“Slotpleidooi [verdachte]:
(…)
Ik heb ter zitting het overtuigend en wettig bewijs toonbaar overlegd aan het Hof, van de gepleegde laakbare en/of strafbare gepleegde ambtsmisdrijven van de betrokkenen.
Mijn enige redmiddel was, in protest te komen tegen het ONRECHT wat mij is aangedaan, immers mijn vertrouwenspersonen de voornoemde advocaten en de Reclassering Nederland hebben mij reddeloos in de steek gelaten via een complot met maar 1. Doel, gezagsdragers te dekken en [verdachte] om te turnen van slachtoffer tot verdachte.(…)
1. Ik verzoek het Hof mij vrij te spreken van alle ten laste gelegde feiten en het vonnis/uitspraak politierechter nietig te verklaren
2. Ik verzoek het Hof het openbaar ministerie op andere feiten NIET ONTVANKELIJK te verklaren.
3. Ik verzoek het Hof de opgelegde voorwaarden aan [verdachte] nietig te verklaren, zowel in de zaak van aangever burgemeester A. Aboutaleb, zowel in de zaak van aangever officier van justitie [getuige 9].”
19. Dit kan bezwaarlijk worden opgevat als een standpunt dat tegenover de feitenrechter duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie naar voren is gebracht. Het kennelijke oordeel van het Hof dat van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt geen sprake is geenszins onbegrijpelijk.
20. Het middel faalt.
21. Het vierde middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 14b (oud) Sr de duur van de proeftijd heeft bepaald op drie jaar.
22. In het bestreden arrest is als dictum het volgende opgenomen:
“BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van vaststelling identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd;
stelt als bijzondere voorwaarde dat:
- het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is zich te bevinden in Rotterdam binnen een straal van 100 meter van het gerechtsgebouw te Rotterdam, tenzij hij aldaar dient te verschijnen met betrekking tot een rechtszaak;
- het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is contact te leggen of te laten leggen met [getuige 9];
- het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is zich te bevinden in Schiedam binnen een straal van 500 meter van de woning van [getuige 9];
- niet met sandwichborden om zal lopen, bevattende teksten met betrekking tot [getuige 9];
- geen pamfletten/flyers zal uitdelen of opplakken, bevattende teksten met betrekking tot [getuige 9];
beveelt dat voormelde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn;
(…).
23. Het tweede lid van artikel 14b Sr had ten tijde van de bewezenverklaarde feiten de volgende inhoud:
“De proeftijd bedraagt in de gevallen bedoeld in artikel 14c, eerste lid en tweede lid, artikel 14c, eerste lidonder 3° en 5°, ten hoogste twee jaren en in de overige gevallen ten hoogste drie jaren. De proeftijd kan ten hoogste tien jaren bedragen indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.”
24. De bijzondere voorwaarden die het Hof heeft gesteld betreffen alle het gedrag van de veroordeelde. Die voorwaarde is genoemd in artikel 14c, lid 2 onder 5 (oud) Sr. Ingevolge artikel 14b, tweede lid, (oud) Sr bedraagt de proeftijd dan maximaal twee jaar. Ten onrechte heeft het Hof de proeftijd dus op drie jaar gesteld. Het bestreden arrest kan in zoverre niet in stand blijven. De Hoge Raad zal deze beslissing zelf kunnen corrigeren.
25. Het vijfde middel behelst de klacht dat het Hof in strijd met art. 1 lid 2 Sr de dadelijke uitvoerbaarheid van de bij de veroordeling opgelegde bijzondere voorwaarden heeft bevolen, althans deze beslissing ontoereikend heeft gemotiveerd.
26. Voor hetgeen in het bestreden arrest te dien aanzien in het dictum is opgenomen, verwijs ik naar hetgeen onder 21 is weergegeven.
27. Het bestreden arrest houdt als strafmotivering het volgende in:
“Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich een geruime tijd schuldig gemaakt aan belaging van een officier van justitie, zoals bewezenverklaard. Het feit dat verdachte het niet eens is met een beslissing van het openbaar ministerie, i.c. tot niet vervolging, mag geen reden zijn voor belaging van een officier van justitie. Artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering biedt de mogelijkheid zich te beklagen over een beslissing tot niet vervolging. Wanneer dat rechtsmiddel niet of vergeefs is aangewend, dient de rechtzoekende zich daarbij neer te leggen. Het gaat in een rechtsstaat niet aan om vervolgens het openbare en privéleven van een ambtsdrager te verstoren teneinde op die manier zijn onvrede te betuigen.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 31 juli 2013, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.
Voorts heeft het hof acht geslagen op het rapport van Reclassering Nederland, d.d. 22 februari 2012, waarin het recidiverisico als hoog gemiddeld wordt ingeschat. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte op geen enkele wijze blijk gegeven het laakbare van zijn handelingen in te zien.
Het hof is – alles overwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.”
28. De klacht in het middel dat het dadelijk uitvoerbaar verklaren van de bijzondere voorwaarden in strijd is met het bepaalde in art. 1 lid 2 Sr stuit af op HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5063, NJ 2013/190 waarin is uitgemaakt dat de in art. 14e Sr opgenomen regeling alleen de wijze van tenuitvoerleggen van een door de rechter bepaalde staf betreft, en geen wijziging brengt in de aard of maximale zwaarte van de sanctieoplegging. De onmiddellijke toepassing daarvan, ook bij feiten die voor de wetswijziging zijn begaan, is derhalve niet in strijd met het legaliteitsbeginsel.
29. Voorts klaagt het middel dat de beslissing tot dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden ontoereikend is gemotiveerd nu het Hof – kort gezegd – heeft verzuimd aandacht te besteden aan het ‘gevaarscriterium’ van art. 14e lid 1 Sr.
30. Uit de in de toelichting op het middel aangehaalde Kamerstukken kan inderdaad – zoals de steller van het middel doet – worden afgeleid dat de wetgever de voorwaarde, dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, als een belangrijke waarborg heeft gezien. Voorkeur verdient dan ook dat het Hof in de bestreden uitspraak met zoveel woorden vermeldt welke afweging het Hof ertoe heeft gebracht gebruik te maken van zijn in art. 14e Sr toegekende bevoegdheid de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bijzondere voorwaarde te bevelen. Een expliciete tot de rechter gerichte motiveringsverplichting is op dit punt in de wet echter niet opgenomen.
31. In het bestreden arrest heeft het Hof niet met zoveel woorden vermeld welke afweging het Hof ertoe heeft gebracht gebruik te maken van zijn in art. 14e Sr toegekende bevoegdheid de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bijzondere voorwaarden te bevelen. Zoals hiervoor opgenomen had het de voorkeur verdiend dat het Hof deze afweging wel afzonderlijk en zelfstandig had geëxpliciteerd. Zelfs als een bijzondere motivering op het bedoelde punt vereist zou zijn dan nog zou dat evenwel niet tot cassatie behoeven te leiden omdat het Hof had kunnen volstaan met verwijzen naar de strafmotivering. Deze strafmotivering biedt voldoende aanknopingspunten om de beslissing van het Hof dat er aanleiding is het (blijkens het opleggen van de bijzondere voorwaarden noodzakelijk geachte) contactverbod, straatverbod en – kort gezegd - demonstreerverbod terstond effectief te laten worden. Immers daarin wordt verwezen naar het uittreksel Justitiële Documentatie waaruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk feit, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden het bewezenverklaarde feit te plegen, en het rapport van Reclassering Nederland waarin het recidive risico als hoog gemiddeld wordt ingeschat, waarbij het Hof heeft meegewogen dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op geen enkele wijze blijk heeft gegeven het laakbare van zijn handelingen in te zien.
32. De middelen 1, 2, 3 en 5 falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Middel 4 is tevergeefs voorgesteld als de Hoge Raad zelf de proeftijd op twee jaar wil vaststellen. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
33. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de door het Hof op drie jaar bepaalde proeftijd zal corrigeren naar twee jaar. Voor het overige strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG