1. Verzoeker is – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 23 oktober 2012 - bij arrest van 11 maart 2013 door het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch wegens 1. primair “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en 2. “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 dagen hechtenis.
2. Namens verzoeker heeft mr. G.J.P.M. Mooren, advocaat te Goirle, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld over het onder 2 tenlastegelegde feit.
4. Bij arrest van 7 september 2010 heeft het Hof verzoeker vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde. Tegen dit arrest is door verzoeker beroep in cassatie ingesteld. Het arrest van de Hoge Raad van 23 oktober 2012 houdt voor zover hier van belang het volgende in:
“1. Geding in cassatie
Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de vrijspraak van feit 2 – is ingesteld door de verdachte.
(…)
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover aan zijn oordeel onderworpen;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.”
5. Bij de bestreden uitspraak heeft het Hof zowel het onder 1 primair alsook – een niet geringe misser - het onder 2 tenlastegelegde bewezenverklaard en verzoeker ter zake veroordeeld tot de hiervoor onder 1 vermelde taakstraf.
6. Het Hof heeft aldus miskend dat de verwijzingsopdracht van de Hoge Raad enkel zag op het onder 1 tenlastegelegde feit. Dit betekent dat de bestreden uitspraak wat betreft de veroordeling voor feit 2 niet in stand kan blijven.
7. Het middel is terecht voorgesteld.
8. Het tweede middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat het onder 1 bewezenverklaarde medeplegen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
9. In de toelichting op het middel wordt enkel aangevoerd dat het Hof het medeplegen heeft bewezenverklaard, terwijl het Hof bij arrest van 7 september 2010 op basis van exact hetzelfde dossier en materiaal van dat onderdeel heeft vrijgesproken. Ik stel voorop dat het het Hof vrij stond om na de terugwijzing door de Hoge Raad anders te oordelen. Dat het Hof, kennelijk op grond van een andere weging van het bewijsmateriaal, tot een ander bewijsoordeel is gekomen, is bovendien, gelet op de vernietiging in cassatie van ’s Hofs eerdere uitspraak, ook niet verwonderlijk. Het Hof heeft omtrent het medeplegen in de bestreden uitspraak het volgende overwogen:
“Anders dan de raadsman maar met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat verdachte het primair ten laste gelegde 'telen' met anderen heeft begaan.
Het hof stelt vast dat de verbalisanten op 5 december 2007 in de loods gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats], 798 bijna volgroeide hennepplanten in beslag hebben genomen. Verdachte heeft voornoemde loods gehuurd van [betrokkene 1] en heeft de sleutels van de loods op 24 augustus 2007 gekregen. [betrokkene 1] heeft op 5 december 2007 ten overstaan van de politie verklaard dat hij heeft waargenomen dat verdachte overdag vaak met iemand anders die hal naar binnen ging, althans dat hij het terrein opreed dat bij de loods ligt. Voorts heeft hij verklaard dat hij de laatste weken regelmatig activiteiten heeft waargenomen in de nabijheid van de loods. Er liepen dan mensen op en neer waar verdachte in het begin steeds bij aanwezig was. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 24 augustus 2010 verklaard hij daar twee Irakezen aan het werk heeft gezet en dat hij daar een paar keer is geweest. Onder die omstandigheden in onderling (tijds)verband en samenhang met de andere bewijsmiddelen bezien, leidt het hof af dat het niet anders kan zijn dan dat het verdachte is geweest die samen met anderen zich schuldig hebben gemaakt aan het telen van de bewezen verklaarde hennepplanten in voornoemde loods. Verdachte dient derhalve als medepleger van het telen van bedoelde hoeveelheid hennepplanten te worden aangemerkt.”
10. Anders dan in het middel wordt gesteld, heeft het Hof het bewezenverklaarde medeplegen uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden.
11. Het middel faalt.
12. Het eerste middel is terecht voorgesteld. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Hof wat betreft de strafoplegging en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG