ECLI:NL:PHR:2014:208

ECLI:NL:PHR:2014:208, Parket bij de Hoge Raad, 28-01-2014, 13/02801

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 28-01-2014
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 13/02801
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2014:704
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830

Samenvatting

HR: 81.1 RO.

Uitspraak

“Overweging met betrekking tot het bewijs

Op 5 augustus 2009 kwamen er omstreeks 15.08 uur via het alarmnummer 112 meerdere meldingen binnen bij de Unit Teleservice van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) te Driebergen, dat er geschoten was op de Zandveldseweg te Nieuwegein nabij de kruising met de Jachtmonde ter hoogte van het winkelcentrum Hoog Zandveld.

Ter plaatse werden twee personenauto's op de rechterrijstrook aangetroffen. Deze auto's stonden achter elkaar. De voorste auto was van het merk Renault Clio, kleur rood en de achterste auto was van het merk Volvo S40, kleur zwart. Liggend op de voorstoelen van de Renault werd het slachtoffer aangetroffen.

De verbalisant [verbalisant 2] die kort na het gebeuren ter plaatse kwam, zag een man staan die met zijn mobiele telefoon aan het bellen was. Nadat de verbalisant zich als politiemedewerker bekend had gemaakt aan deze man, hoorde hij de man zeggen: "Ik geef mij over, want ik heb hem doodgeschoten, mijn wapen ligt nog in de auto." De man, verdachte, is daarop door de inmiddels ter plaatse gekomen politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 3] aangehouden.

De aangehouden man bleek de verdachte [verdachte] te zijn. Het slachtoffer bleek te zijn [slachtoffer]. In de auto van verdachte werd een vuurwapen aangetroffen. In en rondom de auto van het slachtoffer [slachtoffer] werden veertien hulzen aangetroffen. Uit technisch onderzoek bleek dat deze met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn verschoten met het vuurwapen van verdachte.

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] werden acht huidperforaties geconstateerd met het aspect van een schotverwonding en twee letsels met het aspect van een schampschot. Twee schoten betreffen doorschotwonden. Eén van deze doorschotwonden betreft een schot door het hoofd. Voorts werden twee schotkanalen in de linkerarm waargenomen, alsmede drie schotkanalen in de linkerflank en de borstkas van het bovenlichaam. De letsels hebben geleid tot veel inwendige letsels met perforaties van onder andere de lichaamsslagader en de halsslagaders. De patholoog-anatoom heeft geconcludeerd dat het overlijden van [slachtoffer] zonder meer kan worden verklaard door bloedverlies en de opgelopen orgaanschade tengevolge van de schotwonden.

Uit het rapport van deskundige Roepnarain blijkt dat er sporen zijn aangetroffen van een inschotverwonding in het hoofd van [slachtoffer] die wijzen op een schootsafstand van tussen de 10 en 75 centimeter. Andere schotbeschadigingen blijken sporen te vertonen die wijzen op een schootsafstand van tussen de 10 en 150 centimeter.

Verdachte heeft zowel ten overstaan van de politie, als ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep ter terechtzitting van het hof bekend dat hij op 5 augustus 2009 te Nieuwegein meermalen met een vuurwapen kogels van korte afstand gericht heeft afgevuurd op de bestuurder van de Renault Clio, te weten [slachtoffer].

Bewezenverklaring opzettelijke levensberoving

Verdachte heeft erkend dat hij het slachtoffer heeft doodgeschoten. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het opzet gericht op het doden van [slachtoffer] mede volgt uit het feit dat een deel van de schoten van (zeer) dichtbij is afgevuurd op onder meer het hoofd van [slachtoffer] en dat daarbij door verdachte een zwaar kaliber vuurwapen is gebruikt.

Voorbedachte raad

Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij op het moment dat hij het slachtoffer in de buurt van zijn woning aan de Goudfazant te Nieuwegein vermomd op de fiets zag, nog niet zeker wist of dit [slachtoffer] was. Rijdend in zijn auto kwam hem een bordeauxrode auto van het merk Renault Clio tegemoet rijden en herkende verdachte in die auto dezelfde persoon die eerder op de fiets voorbij was gereden. Voorts zag hij dat op de achterkant van die auto een fiets was bevestigd, wat zijn vermoeden dat het om [slachtoffer] ging leek te bevestigen. Verdachte heeft zijn auto gekeerd en is achter de Renault Clio aangereden. Op een gegeven moment stopte deze bij een park. Verdachte heeft verklaard dat ook hij is gestopt en vervolgens is uitgestapt en op de Renault Clio is afgelopen. De bestuurder daarvan is met spinnende wielen weggereden. Verdachte is vervolgens opnieuw achter de Renault Clio aangereden. Op de Zandveldseweg kon verdachte in de Renault Clio kijken en herkende hij de bestuurder op dat moment voor 100 % als [slachtoffer]. Nadat [slachtoffer] ter hoogte van de verkeerslichten op de Zandveldseweg was gestopt is verdachte eveneens gestopt en achter de auto van [slachtoffer] gaan staan. Verdachte heeft verklaard dat hij vervolgens de auto is uitgestapt met een doorgeladen en dus op scherp staand vuurwapen en naar de auto van [slachtoffer] is toegelopen en naar [slachtoffer] een paar keer heeft geroepen: "[slachtoffer], kom uit die auto met je handen op het dak", dat [slachtoffer] rechtop in zijn auto is blijven zitten en niet uit de auto is gekomen en dat hij, verdachte, vervolgens heeft geschoten.

Het hof gaat er op grond van zich in het dossier bevindende verklaringen van getuigen vanuit, dat verdachte reeds bij het park, waar eerder was gestopt en verdachte de auto is uitgestapt, met een vuurwapen in zijn handen op de auto van [slachtoffer] is af gelopen. Het hof baseert dit onder meer op de verklaring van getuige Verhaar, die heeft gezien dat een man uit een donkere auto stapte, een voorwerp uit de auto pakte en dit voorwerp met twee handen voor zich uit vasthoudend in de richting van de rode auto voor hem liep. Toen de man hier vlakbij was, gaf degene in de rode auto gas en reed hard weg.

Verdachte heeft veertien kogels afgevuurd op het slachtoffer. Verdachte heeft verklaard dat hij nadat hij vanaf de bestuurderszijde van de auto van het slachtoffer had geschoten, is omgelopen naar de passagierszijde, maar daar niet heeft geschoten. Getuigen hebben verklaard dat verdachte vanaf de linkerzijde van de auto achterom naar de rechterzijde van de auto is gelopen en vanaf de rechterzijde van de auto een vuurwapen op of in de auto heeft gericht en dat zij knallen hoorden. Het hof gaat er derhalve van uit dat verdachte nadat hij vanaf de linkerzijde (de bestuurderszijde) om de auto heen is gelopen, ook vanaf de rechterzijde (de passagierszijde) op [slachtoffer] heeft geschoten.

Het hof is van oordeel dat de omschreven handelingen van verdachte een aaneenschakeling vormen van keuzemomenten en dat verdachte meermalen de gelegenheid heeft gehad zich te beraden op het te nemen of door hem genomen besluit om [slachtoffer] van het leven te beroven en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij [slachtoffer] niet wilde doodschieten maar slechts staande wilde houden en hem daarom maande uit de auto te komen, maar het hof ziet dit aanroepen van het slachtoffer niet als een reële poging om het slachtoffer uit zijn auto te krijgen en staande te houden, mede gelet op de zeer korte tijdspanne (volgens getuige [getuige 3] nauwelijks 10 seconden) tussen het aanroepen van het slachtoffer en het op hem schieten.

Het hiervoor omschreven gedrag van verdachte voorafgaand aan en tijdens de schietpartij duidt niet op enige panieksituatie. Getuigen hebben bovendien verklaard dat verdachte zich direct voor, tijdens en direct na de schietpartij rustig en kalm heeft gedragen en een koelbloedige indruk maakte.

Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het slachtoffer met voorbedachten raad om het leven heeft gebracht.

Bewezenverklaring

(…)

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

(…)

Verdachte en zijn raadsman hebben een beroep gedaan op noodweer, dan wel noodweerexces en hebben verzocht om verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. [slachtoffer] zou, gelijk nadat verdachte uit zijn auto was gestapt, als eerste op verdachte hebben geschoten die vervolgens zou hebben teruggeschoten.

Het hof acht niet aannemelijk geworden dat [slachtoffer] bij de verkeerslichten op de Zandveldseweg op verdachte heeft geschoten. Verdachte heeft dit slechts als enige verklaard, terwijl er geen feitelijkheden of objectieve aanwijzingen zijn die bevestigen dat [slachtoffer] op dat tijdstip en op die betreffende plek (bij de verkeerslichten) met zijn vuurwapen een schot heeft gelost. Mogelijk is er die dag op een eerder tijdstip door [slachtoffer] met zijn vuurwapen geschoten (er was een niet uitgeworpen huls in het wapen van [slachtoffer] aanwezig), maar dat was dan niet op de plaats waar verdachte op [slachtoffer] heeft geschoten.

De verklaring van verdachte dat hij zeer angstig was voor het slachtoffer en daarom tot zijn handelen is gekomen strookt niet met het gedrag van verdachte, te weten het achterna rijden van een persoon van wie hij dacht dat het [slachtoffer] was zonder dit zeker te weten, het uitstappen in het park en naar diens auto toe lopen, het vervolgens weer achtervolgen van [slachtoffer] en het wederom uitstappen en op [slachtoffer] afgaan, nadat verdachte hem voor 100 % had herkend als [slachtoffer].

De omstandigheid dat [slachtoffer] in de auto is blijven zitten, nadat verdachte met een doorgeladen en op scherp gezet vuurwapen op de auto van [slachtoffer] was afgelopen en hij [slachtoffer] had aangeroepen uit de auto te komen en [slachtoffer] dat niet deed, zonder dat aannemelijk is geworden dat [slachtoffer] toen vanuit zijn auto op verdachte schoot, maakt naar het oordeel van het hof dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachte. Er was aldus geen sprake van een noodweersituatie.

Het hof verwerpt het verweer.

Er is ook overigens geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluit, zodat dit feit strafbaar is.

Strafbaarheid van de verdachte

Noodweer exces

Het feit dat naar het oordeel van het hof geen sprake is geweest van een noodweersituatie staat een beroep op noodweerexces in de weg. Daarom verwerpt het hof het beroep op noodweerexces.

Verdachte is strafbaar aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Weliswaar is door de verdediging een rapportage in het geding gebracht van de door de verdediging ingeschakelde psychiater De Jong, maar de inhoud daarvan kan in de ogen van het hof niet tot de conclusie leiden dat het tenlastegelegde feit verdachte niet kan worden toegerekend, waarop door de verdediging overigens ook geen beroep is gedaan.”

Het middel keert zich tegen de overweging van het hof dat “er geen feitelijkheden of objectieve aanwijzingen zijn” die bevestigen dat [slachtoffer] op dat tijdstip en op die betreffende plek met zijn vuurwapen een schot heeft gelost. Dit oordeel is in het licht van hetgeen de rechtbank eerder heeft vastgesteld en hetgeen door en namens de verdachte in hoger beroep naar voren is gebracht onbegrijpelijk, aldus de steller van het middel.

Met voornoemde overweging heeft het hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de door de verdediging naar voren gebrachte omstandigheden onvoldoende steun bieden voor het scenario waarin door [slachtoffer] als eerste een schot is gelost op de verdachte en dat derhalve dit scenario niet aannemelijk is geworden. De klacht over de begrijpelijkheid van dit oordeel stuit af op de aan het hof als feitenrechter voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal.

Voor zover het middel klaagt over de bewezenverklaring van de voorbedachte raad kan het gelet op het voorgaande evenmin tot cassatie leiden, nu die klacht enkel berust op de door het hof verworpen feitelijke lezing dat het slachtoffer [slachtoffer] op de verdachte heeft geschoten.

Het middel faalt en kan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.

Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?