4. Het eerste middel
Het middel klaagt dat de Rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd dat is voldaan aan het in art. 36d Sr gestelde vereiste van “het kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel de belemmering van de opsporing daarvan”.
De bestreden beschikking houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“Beoordeling van de vordering
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van de vordering.
Vast staat dat bedoelde personenauto op 30 november 2012 onder [belanghebbende] in beslag is genomen.
De rechtbank stelt vast dat uit het onderzoek van politie blijkt dat het aangetroffen VIN-nummer niet behoort bij deze auto en de auto dus is omgekat.
Het ongecontroleerde bezit van de personenauto met valse VIN-nummers is in strijd met de wet en het algemeen belang (zie: HR NJ 2003, 595). De vordering van de officier van justitie is derhalve op de wet gegrond en voor toewijzing vatbaar.
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36b en 36d van het Wetboek van Strafrecht en artikel 552f van het Wetboek van Strafvordering.
Beslissing
De rechtbank verklaart onttrokken aan het verkeer:
1 personenauto, Mercedes met kenteken [AA-00-BB].”
De klacht dat het oordeel van de Rechtbank dat de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen auto haar grondslag vindt in art. 36d Sr ontoereikend is gemotiveerd, lijkt terecht te zijn voorgesteld. Ik meen echter dat de Rechtbank hier bij kennelijke vergissing heeft verwezen naar art. 36d Sr in plaats van art. 36c Sr. Op grond van art. 36c onder 2° Sr zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan. De Rechtbank heeft vastgesteld, en in cassatie is niet bestreden, dat met betrekking tot de inbeslaggenomen personenauto het in art. 219 Sr omschreven strafbare feit is begaan. Onttrekking aan het verkeer van deze personenauto is op grond van art. 36c Sr dus mogelijk.
Het voorgaande brengt mee dat de beschikking van de Rechtbank zich leent voor verbeterde lezing en dat door die lezing aan het middel de feitelijke grondslag is komen te ontvallen.
Het middel faalt.
5. Het tweede middel
Het middel klaagt dat de Rechtbank niet nader heeft gemotiveerd waarom aan klager geen geldelijke tegemoetkoming is toegekend voor de personenauto die de Rechtbank heeft onttrokken aan het verkeer.
Namens klager is ter zitting in raadkamer verzocht om aan klager een geldelijke tegemoetkoming toe te kennen in verband met de aankoop van de auto en het feit dat klager een WAJONG-uitkering heeft. Ten aanzien van de waarde van de auto is aangevoerd dat de auto getaxeerd is op een bedrag van € 13.000,- en dat klager € 8.000,- voor de auto heeft betaald.
Ingevolge art. 36b lid 2 juncto 33c lid 2 Sr kent de rechter een vergoeding of een geldelijke tegemoetkoming toe wanneer dit nodig is om te voorkomen dat de verdachte of een ander aan wie het voorwerp dat onttrokken is aan het verkeer toebehoort, onevenredig zou worden getroffen.
In aanmerking genomen hetgeen namens klager bij de behandeling in raadkamer is aangevoerd, had de Rechtbank nader moeten motiveren waarom zij de auto onttrokken heeft aan het verkeer zonder toepassing te geven aan art. 36b lid 2 juncto art. 33c lid2 Sr.
Het middel is terecht voorgesteld.
6. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.
7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot terug- of verwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG