ECLI:NL:PHR:2014:1806

ECLI:NL:PHR:2014:1806, Parket bij de Hoge Raad, 26-09-2014, 13/05566

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 26-09-2014
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 13/05566
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2014:3648
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 7 zaken
Aangehaald door 4 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827

Samenvatting

Procesrecht; huwelijksvermogensrecht. Verzoek tot afgifte stukken in eerste aanleg afgewezen in dictum. Ontvankelijkheid hoger beroep; deelbeschikking of tussenbeschikking? Heeft het verzoek betrekking op de inzet van het geding of op de instructie of voortgang van de zaak (vgl. HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3264)? Art. 358 lid 4 Rv.

Uitspraak

2. Bespreking van het principale cassatieberoep

Het principale cassatieberoep, dat is ingesteld tegen de beschikkingen van 6 juni 2013 en van 19 september 2013, bevat drie middelen die uitsluitend betrekking hebben op de oordelen van het hof ten aanzien van de huwelijkse voorwaarden. Ik begrijp daaruit dat het cassatieberoep zich niet richt tegen de in de beschikking van 6 juni 2013 opgenomen overweging en beslissing met betrekking tot de zaak met kenmerk HV 200.114.098/01 (echtscheiding). Zou dat niet het geval zijn, dan zou de vrouw in zoverre niet-ontvankelijk zijn in haar cassatieberoep.

Voor zover de middelen zijn gericht tegen rechtsoverweging 3.4 van de beschikking van 6 juni 2013, heeft te gelden dat daarin uitsluitend een voorlopig oordeel is gegeven over de ontvankelijkheid van de vrouw en dat tegen dergelijke overwegingen niet met succes in cassatie kan worden opgekomen, zodat de middelen in zoverre falen.

Voorts wordt in de middelen opgekomen tegen rechtsoverweging 5 van de beschikking van 19 september 2013 (hierna: de eindbeschikking). Deze rechtsoverweging betreft echter slechts een herhaling van het voorlopig oordeel van het hof uit rechtsoverweging 3.4 van de beschikking van 6 juni 2013 en heeft geen zelfstandige betekenis. Datzelfde geldt dan voor de daartegen gerichte klachten.

Voor het overige zijn de middelen gericht tegen de rechtsoverwegingen 7.3 en 7.4 van de eindbeschikking, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:

“7.3 (…). Zo al juist zou zijn de stelling van de vrouw dat zij haar verzoek als weergegeven onder i van r.o. 3.2 van de bestreden beschikking [het verzoek als bedoeld in 1.6, W-vG] – kort gezegd: een verzoek om diverse financiële stukken – heeft gebaseerd op artikel 17 van de huwelijkse voorwaarden (de vrouw heeft dit verzoek niet gedaan bij het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek waarop zij zich in dit verband beroep, maar pas bij aanvullend verweerschrift tevens aanvullend zelfstandig verzoek), faalt haar betoog niettemin.

De bestreden beschikking, voor zover daarbij het bedoelde verzoek om financiële stukken in het dictum is afgewezen, kan niet worden aangemerkt als een deelbeschikking, aangezien daarbij geen einde is gemaakt aan het geding omtrent enig deel van het verzochte. Onder het verzochte in deze zin is immers te verstaan het verzoek dat inzet van het geding is. Daartoe behoren niet op de voortgang of instructie van de zaak betrekking hebbende verzoeken (HR 13 juli 2012 (…), r.o. 3.7; HR 22 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1639, r.o. 3.3.2). Het verzoek van de vrouw om financiële stukken moet worden aangemerkt als een dergelijk (op de voortgang of instructie van de zaak betrekking hebbend) verzoek. Daarbij wijst het hof er met name op dat deze stukken, blijkens de toelichting op grief III, verzocht worden met het oog op “de vaststelling van de gerechtelijkheid en de omvang van de inkomsten/winsten” van een aan de man gerelateerde vennootschap. Van die inkomsten/winsten heeft de vrouw op grond van de huwelijkse voorwaarden de verrekening verzocht in eerste aanleg en dát is de inzet van het geding.

Het voorgaande betekent dat de vrouw niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep.

(…)”

Kern van de middelen is de klacht dat deze oordelen onjuist dan wel onbegrijpelijk zijn aangezien de vrouw op basis van artikel 17 van de huwelijkse voorwaarden een zelfstandig verzoek heeft ingediend dat – anders dan een verzoek op de voet van art. 843a Rv. waar sprake is van een beslissing in het kader van de voortgang en instructie van de zaak – in een zelfstandige procedure kan worden gedaan en dat de rechtbank op dat verzoek in het dictum van de beschikking uitdrukkelijk afwijzend heeft beslist. Artikel 17 van de huwelijkse voorwaarden luidt, voor zover thans van belang:

“De echtgenoten zijn verplicht van hun inkomen en vermogen behoorlijk boek te houden en aan de andere echtgenoot de boeken en bijbehorende bescheiden op eerste vordering ter inzage te verschaffen.”

Eindbeschikking en tussenbeschikking

De kwalificatie van de beschikking van de rechtbank bepaalt in het algemeen het moment waarop daarvan hoger beroep kan of moet worden ingesteld en, meer in het bijzonder voor het onderhavige geval, of de vrouw in het door haar ingestelde hoger beroep diende te worden ontvangen (zie art. 358 Rv.). Het dictum van de beschikking is bepalend voor de aard daarvan.

Van een eindbeschikking is sprake als in het dictum ervan over enig deel van het verzochte uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist. Als voorbeeld kan worden genoemd de beslissing op het verzoek op de voet van art. 7:304 lid 2 BW tot het benoemen van een deskundige. Deze in art. 7:304 lid 2 BW geregelde verzoekschriftprocedure beoogt de partij die op de voet van art. 7:303 BW bij dagvaarding een procedure tot nadere huurprijsvaststelling wil aanvangen, in staat te stellen te voldoen aan het in art. 7:304 lid 1 BW neergelegde ontvankelijkheidsvereiste van een deskundig advies omtrent die nadere huurprijs. Een ander voorbeeld betreft de afwijzende beslissing op een verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor of voorlopig deskundigenbericht. Ook deze beslissingen zijn eindbeschikkingen, omdat daarmee definitief is beslist over het verzoek. Tevens een eindbeschikking is een zonder voorafgaand verzoek – ambtshalve – genomen beschikking waarin de kantonrechter de Raad voor de Kinderbescherming gelast een onderzoek in te stellen en waarbij geen enkele (verdere) beslissing is aangehouden.

Omdat met een eindbeschikking een einde aan de instantie wordt gemaakt, dient daarvan binnen de appeltermijn in hoger beroep te worden gekomen.

Voordat de rechter over de zaak beslist kan hij een tussenbeschikking wijzen. Een tussenbeschikking is een uitspraak waarin de rechter in het dictum ervan nog niet uitdrukkelijk en zonder enig voorbehoud over enig deel van het verzochte heeft beslist. Een voorbeeld van een beschikking waarin niet zonder enig voorbehoud een beslissing is gegeven, is de beschikking met in het dictum de beslissing dat de man voorlopig, totdat het hof anders heeft beslist, een bepaald bedrag aan alimentatie zal voldoen, met aanhouding van iedere verdere beslissing. Dat is een tussenbeschikking omdat een dergelijke voorlopige beslissing van de alimentatierechter ook na effectuering daarvan in haar gevolgen ongedaan kan worden gemaakt door de definitieve beslissing en in zoverre dus geen onherroepelijk karakter heeft.

Daarnaast zijn tussenbeschikkingen uitspraken waarin nog geen enkele beslissing is gegeven over het verzoek dat de inzet is van het geding. Tot een dergelijk verzoek behoren niet op de voortgang of de instructie van de zaak betrekking hebbende verzoeken. Daarbij kan worden gedacht aan de beslissing in een procedure over de ontkenning van vaderschap om een DNA-onderzoek te gelasten, een beschikking waarbij een partij ontvankelijk wordt verklaard en verder iedere beslissing wordt aangehouden, en een beschikking waarbij de Raad voor de Kinderbescherming wordt gevraagd een onderzoek in te stellen en iedere beslissing over de verzochte toestemming voor erkenning van het kind wordt aangehouden. Als geschil bestaat over de vraag of een partij belanghebbende is, is de beslissing daarover ook een tussenbeschikking. Eveneens een tussenbeschikking is de af- of toewijzing van een tijdens de procedure ingesteld verzoek op de voet van art. 843a Rv..

Van tussenbeschikkingen kan slechts tegelijk met de eindbeschikking in hoger beroep worden gekomen, tenzij de rechter anders heeft bepaald (art. 358 lid 4 Rv.). De rechtszekerheid staat aan het maken van uitzonderingen op deze regel in de weg.

Met het uitsluiten van tussentijds hoger beroep wordt fragmentatie van de instructie van de zaak tegengegaan, alsmede vertraging van de procedure en processuele complicaties, hetgeen de doelmatigheid en snelheid van de procedure bevordert.

Het onderhavige geval betreft een echtscheidingsprocedure waarin partijen naast het uitspreken van de echtscheiding het treffen van diverse nevenvoorzieningen verzoeken.

De rechter kan bij het uitspreken van de echtscheiding de voorzieningen treffen zoals genoemd in art. 827 lid 1 aanhef en onder a-e Rv., waaronder (onder b) een voorziening ten aanzien van de verdeling van de gemeenschap of bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen verrekening van inkomsten of van vermogen als bedoeld in art. 3:185 BW. Ook kan hij voorzieningen treffen die voldoende samenhangen met het scheidingsverzoek – dat wil zeggen dat de gevraagde voorziening moet aansluiten bij de regeling van de gevolgen van de scheiding –, terwijl voorts niet te verwachten is dat de behandeling daarvan tot onnodige vertraging van het geding zal leiden – wat inhoudt dat het moet gaan om kwesties van tamelijk eenvoudige aard (art. 827 lid 1 aanhef en onder f Rv.). Hieronder valt bijvoorbeeld een kwestie betreffende de huwelijksvoorwaarden of de afgifte van bepaalde zaken.

Uit het procesverloop blijkt dat de rechtbank op enig moment op de voet van artikel 9.1 van het Procesreglement Scheiding een tweedeling heeft aangebracht in de door partijen gedane verzoeken en daaraan een afzonderlijk nummer en tenaamstelling heeft gegeven, te weten: “78508 / FA RK 11-571 (echtscheiding)” en “82567 / FA RK 12-243 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden)”,. Uit de beschikking van de rechtbank van 4 juli 2012 leid ik af dat onder de eerste zaak (echtscheiding) – in ieder geval – het verzoek tot echtscheiding en de voorzieningen ten aanzien van het hoofdverblijf en de zorgregeling alsmede de kinderbijdrage zijn begrepen. Onder de tweede zaak (afwikkeling huwelijkse voorwaarden) vallen de overige voorzieningen. Ook het verzoek van de vrouw – hiervoor onder 1.6 vermeld – doet de rechtbank in dat verband af. Het dictum luidt:

“5. De beslissing

De rechtbank

inzake FA RK 11-571

spreekt uit de echtscheiding in het tussen partijen gesloten huwelijk;

verwijst de zaak ten aanzien van de kinderbijdrage, om redenen als vermeld onder 4.4 van deze beschikking, naar de familiekamerrol van dinsdag 24 juli 2012;

verstaat dat de zaak ten aanzien van het hoofdverblijf en de zorgregeling bij proces-verbaal van 23 april 2012 eveneens is verwezen naar de familiekamerrol van dinsdag 24 juli 2012;

houdt iedere verdere beslissing aan;

inzake FA RK 12-243

wijst af het verzoek van de vrouw als weergegeven onder i van 3.2 van deze beschikking;

verwijst de zaak voor het overige, om redenen als vermeld onder 4.9 van deze beschikking, naar de familiekamerrol van dinsdag 4 september 2012;

houdt iedere verdere beslissing aan.”

Nu de rechtbank het desbetreffende verzoek van de vrouw als een nevenverzoek heeft behandeld en dit verzoek in het dictum van haar beschikking heeft afgewezen, is deze beschikking in zoverre een eindbeschikking en staat daarvan hoger beroep open, tenzij het verzoek uitsluitend betrekking heeft op de voortgang of de instructie van de zaak.

In nr. 14 (en, naar het lijkt, ook in de eerste zin in nr. 18) van de cassatiedagvaarding wordt gesteld dat het verzoek van de vrouw een “zelfstandig verzoek” is – naar ik begrijp: een verzoek dat zelfstandig inzet is van het geding –, omdat het is gebaseerd op artikel 17 van de huwelijkse voorwaarden.

Deze stelling wordt in nr. 16-18 van het cassatieverzoekschrift nader uitgewerkt. Daar wordt verdedigd dat het beroep op artikel 17 van de huwelijkse voorwaarden de vordering tot nakoming van een verbintenis inhoudt die ook in een zelfstandige procedure kan worden gevorderd.

Voor de beoordeling van deze stelling is het partijdebat van belang.

De passage uit het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift van 28 juni 2011, die in rov. 7.1 van de in cassatie bestreden beschikking wordt aangehaald en waarop de vrouw een beroep heeft gedaan, is opgenomen onder de kop “Afrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden”. Het gehele citaat luidt:

“De vrouw wijst erop dat de man tijdens het huwelijk een besloten vennootschap (Stepli B.V.) opgericht [heeft] en hij houdt daarvan als enige de aandelen. Daarnaast heeft hij aandelen in een boot (“Penhar”) en de vrouw gaat ervan uit dat één en ander gerealiseerd is met in het verleden niet verrekende inkomsten. De man is in ieder geval verplicht de vrouw inzage te verschaffen in de boeken en bijbehorende bescheiden (artikel 17 van de huwelijkse voorwaarden). Partijen zijn in 1998 gehuwd en er is nooit verrekend. Dat de ondernemingen van de man er buiten moet worden gelaten wordt door de vrouw betwist.

Vooralsnog maakt de vrouw aanspraak op verdeling van de helft van al het aanwezige vermogen op de peildatum.”

Ik merk op dat in het petitum een daarmee corresponderend verzoek ontbreekt, zodat van een gevorderde nakoming moeilijk kan worden gesproken. Daar komt nog bij dat in de geciteerde passage de verwijzing naar de op grond van artikel 17 van de huwelijkse voorwaarden op de man rustende verplichting wordt betrokken op Stepli B.V. en Penhar en niet op de onder 1.6 genoemde vennootschappen [A] B.V. en Stichting [B].

Het verzoek als zodanig komt voor het eerst voor in het aanvullend verweerschrift tevens aanvullend zelfstandig verzoek van de vrouw, maar wordt verder niet toegelicht.

In het gedingstuk zijn wel de volgende kopjes opgenomen: “Verrekenbeding ten aanzien van de inkomsten van het huwelijk” (nr. 33-34), “Verrekening inkomsten met betrekking tot [A] B.V.” (nr. 35-46) en “Verrekening inkomsten met betrekking tot Stepli B.V.” (nr. 47-49).

De man volgt in zijn reactie op dit gedingstuk nagenoeg dezelfde opdeling: “Verdere afwikkeling huwelijksvoorwaarden” (nr. 38 e.v.) en “Afwikkeling met betrekking tot ondernemingen van de man”, (nr. 49 e.v.) met als subkopjes onder meer: “Stepli B.V.” (nr. 50-53), “Penhar” (nr. 54-56) en “[A] B.V.” (nr. 57-59). In nr. 49 wordt gesteld:

“Naar aanleiding van het aanvullend verweerschrift, tevens aanvullend zelfstandig verzoek begrijpt de man dat de vrouw van mening is dat er verrekening van de inkomsten met betrekking tot Stepli B.V. dient plaats te vinden. Verder begrijpt de man dat de vrouw vindt dat er verrekening van inkomsten met betrekking tot [A] B.V. dient plaats te vinden. (…)”

De vrouw heeft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling van de rechtbank van een toelichting voorzien. De rechtbank vermeldt in haar beschikking dienaangaande het volgende:

“4.8 Voorts hebben partijen ter zitting de rechtbank verzocht reeds een beslissing te geven op het verzoek van de vrouw om informatie over te leggen [het hiervoor in 1.6 bedoelde verzoek, W-vG] (…)

De vrouw heeft hiertoe aangevoerd dat in de huwelijksvoorwaarden van partijen een verrekenbeding ten aanzien van de inkomsten tijdens het huwelijk is opgenomen. Voor wat betreft de grondslag van haar verzoek tot het overleggen van nadere stukken heeft zij het volgende aangevoerd. De man is directeur-grootaandeelhouder van Stepli B.V. Voorts is hij houder van een aanmerkelijk belang van 50% in [A] B.V. (hierna: [A]). De aandelen zijn gecertificeerd en ondergebracht bij de Stichting Administratiekantoor [C]. Uit de administratievoorwaarden moet blijken voor wie de aandelen worden gehouden en wie gerechtigd zijn tot uitkering. [A] is een familiebedrijf waar de man samen met zijn broer de dagelijkse leiding over heeft. Gelet op de arbeids- en managementrelatie die de man daartoe had, heeft de man daaruit inkomsten ontvangen. Ook was hij, als directeur van de vennootschap, gerechtigd tot de winsten. Op grond van artikel 9 van de huwelijksvoorwaarden dient verrekening daarvan plaats te vinden. Uit de stukken moet blijken in hoeverre en over welke periode verrekening moet plaatsvinden. De man moet hierover openheid van zaken geven. De schenking van de aandelen wordt door artikel 9 van de huwelijksvoorwaarden doorbroken, aldus de vrouw.”

Uit de hiervoor weergegeven citaten blijkt dat de vrouw in eerste aanleg het verzoek als bedoeld in 1.6 heeft gedaan met het oog op de gevorderde verrekening.

Datzelfde oogmerk komt terug in het debat in hoger beroep, waar de vrouw in haar beroepschrift de tegen het afwijzende oordeel gerichte grief (III) als volgt toelicht:

“21. Tussen partijen dient verrekening plaats te vinden van de inkomsten. Daartoe behoren de winsten van [A] B.V. waarover de man ten tijde van het huwelijk vrijelijk kon beslissen.

22. Voor de vaststelling van de gerechtelijkheid en de omvang van de inkomsten/winsten is het noodzakelijk kennis te nemen van de administratievoorwaarden, de volledige jaarrekeningen en alle vaste stukken waaronder statuten met betrekking tot [A] B.V. en de Stichting [B] []. Aan de hand van deze stukken kan worden bepaald of en in welke mate de man vrijelijk kon beschikken over de winsten voortvloeiend uit [A] B.V.”

De man neemt in zijn (voorwaardelijke) bespreking van de grief de in het beroepschrift geschetste achtergrond van het verzoek tot uitgangspunt en beschouwt daarnaast het verzoek als gebaseerd op art. 843a Rv..

In het aanvullend beroepschrift, waarin het verzoek (uitgebreid) wordt besproken onder het kopje “Verrekening inkomsten” (nr. 16-26), wordt een verband gelegd tussen het verzoek van de vrouw en de stelplicht van de man:

“18. De man heeft geweigerd de jaarrekeningen, administratievoorwaarden en overige relevante informatie en documentatie aan de vrouw ter beschikking te stellen. De vrouw heeft aangetoond wat haar aanspraak is uit hoofde van de verrekening van de (onverdeelde) winsten van het [A] concern en Stepli. Nu de man uit zichzelf niet wenst over te gaan tot het aan de vrouw ter hand stellen van voornoemde stukken met betrekking tot [A] B.V. en Stichting Administratiekantoor [C], is hetgeen de vrouw met betrekking tot de inkomsten van de man uit [A] B.V. heeft gesteld niet voldoende betwist. Het ligt op de weg van de man om aan te tonen dat hetgeen de vrouw heef gesteld niet juist is. Immers, indien hetgeen de vrouw heeft gesteld daadwerkelijk onjuist is, had de man dit gemakkelijk aan kunnen tonen door de door de vrouw verzochte stukken in het geding te brengen.”

In het aanvullend beroepschrift wordt verder niet ingegaan op de grondslag van het verzoek en wordt de stelling van de man dat het verzoek is gebaseerd op art. 843a Rv. niet weersproken. Dat doet de vrouw pas in haar brief van 13 juni 2013, nadat zij door het hof in de gelegenheid was gesteld te reageren op het voorlopig oordeel van het hof in zijn beschikking van 6 juni 2013 dat sprake is van een tussenbeschikking. In deze brief is onder meer opgenomen:

“Het verzoek van de vrouw tot overlegging van stukken is een afzonderlijk en zelfstandig onderdeel van het gevorderde. Het verzoek is gebaseerd op artikel 17 van de huwelijkse voorwaarden. Het verzoek is niet gebaseerd op artikel 843a Rv. Het verzoek van de vrouw tot overlegging van stukken is niet gericht op voortgang of instructie van de zaak maar inzet van het geding zelf.”

Ten aanzien van de achtergrond van het verzoek is in de pleitnota van de advocaat van de vrouw nog gerefereerd – zij het niet uitdrukkelijk – aan art. 21 Rv. alwaar het volgende is aangevoerd:

“Verrekening inkomsten

(…)

11. De man weigert de door de vrouw gevorderde stukken te overleggen. Daarmee voldoet de man niet aan zijn plicht de door de beslissing van het hof van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. (…)

Overlegging stukken

14. De vrouw vordert subsidiair de administratievoorwaarden, de volledige jaarrekening en alle vaste stukken met betrekking tot VI, FI, Stepli en STAK [resp. [A] B.V., [D] B.V., Stepli B.V. en Stichting Administratiekantoor [C], W-vG] te overleggen. Uit deze documenten blijkt de feitelijke omvang van de overgespaarde inkomsten en op welke wijze deze overgespaarde inkomsten en de zeggenschap daarover. Inzage in deze stukken is dringend noodzakelijk omdat de man weigerachtig is medewerking te verlenen en ook een deskundige zich dus geen oordeel zal kunnen vormen omtrent de winsten van de door de man niet op eigen naam uitgevoerde onderneming.”

Gelet op het hiervoor geciteerde partijdebat geeft het oordeel van het hof dat en waarom het verzoek van de vrouw betrekking heeft op de voortgang of instructie van de zaak en derhalve geen inzet van het geding is als bedoeld in de in rechtsoverweging 7.3 genoemde arresten van de Hoge Raad, m.i. niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dit oordeel voldoende en begrijpelijk gemotiveerd. Evenals het hof acht ik doorslaggevend dat de verzochte afgifte van de stukken naar eigen zeggen van de vrouw ertoe strekt de door haar verzochte verrekening – een nevenverzoek overeenkomstig art. 827 Rv. – mogelijk te maken.

De klacht dat zonder nadere motivering onbegrijpelijk is dat het hof de door de vrouw gestelde grondslag van het verzoek (artikel 17 van de huwelijkse voorwaarden) buiten beschouwing laat, mist feitelijke grondslag. Het hof overweegt immers dat ook als deze stelling juist zou zijn, haar betoog niettemin faalt. Daarmee heeft het hof voldoende op het betoog van de vrouw gerespondeerd, nog daargelaten dat deze grondslag slechts terzijde is genoemd in het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift van 28 juni 2011 (zie hiervoor onder 2.14) en daarna pas weer in de brief van de vrouw van 13 juni 2013.

Middel II gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het verdedigt dat de door het hof gemaakte vergelijking met art. 843a Rv. niet opgaat omdat een dergelijk verzoek niet in een zelfstandig geding zou kunnen worden ingesteld. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt anders. Bovendien was in het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2012 waarnaar het hof verwijst, sprake van een incidentele vordering op grond van art. 843a Rv., zodat de vergelijking die het hof maakt, in die zin opgeld doet.

Het voorgaande brengt mee dat het hof de beschikking van de rechtbank in de zaak met kenmerk FA RK 12-243 (huwelijkse voorwaarden) met juistheid als een tussenbeschikking heeft aangemerkt en dat het principale cassatieberoep derhalve faalt.

Dit leidt er eveneens toe dat de in cassatie bestreden beschikking als een zuivere tussenbeschikking moet worden beschouwd, waartegen op grond van art. 426 lid 4 in verbinding met art. 401a lid 2 Rv. slechts cassatieberoep openstaat tegelijk met het beroep tegen de eindbeschikking, aangezien het hof niet anders heeft bepaald en het geval als bedoeld in art. 401a lid 1 Rv. zich hier niet voordoet. De vrouw dient dan ook in haar gehele cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard te worden.

De voorwaarde waaronder het incidenteel cassatieberoep is ingesteld is niet ingetreden, zo dat dit geen bespreking behoeft.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw in haar cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?