ECLI:NL:PHR:2014:1866

ECLI:NL:PHR:2014:1866, Parket bij de Hoge Raad, 17-10-2014, 14/00586

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 17-10-2014
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 14/00586
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2015:40
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0002656

Samenvatting

Personen- en familierecht. Partneralimentatie. Aannemelijkheid (aflossingsverplichting uit hoofde van) schuld aan familie. Onbegrijpelijk oordeel? Motiveringsplicht rechter.

Uitspraak

2. Bespreking van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel, dat m.i. uit zes onderdelen en diverse subonderdelen bestaat, is gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.24 en 3.25, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:

“3.24. De man stelt dat hij rente betaalt op een gemeenschappelijke rekening-courant schuld bij de Rabobank, die op 4 februari 2013 € 2.683,10 bedroeg.

De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd bestreden.

Het hof overweegt dat de man niet verklaard heeft om welke reden de betreffende schuld is aangegaan en hoe hoog deze schuld bij aangaan was. De man heeft voorts ter zitting verklaard dat nog onduidelijk is in hoeverre de betreffende schuld voor zijn rekening komt, nu de huwelijksgemeenschap van partijen nog verdeeld moet worden. Op grond van het voorgaande houdt het hof geen rekening met deze schuld.

De man heeft voorts gesteld dat hij een schuld aan zijn ouders van € 10.000,-- met een rente van 4,8% per jaar, dient te voldoen, welk bedrag is aangewend voor het verbeteren van de voormalige echtelijke woning.

De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd bestreden.

Het hof is van oordeel dat de man tegenover de betwisting door de vrouw het bestaan van deze schuld onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Voorts heeft de man, indien wel zou worden uitgegaan van het bestaan van de schuld, niet nader onderbouwd dat sprake is van een aflossingsverplichting en evenmin, dat feitelijk wordt afgelost of rente wordt betaald. Het hof overweegt tot slot dat uit het door de man als productie 6 overgelegde testament van de vader van de man blijkt dat de betreffende schuld in de nalatenschap wordt verrekend met het erfdeel van de man. Ook dit wijst niet op een daadwerkelijke aflossingsverplichting op dit moment. Op grond van het voorgaande houdt het hof geen rekening met deze schuld.”

In de onderdelen 1-3 wordt opgekomen tegen rechtsoverweging 3.24 over de rekening-courantschuld. Gezien de in het cassatieverzoekschrift opgenomen kopjes stellen de klachten een drietal thema’s (“Aflossing is niet vereist”, “Geen reden voor schuld vereist” en “Verdeling van de huwelijksgemeenschap”) aan de orde en wordt nog een veegklacht geformuleerd.

De onderdelen 4-6 zijn gericht tegen rechtsoverweging 3.25 over de schuld van de man aan zijn ouders. Ook deze onderdelen zijn gegroepeerd rond een drietal thema’s (“Dwingendrechtelijke bewijskracht van authentieke akten”, “Aflossing is niet vereist” en “Onbegrijpelijke lezing van het testament”) en worden afgesloten door een veegklacht.

Hieronder worden de klachten van de diverse onderdelen waar mogelijk samen besproken.

Daarbij kan het volgende tot uitgangspunt worden genomen.

Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de rechter bij de vaststelling van alimentatie grote vrijheid geniet en dat hij bij het vaststellen van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en de draagkracht van de onderhoudsplichtige een zelfstandige taak heeft. Het is daarbij aan de onderhoudsplichtige om de rechter ervan te overtuigen dat hij onvoldoende draagkracht heeft. Bij betwisting daarvan dient hij de nodige bescheiden te overleggen waaruit een en ander blijkt.

Een en ander brengt naar eveneens vaste rechtspraak mee dat de beslissing van de rechter in cassatie dan ook slechts beperkt toetsbaar is en dat aan de motivering van alimentatiebeschikkingen geen hoge eisen kunnen worden gesteld.

Wel geldt dat dergelijke beschikkingen zodanig moeten worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geven in de gedachtegang die aan die beslissing ten grondslag ligt, zodat deze voor partijen en derden controleerbaar en aanvaardbaar wordt. De omvang van de motiveringsplicht wordt mede bepaald door de omstandigheden van het geval, waaronder het partijdebat. De rechter behoeft in beginsel niet in te gaan op alle door partijen aangevoerde stellingen of in de beschikking alle uitgevoerde berekeningen op te nemen. Hij dient wel de essentiële stellingen van partijen te behandelen en uit de beschikking moet blijken welke gegevens hij bij de berekeningen heeft gebruikt.

Vaste rechtspraak is voorts dat bij de draagkrachtberekening alle schulden in aanmerking moeten worden genomen – ook indien daarop niet wordt afgelost – en dat, indien de rechter in afwijking van deze hoofdregel een grond aanwezig acht om aan bepaalde schulden meer of minder gewicht toe te kennen, voldoende inzicht moet worden gegeven in de gedachtegang die tot die beslissing heeft geleid.

Deze rechtspraak is door de Hoge Raad dit jaar herbevestigd:

“Bij de bepaling van de draagkracht van een onderhoudsplichtige dient de rechter rekening te houden met alle uitgaven die voor die bepaling van die draagkracht in redelijkheid van belang kunnen zijn. Op de draagkracht zijn in beginsel alle schulden van de onderhoudsplichtige van invloed, ook schulden die zijn ontstaan na het tijdstip waarop de onderhoudsplicht is komen vast te staan en ook schulden waarop niet wordt afgelost (zie bijv. HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1843, NJ 2008/402). Weliswaar kan de rechter redenen aanwezig oordelen om in afwijking van deze hoofdregel aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, maar in dat geval dient hij dit oordeel te motiveren. In dit verband valt te denken aan schulden die na het vaststellen van de onderhoudsplicht onnodig werden aangegaan, of aan schulden ten aanzien waarvan de onderhoudsplichtige de mogelijkheid heeft zich te bevrijden of een regeling te treffen (zie HR 29 september 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6360, NJ 1979/143).”

Het in afwijking van de hoofdregel niet (geheel) meewegen van een schuld bij het bepalen van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, leidt dus tot een aanscherping van de motiveringsplicht van de rechter. Als voorbeelden van dergelijke schulden noemt de Hoge Raad schulden die na het vaststellen van de onderhoudsplicht onnodig werden aangegaan, of aan schulden ten aanzien waarvan de onderhoudsplichtige de mogelijkheid heeft zich te bevrijden of een regeling te treffen.

Indien de rechter bij de vaststelling of wijziging van alimentatie een redelijke mate van zekerheid heeft dat zich in de toekomst een omstandigheid zal voordoen, die voor die uitkering van belang is, staat het hem vrij daarmee reeds op voorhand rekening te houden. Ook dit is vaste rechtspraak. Tenzij sprake is van een omstandigheid die ertoe zal leiden dat de uitkering op een toekomstig tijdstip op nihil moet worden gesteld, gelden daarbij de normale motiveringseisen.

De onderdelen 1-2 klagen – verkort weergegeven – dat het hof heeft miskend dat niet is vereist dat op een schuld wordt afgelost en dat een reden voor schuld evenmin is vereist. De klacht dat het hof heeft geoordeeld dat niet wordt afgelost, mist feitelijke grondslag en faalt om die reden. Voor het overige stuiten de onderdelen af op hetgeen het hof heeft geoordeeld met betrekking tot de omstandigheid voor wiens rekening de desbetreffende schuld komt.

Zoals uit het voorgaande blijkt, worden bij de bepaling van de draagkracht van de alimentatieplichtige al diens schulden in aanmerking genomen.

De (advocaat van de) man heeft tijdens de mondelinge behandeling van het hof verklaard:

“De schuld bij de Rabobank is een gemeenschappelijke schuld van partijen. Het betreft een rekening-courant schuld die tijdens het huwelijk van partijen is ontstaan. De man lost niet af op deze schuld, maar betaalt wel rente. Het is nog onduidelijk in hoeverre deze schuld voor rekening van de man komt, nu de huwelijksgemeenschap van partijen nog verdeeld moet worden.”

Het oordeel van het hof dat het geen rekening houdt met de rekening-courantschuld omdat onduidelijk is in hoeverre de desbetreffende schuld voor zijn rekening komt nu de huwelijksgemeenschap van partijen nog verdeeld moet worden, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Pas bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap zal immers duidelijk worden of de schuld aan de man wordt toegescheiden, zodat thans niet aannemelijk is geworden dat de gestelde schuld uiteindelijk uit het inkomen van de man zal moeten worden voldaan.

Het tegen dit oordeel gerichte onderdeel 3 faalt reeds hierom.

Ik wijs er daarnaast op dat het hof kennelijk het Rapport alimentatienormen (Tremarapport) heeft toegepast, dat modellen bevat voor het bepalen van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, waarbij het netto besteedbaar inkomen volgens de netto of bruto methode wordt berekend, hetgeen leidt tot een draagkrachtberekening volgens de netto of bruto methode. Ook de opgevoerde schulden worden in beide varianten meegenomen. Paragraaf 18, tweede alinea van het Tremarapport, dat voor beide methoden geldt, luidt als volgt:

6. TOELICHTING BIJ DE MODELLEN VOOR DE DRAAGKRACHTBEREKENING

(…)

Toelichting bij het model voor de netto methode

(…)

18 Rente en aflossing schulden

Betaling van rente en aflossing op schulden, aangegaan ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding vóór de samenwoning van de echtgenoten werd verbroken, en andere uit die tijd stammende verplichtingen worden altijd in aanmerking genomen.

Soms spelen ten tijde van de alimentatievaststelling nog problemen met betrekking tot de verdeling van de gemeenschap of de afwikkeling van huwelijkse voorwaarden. Veelal zullen deze problemen ook betrekking hebben op de vraag wie van partijen de bestaande schulden voor zijn rekening zal nemen. Wanneer aannemelijk is dat deze uiteindelijk uit het inkomen van de onderhoudsplichtige zullen moeten worden voldaan, wordt hiermee rekening gehouden, ook vóórdat de vermogensrechtelijke gevolgen van de scheiding zijn afgewikkeld. Dit kan anders zijn met schulden aangegaan na het verbreken van de samenwoning. Weliswaar zijn dit ten tijde van de alimentatievaststelling bestaande verplichtingen, maar bekeken zal moeten worden of het aangaan van deze schulden zo noodzakelijk was, dat betaling daarvan prevaleert boven de verplichting tot betalen van alimentatie. Schulden die met aanwezig vermogen kunnen worden afgelost dienen buiten beschouwing te blijven.

(…)

Toelichting bij het model voor de bruto methode

(…)

132 Aflossing van schulden

zie 18.”

Paragraaf 18, tweede alinea, geeft de aanwijzing dat als aannemelijk is dat een bepaalde, nog niet verdeelde, schuld uiteindelijk voor rekening van de alimentatieplichtige zal komen, daarmee op voorhand rekening kan worden gehouden. Het oordeel van het hof dat niet aannemelijk is dat de rekening-courantschuld uiteindelijk ten laste van de man zal komen, is ook in dat opzicht voldoende begrijpelijk gemotiveerd.

De onderdelen 4-6 betreffen, als gezegd, het oordeel van het hof ten aanzien van de door de man gestelde schuld aan zijn ouders. De onderdelen klagen in de kern dat (i) het hof heeft miskend dat ook een schuld waarop niet wordt afgelost, in aanmerking dient te komen bij de draagkrachtberekening van een alimentatieplichtige en (ii) de man aan de hand van de onderhandse geldleningsovereenkomst en het testament voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de schuld bestaat, dat daarop dient te worden afgelost en dat op de schuld ook daadwerkelijk aflossing en betaling van rente plaatsvindt.

Uit de hiervoor onder 2.5 geciteerde vaste rechtspraak volgt dat de klachten onder (i) terecht zijn voorgesteld en dat het hof ten onrechte doorslaggevend heeft geacht dat de man niet nader heeft onderbouwd dat feitelijk op de schuld aan zijn ouders wordt afgelost, alsmede dat de verrekening met het erfdeel van de man ook niet wijst op een daadwerkelijke aflossingsverplichting.

Zoals hiervoor vermeld, kán de omstandigheid dat niet op een schuld wordt afgelost voor de rechter grond vormen om die schuld bij het bepalen van de draagkracht buiten beschouwing te laten. De rechter dient dan wel voldoende inzicht te geven in de gedachtegang die hem tot die beslissing heeft geleid. Een dergelijke motivering ontbreekt echter in de bestreden beschikking. Voor zover het hof niet is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting is zijn oordeel dan ook onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.

De klachten onder (ii) zijn eveneens gegrond, voor zover zij betogen dat de man het bestaan van de schuld aan zijn ouders en een daarop betrekking hebbende aflossingsverplichting door middel van de door hem overgelegde stukken voldoende aannemelijk heeft gemaakt. De door de man overgelegde en door hem en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ondertekende “leenovereenkomst” van 1 februari 2009 houdt namelijk in dat de man van de personen hiervoor genoemd € 10.000,- heeft geleend tegen een jaarlijkse rente van 6%, onder de voorwaarde dat het geld alleen zal worden gebruikt voor de verbouwing van de woning en dat het geld moet worden terugbetaald als de woning wordt verkocht. Verder wordt in art. 3 (“de verwachters”) van hoofdstuk 3 (“voorwaardelijk legaat (tweetrapslegaat”) op pagina 3 van het door de man overgelegde testament van [betrokkene 1] onder meer het volgende bepaald:

“Ik bepaal dat in mijn nalatenschap de vorderingen die ik heb op (…) [de man], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] negentienhonderd tweeëntachtig, (…) ter grootte van (…) tien duizend euro (€ 10.000,00), met rente ad vier acht/tiende procent (4,8%) per jaar dient te worden verrekend met [zijn] erfdeel, voorzover door [hem] niet mocht zijn afgelost.”

In het licht van deze stukken is het oordeel van het hof onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.

Uit het in het vorige punt opgenomen citaat volgt bovendien dat de man, wanneer hij niet op de schuld aflost, zal worden beknot in zijn vermogen, aangezien de schuld dan zal worden verrekend met zijn erfdeel. Deze omstandigheid is juist wel van invloed op zijn draagkracht.

De op deze slagende klachten voortbouwende onderdelen leiden derhalve eveneens tot cassatie.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 31 oktober 2013 en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?