ECLI:NL:PHR:2014:1879

ECLI:NL:PHR:2014:1879, Parket bij de Hoge Raad, 08-07-2014, 13/02041

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 08-07-2014
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 13/02041
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2014:3046
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 11 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Witwassen en hawala-bankieren. ’s Hofs oordeel dat de geldbedragen die verdachte en zijn mededaders i.h.k.v. het bedrijf van betaaldienstverlener zonder vergunning hebben verworven en/of voorhanden hebben gehad en/of hebben overgedragen ‘daarmee’ van misdrijf afkomstig zijn, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Vermogensbestanddelen kunnen in beginsel slechts worden aangemerkt als ‘afkomstig (…) uit enig misdrijf’ i.d.z.v. art. 420 bis en 420quater Sr indien zij afkomstig zijn van een misdrijf gepleegd voorafgaand aan het verwerven en/of voorhanden hebben en/of het overdragen daarvan, terwijl de bewezenverklaring kennelijk niet ziet op de mogelijke opbrengst of verdiensten van het zonder vergunning i.h.k.v. het bedrijf van betaaldienstverlener handelen m.b.t. gelden.

Uitspraak

35. Beoordeling van het derdenamens de verdachte voorgestelde middel.

36. Het middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, € 100.000,- verbeurd heeft verklaard. Nu de verdachte is vrijgesproken van het witwassen van dit geldbedrag, had het hof nader dienen te motiveren waarom dit geldbedrag vatbaar voor verbeurdverklaring was, aldus de steller van het middel.

37. Onder 28 is reeds weergegeven hetgeen het hof ten aanzien van het geldbedrag van € 100.000,- heeft overwogen. Daarnaast houdt het bestreden arrest, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Het onder 1 primair bewezen verklaarde is begaan met betrekking tot de hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Zij behoren de verdachte toe. Zij zullen daarom worden verbeurd verklaard.

(…)

Beslissing

(…)

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

(…)

5. € 100.000,00 (3963335)”

38. Verbeurdverklaring is een (bijkomende) straf en kan slechts worden opgelegd als het ten laste gelegde feit bewezen en strafbaar is en als tevens de verdachte strafbaar is. Daarnaast komt verbeurdverklaring alleen in aanmerking als sprake is van een voorwerp dat daarvoor vatbaar is (art. 33a Sr). Veelal wordt een zekere relatie tussen het voorwerp en het strafbaar feit verlangd, waarmee is bedoeld het feit waarvoor de verdachte is veroordeeld.

39. Het hof heeft het onder 1 bewezen verklaarde ten aanzien van het in het middel bedoelde geldbedrag van € 100.000,- niet strafbaar bevonden. Gelet hierop is diens oordeel dat bedoelde € 100.000,- vatbaar is voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp betreft met betrekking tot welk het onder 1 primair bewezen verklaarde is begaan, niet begrijpelijk.

40. Het derde middel slaagt.

41. Beoordeling van het vierdenamens de verdachte voorgestelde middel.

42. Het middel komt op tegen de strafmotivering. Volgens de steller van het middel wekt het verbazing dat het hof komt tot een straf van verbeurdverklaring van € 100.000,-, terwijl het geen aanleiding zag de door het openbaar ministerie in hoger beroep geëiste geldboete van € 50.000,- op te leggen.

43. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Nadat hem was gebleken dat het pand waarin de wasserette was gevestigd zich door verkoop aan een derde niet meer voor verbeurdverklaring leende, heeft de advocaat-generaal voorts gevorderd dat in plaats van die verbeurdverklaring aan de verdachte een geldboete van € 50.000,00 wordt opgelegd, aangezien hij verwacht dat bij de verkoop van het pand geld naar de verdachte is gevloeid. Ook heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de in beslag genomen geldbedragen worden verbeurd verklaard.

(…)

Het hof ziet verder geen aanleiding de door de advocaat-generaal opgelegde geldboete van € 500.000,00 op te leggen.”

44. Vooropgesteld moet worden dat de feitenrechter vrij is in de waardering van de factoren die hij voor de straftoemeting van belang acht. In cassatie kan dus niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren, zoals de ernst van het feit of de persoon van de verdachte. Voorts is het zo dat de feitenrechter niet is gebonden aan richtlijnen of aanwijzingen van het openbaar ministerie. Enkel wanneer de strafoplegging verbazing wekt en onbegrijpelijk is, is er voor de cassatierechter reden voor ingrijpen.

45. In het onderhavige geval wekt de oplegging van de bijkomende straf van verbeurdverklaring van (onder meer) de in het middel bedoelde € 100.000,- geen verbazing. Uit het bestreden arrest blijkt dat de advocaat-generaal de verbeurdverklaring van de in beslag genomen voorwerpen heeft gevorderd, waaronder kennelijk begrepen het in het middel bedoelde bedrag van € 100.000,-. Voor zover het middel op de veronderstelling berust dat het hof een hogere vermogensstraf heeft opgelegd dan de advocaat-generaal had gevorderd, mist het feitelijke grondslag.

46. Het vierde middel faalt.

47. Het door het openbaar ministerie voorgestelde middel komt op tegen het oordeel van het hof dat het voorhanden hebben van het geldbedrag van € 100.000,-, dat in de woning van de verdachte is aangetroffen, niet als witwassen kan worden gekwalificeerd.

48. In de toelichting op het middel wordt daartoe het volgende aangevoerd:

“Gelet op de door het Hof vastgestelde manier van werken bij hawalabankieren, waarbij grote contante geldbedragen omgaan, is het niet zonder meer begrijpelijk dat het bij verdachte thuis aangetroffen geldbedrag moet worden aangemerkt als afkomstig van het door verdachte gepleegde misdrijf van bankieren zonder vergunning. Immers het enkele feit dat verdachte niet over een vergunning beschikte, heeft dit bedrag niet gegenereerd. Dit zou anders liggen als verdachte het geld had ontvangen als commissie, juist voor het feit dat hij zonder vergunning opereerde en als gevolg daarvan niet aan enig toezicht was onderworpen, maar hieromtrent heeft het Hof niets vastgesteld.

Meer voor de hand ligt dat het in het onderhavige geval gaat om contant geld dat bij verdachte was ingeleverd en dat op een later moment met een andere bankier onderling verrekend had moeten worden. Ook als verdachte wel over een vergunning had beschikt zou hij dit geldbedrag voorhanden hebben gehad. (…)

Voor zover het oordeel van het Hof aldus moet worden begrepen dat reeds het enkele feit dat het geld in enige relatie staat tot het door verdachte begane misdrijf meebrengt dat dit geld afkomstig is uit dit misdrijf, heeft het Hof naar de mening van rekwirant een te ruime uitleg gegeven aan het begrip ‘afkomstig uit een door hemzelf begaan misdrijf’, en heeft het in zoverre dan ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.”

49. In de toelichting op het middel worden argumenten gegeven die in wezen de begrijpelijkheid van de motivering van de bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde aantasten, in het bijzonder ten aanzien van het bestanddeel ‘afkomstig (…) van enig misdrijf’. In dit verband verwijs ik naar hetgeen ik bij de bespreking van het eerste middel dat namens de verdachte is ingediend heb opgemerkt.

50. Het middel van het openbaar ministerie is echter niet gericht tegen (de motivering van) de bewezenverklaring, maar tegen het oordeel van het hof dat het voorhanden hebben van het geldbedrag van € 100.000,-- niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Uitgaande van de door het hof gedane vaststellingen ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde, is het oordeel van het hof dat daarbij sprake is van een eigen, door de verdachte begaan misdrijf niet onbegrijpelijk. De tenlastelegging is mede toegesneden op de rol van de verdachte in het kader van het opzettelijk zonder vergunning ‘bankieren’. In feitelijke aanleg heeft het openbaar ministerie de rol van de verdachte in dat kader benadrukt. Daarbij heeft het openbaar ministerie ook het standpunt ingenomen dat aangetroffen gelden reeds afkomstig zijn van misdrijf vanwege het (samengevat) opzettelijk zonder vergunning ‘bankieren’. Daarbij had het openbaar ministerie (ook) het oog op de verdachte als één van de ondergrondse bankiers die zich aan dat misdrijf schuldig hadden gemaakt. Tegen deze achtergrond kan het openbaar ministerie in cassatie niet met vrucht klagen over het oordeel van het hof waarbij er eveneens van wordt uitgegaan dat het aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit het – mede door de verdachte begane – opzettelijk zonder vergunning het bedrijf van betaaldienstverlener uitoefenen. Daarbij merk ik voorts op dat in (de toelichting op) het middel niet wordt aangevoerd dat het hof ten onrechte niet heeft geoordeeld dat het geldbedrag van € 100.000,-- afkomstig is van enig ander, niet door de verdachte begaan misdrijf.

51. Het middel faalt.

52. Het eerste namens de verdachte voorgestelde middel is (ten aanzien van de tweede klacht) terecht voorgesteld, evenals het derde namens de verdachte voorgestelde middel. Het tweede namens de verdachte voorgestelde middel kan niet tot cassatie leiden. Het vierde namens de verdachte voorgestelde middel en het door het openbaar ministerie voorgestelde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

53. Nu de veroordeling wegens feit 3 blijkens de bewijsconstructie onlosmakelijk is verbonden met het onder 1 bewezen verklaarde feit, komt het arrest van het hof ook wat betreft de beslissingen ten aanzien van feit 3 voor vernietiging in aanmerking. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

54. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 en 3 ten laste gelegde en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof Amsterdam, teneinde deze op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen, met verwerping van de beroepen voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?