ECLI:NL:PHR:2014:1883

ECLI:NL:PHR:2014:1883, Parket bij de Hoge Raad, 02-09-2014, 13/03355

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 02-09-2014
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 13/03355
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2014:3048
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854

Samenvatting

Vervolg op ECLI:NL:HR:2014:1695. HR: art. 81.1 RO

Uitspraak

a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, of,

b. als op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder a. bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, maar niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

4. In onderhavige zaak doet zich de situatie onder b. genoemd voor en is het criterium waaraan getoetst moet worden of de gedragingen van verdachte, nadat de noodweersituatie was beëindigd, het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door hetgeen zich daaraan voorafgaand heeft afgespeeld.

5. Met betrekking tot het beroep op noodweerexces heeft de rechtbank in haar door het hof bevestigde vonnis het volgende overwogen dat van belang is voor de beoordeling van de klacht:

‘Allereerst stelt de rechtbank vast dat verdachte [betrokkene 2] tegen het hoofd heeft geschopt toen hij al op de grond lag. De rechtbank heeft hierbij gelet op de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] die gezien hebben dat verdachte met zijn rechtervoet [betrokkene 2] tegen het hoofd schopte toen hij al op de grond lag, en op het bij het slachtoffer geconstateerde letsel aan het hoofd zoals blijkt uit de medische verklaring; zwelling aan de linker kaak, zwelling aan het linker jukbeen, een wond aan de linker wenkbrauw en blauwe oogkassen. Vast staat dat [betrokkene 2] op het moment waarop het vorenomschreven geweld op hem werd uitgeoefend geen enkele bedreiging (meer) vormde voor verdachte. Door de klap die verdachte uitdeelde kwam een einde aan de dreiging die van [betrokkene 2] naderende aanval uitging. Het schoppen tegen het hoofd van [betrokkene 2] en het springen op diens buik was derhalve niet (langer) geboden ter noodzakelijke verdediging. Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van het springen op de buik van de weerloos op de grond liggende [betrokkene 2] en het schoppen tegen zijn hoofd, geen sprake is van noodweerexces. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte deze handelingen heeft verricht onder invloed van een hevige gemoedstoestand, veroorzaakt door de direct daaraan voorafgegane aanval. De rechtbank heeft daarbij onder meer acht geslagen op de eigen verklaring van verdachte die bij de politie heeft verklaard dat hij wilde laten zien dat er niet met hem te sollen viel. Ter zitting verklaarde verdachte dat hij wilde laten zien dat ze hem niet nog een keer moesten lastig vallen. Uit deze verklaringen leidt de rechtbank af da dat verdachte juist doelbewust en weloverwogen heeft gehandeld. Tegenover de verbalisanten die verdachte zeer kort na het gebeuren treffen verklaarde verdachte ook schijnbaar kalm over de vechtpartij waar hij kort daarvoor bij betrokken was geweest.’

6. Het hof heeft met de rechtbank aangenomen dat bij de verdachte geen sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in art. 41, tweede lid, Sr. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk gelet op de vaststellingen dat de verdachte ‘juist doelbewust en weloverwogen heeft gehandeld’ en ‘zeer kort’ na het gebeuren ‘schijnbaar kalm’ over de vechtpartij verklaarde. Verweven als dit oordeel is met waarderingen van feitelijke aard, kan het in cassatie niet verder worden getoetst.

7. De tweede klacht faalt en kan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.

8. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Zie voor een overigens zeer vergelijkbare casus: HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6794, rov. 3.3.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?