. Maar ook overigens kan dit niet slagen. Beëindiging van de schuldsaneringsregeling en verlenging daarvan betreffen volgens artt. 350 lid 1 en 349a Fw discretionaire rechterlijke bevoegdheden. Het hof heeft als feitenrechter in de gegeven omstandigheden geen aanleiding gezien om de schuldsaneringsregeling te laten voortduren. Dat betreft een hoofdzakelijk feitelijke afweging en waardering die in cassatie niet nader kan worden getoetst dan op begrijpelijkheid en van onbegrijpelijkheid in cassatie-technische zin is hier volgens mij geen sprake.

3. Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-generaal

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?