ECLI:NL:PHR:2014:2068

ECLI:NL:PHR:2014:2068, Parket bij de Hoge Raad, 28-10-2014, 12/05934

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 28-10-2014
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 12/05934
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2014:3293
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001903 BWBR0001941

Samenvatting

Strafmotivering. Het middel klaagt terecht dat het Hof bij de strafoplegging een veroordeling, die ten tijde van het bestreden arrest niet onherroepelijk was, in aanmerking heeft genomen. Aan het middel is evenwel het belang komen te ontvallen. De Rb heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar t.z.v. “medeplegen van poging tot moord” alsmede “diefstal door twee of meer personen” en “medeplegen van mishandeling”. Tegen deze veroordeling is door verdachte h.b. ingesteld. Het Hof heeft verdachte met vernietiging van het vonnis bij arrest van 7 mei 2013 t.z.v. voormelde feiten wederom veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar. Het door verdachte tegen deze veroordeling ingestelde cassatieberoep is bij arrest van de Hoge Raad van 18 februari 2014 niet-ontvankelijk verklaard. Daardoor is het arrest van het Hof onherroepelijk geworden.

Uitspraak

1. Verzoeker is bij arrest van 30 november 2012 door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch wegens 1. “Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en 2. “Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht weken.

2. Namens verzoeker heeft mr. J.S. Nan, advocaat te Dordrecht, een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat de strafoplegging ontoereikend is gemotiveerd, omdat het Hof daarbij één (of meer) niet-onherroepelijke veroordeling(en) in aanmerking heeft genomen.

4. De bestreden uitspraak houdt voor zover hier van belang het volgende in:

“Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

het gegeven dat het onder 1. bewezen verklaarde de handel in softdrugs bevordert, die (vaak) allerlei maatschappelijk onwenselijke effecten veroorzaakt;

de mate waarin het onder 2. bewezen verklaarde schade teweeg heeft gebracht aan Essent Netwerk B.V., de eigenaar van de weggenomen energie.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

de omstandigheid dat hij blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 oktober 2012, eerder door een strafrechter is veroordeeld;,

de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, in het bijzonder het feit dat verdachte in verband met een eerdere veroordeling tot 5 jaar gevangenisstraf thans voorvluchtig is.

Het hof heeft voor wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij rechterlijke uitspraken met betrekking tot feiten, die met het onderhavige geval vergelijkbaar zijn.

Gelet op het vorenoverwogene, acht het hof het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken passend en geboden.”

5. Het door het Hof genoemde Uittreksel Justitiële Documentatie (UJD) d.d. 18 oktober 2012 bevindt zich bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken. In het middel wordt op zichzelf terecht aangevoerd dat op dit UJD ten aanzien van verzoeker geen onherroepelijke veroordelingen door een strafrechter staan. De enige volledig afgedane zaak op het UJD betreft een CJIB transactie terzake van een verkeersovertreding. Voorts vermeldt dit UJD een veroordeling door de Rechtbank Breda d.d. 21 juli 2011 tot vijf jaren gevangenisstraf (parketnummer 02-811537-10). Deze veroordeling was echter op het moment dat het Hof in de onderhavige zaak arrest wees niet onherroepelijk maar nog in hoger beroep aanhangig. Inmiddels is dat veranderd, nu het Gerechtshof ’s Hertogenbosch in die zaak verzoeker bij arrest van 7 mei 2013 (parketnummer 20-003138-11) wederom tot een gevangenisstraf van vijf jaren heeft veroordeeld en de Hoge Raad verzoeker in zijn tegen dat arrest ingestelde cassatieberoep bij arrest van 18 februari 2014 (zaaknr. 13/02464) niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarmee is de veroordeling onherroepelijk geworden. Dit brengt mee dat het middel niet tot cassatie kan leiden omdat het belang aan de klacht is komen te ontvallen.

6. Voor zover in de toelichting op het middel nog wordt geklaagd dat het Hof niet in aanmerking had mogen nemen dat verzoeker in verband met een eerdere veroordeling tot vijf jaar gevangenisstraf thans voorvluchtig is, faalt het op grond van het voorgaande eveneens. Voorts valt niet in te zien waarom het Hof deze, ter terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2012 aan de orde gekomen omstandigheid, niet in aanmerking had mogen nemen als een de persoon van verzoeker betreffende omstandigheid. Wellicht heeft het Hof (mede) in deze omstandigheid aanleiding gezien om anders dan in eerste aanleg een gevangenisstraf op te leggen in plaats van een taakstraf.

7. Het middel faalt.

8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Deze zaak hangt samen met de zaak met griffienummer 13/02466P, in welke zaak ik heden eveneens concludeer. Vgl. o.m. HR 1 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:824, HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9344, NJ 2011/202 en HR 6 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV7970, NJ 2006/329. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2012 houdt in: “De raadsman deelt het volgende mede. Het heeft een reden dat mijn cliënt er niet is. Het klopt dat hij op de vlucht is voor justitie.”

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?