Overledene
[slachtoffer], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970.
Op 3 november 2008 was de overledene betrokken bij een verkeersongeval, waarbij zij als slachtoffer werd afgevoerd naar het Academisch Ziekenhuis Maastricht, alwaar zij op 5 januari 2009 kwam te overlijden.
Ik, [verbalisant 7], heb het stoffelijk overschot op maandag 5 januari 2009 te 04.00 uur in beslag genomen en ter beschikking gesteld van de hovj. Met verlof van de hovj is het stoffelijk overschot op 5 januari 2009 te 10.00 uur overgebracht naar het mortuarium Academisch Ziekenhuis Maastricht.
7. Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie, zaaknummer 2009.01.07.008, d.d. 13 mei 2009 op ambtsbelofte opgemaakt door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Datum aanvraag: [geboortedatum] 2009
Uw kenmerk: 2008.148.573
Overledene: [slachtoffer]
Geboortedatum: [geboortedatum] 1970
Geboorteplaats: [geboorteplaats]
Onderwerp: pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood
Vraagstelling
In opdracht van de officier van justitie te Maastricht werd nagegaan de oorzaak van de dood en hetgeen verder van belang mocht blijken.
Verkregen informatie
Naar verbalisant meldde zou deze bijna 39 jarige oud geworden vrouw 2 maanden voor overlijden betrokken zijn geweest bij een verkeersongeval. Ze zou in diep coma zijn opgenomen in het AZM Maastricht.
Pathologie onderzoek
Resultaten
Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer]. Geboren op [geboortedatum] 1970, is het navolgende gebleken:
B.
2. Er waren zware, vochtrijke longen. Microscopisch werd in beide longen een uitgebreide (bilaterale bronchopneumonie) gezien.
3. De milt was week en te zwaar. Bij microscopisch onderzoek werden tekenen van bloedvergiftiging (sepsis) gezien.
4. Samengevat en vertaald werden bij het neuropathologisch onderzoek een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies (subduraal) gezien en een kneuzing in de linker grote hersenhelft aan de voorzijde/slaapzijde. Deze waren beide ten minste 1 maand oud. Daarnaast werden veranderingen gezien die gedeeltelijk terug te voeren zijn op het trauma en gedeeltelijk berusten op veranderingen kort voor het overlijden.
7. Er was een kleine bloeduitstorting in de linker slaapspier.
C. In de longen, milt, leveren in het hartbloed werden meerde bacteriën gekweekt.
Interpretatie (pagina 4)
Uit voorhanden medische gegevens blijkt dat [slachtoffer] op 3 november 2008 (dus 2 maanden vóór overlijden) betrokken is geweest bij een verkeersongeval, waarbij kort na de opname vele traumatische letsels werden gezien, waaronder meerdere kneuzingen in de hersenen met bloedingen. Bij sectie werd nog een deel van deze traumatische letsels vastgesteld (sub B4), qua ouderdom passend bij het ontstaan zijn tijdens het verkeersongeval.
Bij sectie werden voorts een dubbelzijdige longontsteking (sub B2) en tekenen van bloedvergiftiging door bacteriën (sub B3, C) vastgesteld.
Conclusie
Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer], bijna 39 jaren oud, wordt het intreden van de dood verklaard door longontsteking en bloedvergiftiging, opgetreden als verwikkelingen van de opgelopen traumatische letsels, waaronder de hersenschade.
8. Een brief van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie aan het Kabinet rechter-commissaris in de rechtbank Maastricht, d.d. 11 juni 2010, zaaknummer 2009.01.07.008, opgemaakt door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog, ter beantwoording van via het Kabinet rechter-commissaris ingezonden door de verdediging geformuleerde vragen inzake de sectie op [slachtoffer], geboren [geboortedatum] 1970, onder meer inhoudende:
Zoals op pagina 4 van het definitief sectierapport d.d. 13 mei 2009 staat vermeld, was bij sectie in beide longen ontsteking vastgesteld en werden tekenen van bloedvergiftiging vastgesteld. Deze worden gezien als verwikkelingen van de opgelopen traumatische hersenschade. De uitgebreide longontsteking en bloedvergiftiging, verwikkelingen van de traumatische hersenschade, kunnen op zich het overlijden verklaren.
9. De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 13 juni 2012 en zoals opgenomen in het proces-verbaal van die terechtzitting, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik bestuurde de auto. Ik had de avond voor de dag dat het ongeval plaatsvond op 3 november 2008, gegeten met mijn vrouw. Ik heb bij het eten twee glazen wijn gedronken. Ik heb haar naar huis gebracht en heb vervolgens een vriendin opgehaald. Toen ik bij haar was, stelde ze voor om naar Club Mondial in Beek te gaan. Dat is een discotheek. Ik heb haar daar naar toe gebracht. Ik heb daar 3 glazen Passoa gedronken. We zijn rond 3 uur 's nachts weggegaan uit Beek. Ik ging vanuit Beek via Maastricht naar Luik.
Ik weet dat er op de N2 in Maastricht verkeerslichten staan. Er zijn er vijf en daar is de toegestane snelheid 50 km/u. Ik ben verscheidene keren eerder op die weg geweest, misschien wel 8 tot 10 keer sinds ik in België woon. Ik wist dat er oversteekplaatsen voor onder meer (brom)fietsen zijn bij de stoplichten, ook bij het laatste stoplicht. U houdt mij voor dat ik bij de politie heb verklaard dat ik op de snelheidsmeter heb gezien dat ik 90 km/u reed. U houdt mij ook voor dat ik bij de rechter-commissaris heb verklaard dat ik aanvankelijk 70 km/u reed.
Nu u mij dit voorhoudt, verklaar ik dat het klopt dat ik 90 km/u reed.
Het kan zijn dat ik wel door het rode licht ben gereden.
Ik ben op een afstand van 300 tot 400 meter verderop gestopt.
10. Een proces-verbaal van verhoor van politie regio Limburg Zuid, district Maastricht, basiseenheid Mstr-Centrum, afdeling Basis Politiezorg, proces-verbaalnummer 2008148573-10, dossierpagina's 20 t/m 24, d.d. 3 november 2008 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 4], voornoemd, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte, zakelijk weergegeven:
p. 20:
Ik ben betrokken geweest bij een aanrijding. Ik zag plotseling een persoon met een scooter (het hof begrijpt hier en hierna: bromfiets) en een helm. Deze scooter kwam van rechts. Ik heb de scooter met mijn auto geraakt.
p. 22:
[betrokkene 2] en ik waren op maandag 3 november 2008 omstreeks 01.30 uur in de Mondial in Beek. Ik ben daar weggegaan en wilde naar Luik met mijn eigen Golf GTI. Ik reed. [betrokkene 2] was erbij. De aanrijding heeft plaatsgevonden bij het laatste stoplicht voor de richting Luik. Ik reed op de linker rijstrook.
p. 23:
Ik denk dat de snelheid van mijn auto op het moment van de aanrijding 90 kilometer per uur was. Ik heb deze snelheid op mijn snelheidsmeter gezien.
11. De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd tegenover de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Maastricht, d.d. 6 november 2008, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
ik weet dat je op de plaats van de aanrijding maximaal vijftig kilometer per uur mag rijden. Ik reed aanvankelijk zeventig kilometer per uur. Toen ik ongeveer twintig meter van de stoplichten af was versnelde ik mijn snelheid naar ongeveer negentig kilometer per uur omdat ik weet dat ik daarna (het hof begrijpt: na de verkeerslichten) de snelweg oprijd. Voor het stoplicht stond op de rechterrijstrook een auto voor het stoplicht te wachten.
12. Een proces-verbaal Algemeen dossier van politie regio Limburg Zuid, district Maastricht, basiseenheid Maastricht-Centrum, proces-verbaalnummer 2008148573, dossierpagina's 1 t/m 4, d.d. 16 december 2008 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 4], voornoemd, voor zover inhoudende als relaas van bevindingen en verrichtingen van de betreffende verbalisant, zakelijk weergegeven:
p. 1
Op maandag 3 november 2008 te 05.05 uur werd een persoon die opgaf te zijn [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, die een aanrijding had veroorzaakt te Maastricht aangehouden.
p.2:
Het rijbewijs van verdachte bleek te zijn afgegeven op 11 maart 2005. De verdachte bleek dus beginnend bestuurder te zijn.”
6. Het hof heeft met betrekking tot de bewezenverklaring voorts nog overwogen:
“Op grond van de voorhanden bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat door het rijgedrag van verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden. Het hof is van oordeel dat het geheel van de gedragingen van verdachte kan worden aangemerkt als roekeloos.
Van roekeloosheid is sprake bij zeer onvoorzichtig rijgedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico's zijn genomen, waarbij op zeer lichtzinnige wijze ervan wordt uitgegaan dat deze risico's zich niet zullen realiseren. Roekeloosheid vereist een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid. Het hof is van oordeel dat daarvan in dit geval sprake is geweest, omdat verdachte in aanzienlijke mate de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur heeft overschreden door met een snelheid van ongeveer 70 kilometer per uur een oversteekplaats voor (brom)fietsers te benaderen en toen hij dicht bij die oversteekplaats was zijn snelheid te verhogen tot ongeveer 90 kilometer per uur en vervolgens met onverminderde snelheid die oversteekplaats op te rijden, dit terwijl:
- verdachte ter plaatse bekend was en wist dat er aldaar een oversteekplaats voor (brom)fietsers was;
- verdachte heeft gezien dat er op de rechter rijstrook een personenauto stil stond en zijn zicht op de oversteekplaats werd belemmerd door die personenauto;
- het voor hem geldende verkeerslicht op rood stond;
- verdachte onder invloed was van alcoholhoudende drank, immers hij had drie volle glazen Pasoa gedronken tijdens zijn bezoek aan een discotheek kort voorafgaand aan het ongeval. Dat het hof - nu het onderzoek naar het alcoholgehalte van de adem van verdachte niet overeenkomstig de daarvoor geldende regels heeft plaatsgevonden - niet kan vaststellen hoe hoog het alcoholpromillage precies is geweest maakt dit niet anders. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat verdachte een beginnend bestuurder was.
Verdachte heeft door aldus te handelen onaanvaardbare risico's genomen.”
7. De tenlastelegging is toegesneden op art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994. De in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende term “roekeloos” moet derhalve geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 175, tweede lid aanhef en onder a, WVW 1994.
8. De Hoge Raad heeft in zijn recente rechtspraak de eisen waaraan het bewijs van roekeloosheid moet voldoen aangescherpt. Omtrent de inhoud van het begrip roekeloosheid heeft de Hoge Raad in een aantal arresten van 15 oktober 2013 – waaronder ECLI:NL:HR:2013:960, NJ 2014/25 – het volgende vooropgesteld:
“Ingevolge bestendige rechtspraak kan in cassatie slechts worden onderzocht of de schuld aan een verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Voor de schuldvorm “roekeloosheid” geldt op zichzelf hetzelfde, zij het dat daarbij moet worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als “de zwaarste vorm van het culpose delict” wordt aangemerkt die tot onder meer een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, dus de zwaarste vorm van schuld, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven. Dat geldt ook in de gevallen waarin de roekeloosheid in de kern bestaat uit de in art. 175, derde lid, WVW 1994 omschreven gedragingen, nu die gedragingen grond vormen voor een verdere verhoging van het ingevolge het tweede lid van dat artikel voor roekeloosheid geldende strafmaximum. (Vgl. HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU2016, NJ 2012/488)
(…) Het voorgaande brengt mee dat de vraag of in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994 een beoordeling vergt van de specifieke omstandigheden van dat geval. De Hoge Raad kan bij het beoordelen van cassatieberoepen die zich richten tegen beslissingen in concrete gevallen, slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen omtrent de inhoud van het begrip roekeloosheid. Bij die toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat “roekeloosheid” in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder “roekeloos” – in de betekenis van “onberaden” – wordt verstaan.
(…) Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.
Uit hetgeen hiervoor onder (…) is overwogen vloeit voort dat in dit verband doorgaans niet volstaat de enkele vaststelling dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer in art. 175, derde lid, WVW 1994 genoemde, zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leidende gedragingen.”
9. In de hiervoor weergegeven overweging stelt de Hoge Raad drie cumulatieve, materiële eisen aan roekeloosheid. Ten eerst moet het gaan om een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte. Ten tweede moet de betreffende gedraging een zeer ernstig gevaar in het leven hebben geroepen. Tot slot wordt de eis gesteld dat de verdachte zich ervan bewust was dat zijn gedraging een zeer ernstig gevaar in het leven zou roepen, althans dat hij dat had moeten zijn.
10. Dat de Hoge Raad hiermee de motiveringseisen die worden gesteld aan een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘roekeloosheid’ aanzienlijk heeft aangescherpt, lijdt geen twijfel. Tot dusver liet de Hoge Raad slechts in twee gevallen de bewijsvoering inzake roekeloosheid in stand. Deze zaken worden gekenmerkt door het ‘kat-en-muisspel’ en de ‘snelheidswedstrijd’ die de verdachten met andere automobilisten speelden tussen de overige weggebruikers. In alle andere zaken werden beslissingen van hoven over het roekeloze rijgedrag van verdachten vernietigd.
11. Ik bespeur overigens een zekere, zij het geringe, spanning tussen deze meer recente rechtspraak van de Hoge Raad en hetgeen de wetgever blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet herijking strafmaxima voor ogen heeft gestaan, namelijk een adequate bestraffing mogelijk te maken in alle gevallen waarin sprake is van zeer onvoorzichtig rijgedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen. Daar waar de Hoge Raad oordeelt dat “doorgaans niet” kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer in art. 175, derde lid, WVW 1994 genoemde, zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leidende gedragingen, zijn naar het oordeel van de minister ‘rijden onder invloed’ en ‘veel te hard rijden’ in de eerste plaats omstandigheden die door de rechter mogen worden betrokken bij de beoordeling van de mate van schuld aan het verkeersongeval in het concrete geval. Bij deze beoordeling legt de vaststelling dat onder invloed of veel te hard is gereden veel gewicht in de schaal, en is onder deze omstandigheden naar het oordeel van de minister “al snel” sprake van roekeloosheid. De Hoge Raad opereert dus iets behoedzamer, zo is mijn indruk, en legt de lat voor het bewijs van deze vorm van bewuste schuld hoog. Hij benadrukt de mogelijkheid van een discrepantie tussen de betekenis van ‘roekeloos’ naar algemeen spraakgebruik en de betekenis ervan in de zin der wet.
12. Wat er van dit alles ook zij, het komt mij zowel van de zijde van het openbaar ministerie als van de zijde van de feitenrechter verstandig voor om in gevallen waarin de strafbehoefte kennelijk geen overschrijding vergt van het strafmaximum van het eerste lid van art. 175 WVW, zoals in casu, niet aan te koersen op een discours over de vraag of de vastgestelde feiten een bewezenverklaring van ‘roekeloosheid’ wettigen, alleen al om de nabestaanden en de verdachte een langslepende en beladen procedure te besparen.
13. In de onderhavige zaak heeft het hof geoordeeld dat het rijgedrag van de verdachte moet worden aangemerkt als roekeloos. Het rijgedrag van de verdachte hield – kort gezegd – in dat hij de maximumsnelheid (50 km/h) in aanzienlijke mate heeft overschreden door met ongeveer 70 km/h een oversteekplaats voor (brom)fietsers te benaderen en toen hij dicht bij die oversteekplaats was zijn snelheid te verhogen tot ongeveer 90 km/h en met onverminderde snelheid die oversteekplaats is opgereden, en dit terwijl hij wist dat daar een oversteekplaats was, terwijl hij heeft gezien dat op de rechter rijstrook een personenauto stil stond en zijn zicht op de oversteekplaats daardoor werd belemmerd, terwijl het verkeerslicht op rood stond, de verdachte onder invloed was van alcohol en hij een beginnend bestuurder was.
14. Wanneer we het rijgedrag van de verdachte vergelijken met dat in de zaken waarin de Hoge Raad de bewijsvoering inzake roekeloosheid onvoldoende achtte, kan ik niet anders dan concluderen dat ook hier geen sprake is van rijgedrag dat zó buitengewoon is dat het als roekeloos kan worden aangemerkt. In dit verband kan worden gewezen op de casus die leidde tot HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:964. In die zaak oordeelde de Hoge Raad dat ’s hofs vaststelling dat de verdachte de maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden en met (nagenoeg) onverminderde snelheid een kruising – met een voor hem groen licht uitstralende verkeerslichten – is opgereden, terwijl het alcoholgehalte in zijn bloed 1,26 mg per ml bloed bedroeg, onvoldoende is voor het bewijs van roekeloosheid in de zin van art. 175 WVW 1994. Ofschoon deze zaak op een aantal punten verschilt met de onderhavige (o.a. het rijden door rood licht en het verhogen van de snelheid bij het naderen van de oversteekplaats) en ondanks dat het hof in zijn nadere bewijsmotivering aandacht heeft besteed aan de subjectieve gesteldheid van de verdachte, kan uit hetgeen het hof heeft vastgesteld omtrent de gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht de roekeloosheid niet volgen.
15. Het middel slaagt.
16. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit punt kan echter onbesproken blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en de zaak dient te worden teruggewezen of verwezen.
17. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG