Nr. 13/05317
Mr. Machielse
Zitting 7 oktober 2014
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. De enkelvoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte op 19 april 2013 wegens “als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 2, eerste lid, van die wet opgelegde verplichting niet nakomen” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren. Tevens heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde taakstraf van veertien uren.
2. Mr. M.G.M. Frerix, advocaat te Ede, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld. Mr. Th.J. Kelder, advocaat te ‘s-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.
3.1 Het middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte het arrest op de voet van art. 359, derde lid tweede volzin, Sv heeft opgemaakt zonder de bewezenverklaring te doen steunen op de inhoud van wettige bewijsmiddelen, zodat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
3.2 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 april 2013 houdt onder meer het volgende in:
“De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de zaak in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven. De verdachte geeft aan dat het beroep zich richt tegen de bewezenverklaring. (…)
De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven -:
Ik ben het niet eens met het vonnis van de politierechter.[] In de Romacultuur is het een probleem om meisjes van twaalf jaren en ouder bij jongens in een schoolklas te plaatsen. (…) U, voorzitter, vraagt of het klopt dat mijn dochter in de ten laste gelegde periode niet ingeschreven stond bij een school. Ik antwoord dat dit klopt. Dat is heel normaal in onze cultuur.
(…)
Het klopt dat mijn dochter nu nog niet naar school gaat. Ze krijgt wel computerles en Engels. Ik wacht af tot de gemeente een oplossing bedenkt. (…) Ik vind het niet normaal dat ik een werkstraf heb opgelegd gekregen. (…)
De raadsvrouw van verdachte voert het woord ter verdediging en deelt mede - zakelijk weergegeven - :
(…) Het feit zoals dat ten laste is gelegd kan worden bewezen, dat realiseer ik me. Binnen de Romacultuur zijn verschillende stromingen. Niet elke Roma beleeft op dezelfde manier het geloof. Mijn cliënt is religieus van aard. Als [betrokkene 1] naar een gemengde school gaat, dan zou zij binnen haar stroming niet meer dezelfde behandeling krijgen als meisjes die zich wel aan de voorschriften houden. Zij komt dan in contact met jongens en dat levert problemen op. Dit weegt voor mijn cliënt verschrikkelijk zwaar. Ze verknoeit het leven van haar dochter als ze haar naar een reguliere school laat gaan. Ik herhaal het beroep op overmacht dat ik ten overstaan van de kantonrechter heb gedaan. Onder de geschetste omstandigheden heeft cliënt het recht om zelf in te grijpen tegen een onveilig, onrustig schoolklimaat en te zorgen voor rust en veiligheid voor haar dochter. Ze heeft een zorgplicht. Op grond van deze plicht komt haar een beroep in de zin van noodtoestand toe. Ontslag van rechtsvervolging zou moeten volgen. Volgt u deze weg niet, dan verzoek ik u rekening te houden met de gezondheid van mijn cliënt. Ik maak me ernstig zorgen. Wellicht is het mogelijk om de taakstraf voor een deel voorwaardelijk op te leggen. Misschien zal zelfs, gelet op alle omstandigheden en de onhandigheid van de gemeente Ede, toepassing van artikel 9a Sr mogelijk zijn?”
3.3 Het hof heeft vervolgens ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:
“zij op 31 maart 2011 en in de periode van 1 april 2011 tot en met 27 april 2011 in de gemeente Ede, als degene die het gezag uitoefende over de jongere [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats], niet - hoewel zij daarvoor verantwoordelijk kon worden geacht - heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, te zorgen dat die jongere als leerling van een school was ingeschreven.”
3.4 De aantekening van het mondeling arrest houdt onder het kopje “Alle gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring” in:
“De verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend. Derhalve volstaat het hof, met toepassing van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering met een opgave van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen:
1. de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, zakelijk weergegeven:
U, voorzitter, vraagt of het klopt dat mijn dochter in de ten laste gelegde periode niet ingeschreven stond bij een school. Ik antwoord dat dit klopt.
2. Het hiervoor in het proces-verbaal ter terechtzitting onder 1 vermelde proces-verbaal, voor zover inhoudende als relaas van [betrokkene 2], leerplichtambtenaar.”
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting betreft het onder 2. genoemde proces-verbaal “een door [betrokkene 2], leerplichtambtenaar, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, gesloten op 3 mei 2011, met bijlagen”.
3.5 Art. 359, derde lid, Sv, dat op basis van art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing is, luidt als volgt:
“De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit.”
In het licht van de wetsgeschiedenis moet dit artikellid zo worden begrepen dat kan worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, tenzij sprake is van de - zich hier niet voordoende - aan het slot van die bepaling genoemde gevallen. De beantwoording van de vraag of de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend in de zin van genoemde bepaling, is mede afhankelijk van de in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid te toetsen uitleg door de feitenrechter van de door de verdachte afgelegde verklaring.
3.6 De steller van het middel betoogt primair dat het hof verdachte ten onrechte heeft aangemerkt als een bekennende verdachte als bedoeld in art. 359, derde lid tweede volzin, Sv, omdat haar verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende dat zij het niet eens is met de veroordeling door de kantonrechter, dat het in de Romacultuur een probleem is om meisjes van twaalf jaar en ouder bij jongens in een schoolklas te plaatsen en dat het in haar cultuur heel normaal is dat meisjes niet staan ingeschreven bij een school, niet kan worden aangemerkt als een duidelijke en ondubbelzinnige bekentenis op alle onderdelen van het bewezenverklaarde. Hierdoor is ten onrechte volstaan met slechts een opgave van de bewijsmiddelen.
3.7 Artikel 2 van de Leerplichtwet luidt aldus:
"1. Degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, zijn verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt.(...)
2. De in het eerste lid bedoelde verplichtingen gelden niet voor zover de daarin bedoelde personen kunnen aantonen dat zij daarvoor niet verantwoordelijk kunnen worden geacht.
(...)"
"Gezag" moet hier worden verstaan als "een rechtens bestaand gezag" ofwel formeel gezag.
In § 3 van de Leerplichtwet zijn de vrijstellingen opgenomen. Artikel 5 van de Leerplichtwet luidt, voor zover te dezen relevant:
"De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn vrijgesteld van de verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school onderscheidenlijk een instelling staat ingeschreven, zolang (...)
b. zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning - of, indien zij geen vaste verblijfplaats hebben, op alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen hebben".
Een beroep op vrijstelling is ingevolge artikel 6 van de Leerplichtwet slechts mogelijk als de persoon die formeel verantwoordelijkheid draagt voor het kind van bepaalde gegevens binnen een wettelijk bepaalde termijn aan burgemeester en wethouders kennis geeft.
3.8 Nu verdachte niet heeft aangevoerd dat zij aan deze formaliteiten heeft voldaan, waardoor van een vrijstelling van de verplichtingen uit hoofde van de Leerplichtwet 1969 geen sprake kan zijn, heeft het hof het betoog van verdachte niet aldus hoeven op te vatten dat zij, vanwege het bestaan van een vrijstelling, niet verplicht was tot inschrijving van haar kind op een school.
Voor zover de steller van het middel zou willen verdedigen dat een beroep op overmacht zoals verdachte dat heeft verwoord bij aanvaarding tot vrijspraak leidt, wordt de structuur van de Leerplichtwet miskend. Alleen als verdachte alles had gedaan wat redelijkerwijs van haar mocht worden gevergd om ervoor te zorgen dat haar dochter de school bezocht, zou een beroep op overmacht als een ontkenning van de tenlastelegging en dus als bewijsverweer kunnen worden opgevat. Maar op zo'n inspanning beroept verdachte zich niet. Zij doet in feite immers een beroep op een zogenaamd richtingbezwaar, dat evenwel niet aan de formele vereisten voldoet.
Voor zoveel de steller van het middel bedoelt te betogen dat de uitlatingen van verdachte dat zij bezwaren heeft tegen de bewezenverklaring voldoende is om toepassing van het derde lid van artikel 359 Sv te blokkeren, ziet het voorbij aan het feit dat verdachte nog veel meer heeft verklaard. Evengoed als een verdachte ter terechtzitting eerst kan zeggen dat hij het ten laste gelegde bekent om vervolgens in zijn verklaring dieper op de verweten feiten in te gaan en daarbij in wezen het bewijs van een onderdeel van de tenlastelegging betwist, waardoor toepassing van het derde lid van artikel 359 Sv onmogelijk wordt, kan een verdachte eerst in algemene zin ontkennen en vervolgens, meer specifiek ondervraagd, een bekentenis afleggen.
3.9 Maar een vergelijking van de bewezenverklaring met de verklaring die verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, leert wel dat beide niet in alle onderdelen met elkaar overeenstemmen, zoals wel door art. 359, derde lid, Sv wordt verlangd. Verdachte heeft immers wel verklaard dat zij de moeder is van het kind, maar ik lees nergens dat zij ook heeft gezegd dat zij het gezag over het meisje uitoefende zoals is bewezenverklaard.
Dit onderdeel van het middel is mijns inziens in zoverre terecht voorgesteld.
3.10 In de tweede plaats klaagt het middel erover dat de in het bestreden arrest weergegeven opgave van de bewijsmiddelen niet voldoet aan de wettelijke eisen, nu het onder 2. genoemde bewijsmiddel niet een specifieke verwijzing naar een concreet proces-verbaal betreft.
3.11 Het dossier in de onderhavige zaak bevat een proces-verbaal gedateerd 3 mei 2011 en opgemaakt door leerplichtambtenaar [betrokkene 2], met daaraan als bijlage gehecht een verslag van enkele gesprekken die de leerplichtambtenaar sinds maart 2010 heeft gevoerd met verdachte over de schoolgang van haar dochter. De aanhef van dit proces-verbaal vermeldt “Verdacht van vermoedelijke overtreding van artikel 2 en 4 van de Leerplichtwet 1969. Absoluut schoolverzuim”. Naar mijn oordeel kan er geen twijfel over bestaan dat met het onder 2. vermelde bewijsmiddel dit proces-verbaal is bedoeld. Een verwijzing naar de bronnen bijvoorbeeld in de vorm van processen-verbaal, voldoet aan de eis dat opgave gedaan wordt van de bewijsmiddelen.De klacht dat de opgave van dit bewijsmiddel te algemeen van aard is en niet een specifieke verwijzing naar een concreet proces-verbaal betreft faalt daarom.
3.12 Hetgeen tot slot in het middel te berde wordt gebracht treft, gelet op het zo-even overwogene, evenmin doel, nu de wetgever in het derde lid van art. 359 Sv een bijzondere regeling heeft geschapen voor het geval dat de verdachte het bewezene volledig heeft bekend.
4. Het eerste onderdeel van het middel is naar mijn oordeel terecht voorgesteld. De overige onderdelen falen.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden