16. Het eerste middel faalt.
17. Het tweede middel valt uiteen in twee klachten. Volgens de eerste klacht heeft het Hof bij de bewezenverklaring van het feit de grondslag van de tenlastelegging verlaten.
18. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1 primair:
zij in of omstreeks de periode van 22 december 2009 tot en met 19 februari 2010 in de gemeente Heiloo, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk, door middel van verspreiding van een geschrift de eer en de goede naam van [betrokkene 1] en [betrokkene 8] en [betrokkene 3] heeft aangerand door telastelegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers hebben zij, verdachte, en haar mededader met voormeld doel een artikel/weblog op de website van De Volkskrant geplaatst waarin onder andere de volgende passages zijn opgenomen:
- " Wij hebben 25 schriftelijk goed gedocumenteerde aanwijzingen van seksueel misbruik van vier minderjarige zusjes die wonen in Alkmaar (Oudorp, Noord-Holland): [betrokkene 4] (10), [betrokkene 5] (8), [betrokkene 6] (6) en [betrokkene 7] (5).
De kinderen hebben verteld wie de hoofdplegers van het seksueel misbruik zijn. Het zijn: de vader ([betrokkene 3]) en twee grootvaders ([betrokkene 8] en [betrokkene 9])." en
- " Daarbij komt dat bij alle instanties bekend is dat één van de grootvaders, nl. de vader van de moeder ([betrokkene 8]), een incestverleden heeft met zijn dochter (de moeder van de vier kinderen)." En
- " We zijn er bijna drie jaar mee bezig en het seksueel misbruik gaat tot op de dag van vandaag door.", terwijl verdachte en haar mededader wisten dat deze telastegelegde feiten in strijd met de waarheid waren”.
19. Volgens de steller van het middel heeft het Hof de grondslag van de tenlastelegging verlaten door voorwaardelijk opzet voldoende te achten voor “wetende dat” in de zin van art. 262 Sr. Laster is een gekwalificeerde specialis van smaad(schrift). Er is sprake van laster wanneer degene die het misdrijf van smaad(schrift) (art. 261 Sr) pleegt weet dat het bepaalde feit waarvan hij de beledigde beschuldigt in strijd met de waarheid is. In de literatuur bestaat er discussie over de vraag of voorwaardelijk opzet voldoende is voor het bewijs van “wetende dat” of dat er meer wordt gevraagd. De Hullu komt na afweging van argumenten tot de conclusie dat op met name wetssystematische gronden de interpretatie zijn voorkeur geniet dat het bestanddeel “wetende dat” een algemene en gewone uitdrukking voor opzet is, waarvoor in principe het bewijzen van voorwaardelijk opzet toereikend is. Daarbij wijst hij er op dat de Hoge Raad sinds 1993 verschillende heldere, ruime beslissingen heeft genomen over bepaalde delictsomschrijvingen (met name art. 416 Sr en 243 Sr). Uit het arrest HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8673, NJ 2008/318 (over de artt. 362 en 363 Sr) valt af te leiden –ik citeer het in de woorden van De Hullu: “’wetende dat’ is als een omschrijving van opzet bedoeld en onder opzet in het algemeen is voorwaardelijk opzet begrepen, zodat behoudens duidelijke aanwijzingen uit de wetsgeschiedenis voor het tegendeel moet worden aangenomen dat het bestanddeel ‘wetende dat’ opzet in voorwaardelijk vorm omvat.” Of dat ook voor art. 262 Sr geldt, is een vraag die in de jurisprudentie eerder nog geen beantwoording heeft gevonden. In het licht van het bovenstaande is naar mijn oordeel voorwaardelijk opzet voldoende om tot bewijs van het bestanddeel “wetende dat” in de zin van art. 262 Sr te komen.
20. Het Hof heeft de tenlastelegging aldus verstaan, dat voorwaardelijk opzet toereikend is voor het bewijs van het bestanddeel “wetende dat” in de zin van art. 262 Sr. Die uitleg is met de bewoordingen van die tenlastelegging niet onverenigbaar en moet in cassatie worden geëerbiedigd. Uitgaande van die uitleg heeft het Hof de grondslag van de tenlastelegging niet verlaten door bewezen te verklaren dat de verdachte en haar mededader wisten dat de tenlastegelegde feiten in strijd met de waarheid waren. Voor zover het middel hierover klaagt, faalt het.
21. De tweede klacht ziet op de bewijsmotivering van het Hof.
22. Het bestreden arrest houdt onder het kopje “Overweging met betrekking tot het bewijs” het volgende in:
“Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer, dat zij en/of haar medeverdachte het artikel niet geplaatst zouden hebben op de weblog/website van De Volkskrant, wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof merkt hierbij nog op dat uit de blog blijkt:
- dat het artikel op 22 december 2009 is geplaatst door "[emailadres]". Onder het artikel staan de namen van verdachte en zijn echtgenote "[medeverdachte] (moeder en grootmoeder kinderen) en [medeverdachte] (echtgenoot)"; onder het artikel staat het email-adres [emailadres]@hetnet.nl vermeld.
- met "[emailadres]", is diverse malen gereageerd op de reacties van anderen, die op de website waren geplaatst. Als naam onder deze reacties staat vermeld [medeverdachte].
Het hof acht het niet aannemelijk geworden dat het artikel door een ander dan door verdachte en haar medeverdachte op de weblog/website van De Volkskrant is geplaatst. Ook acht het hof het niet aannemelijk dat anderen dan verdachte en/of haar medeverdachte gereageerd zouden hebben op de reacties op de weblog/website. In het artikel en de reacties worden gegevens en specifieke details beschreven waarvan het hof het niet aannemelijk acht dat deze allemaal bekend zijn bij anderen dan verdachte en haar medeverdachte. De inhoud van de berichten sluit precies aan op hetgeen waarmee verdachte en medeverdachte al geruime tijd bezig waren. Het hof heeft hierbij mede gelet op het feit dat verdachte en haar medeverdachte in de civiele procedure bij de rechtbank Alkmaar niet hebben betwist dat het artikel door hen is geplaatst op de weblog/website van De Volkskrant, wat zeker nu er sprake was van een niet onaanzienlijke gevorderde dwangsom toch in de rede gelegen zou hebben.
Voor zover verdachte heeft aangevoerd dat zij weet dat de feiten die in het artikel/weblog zijn opgenomen en die in de brief en de bijlage zijn vermeld, niet in strijd met de waarheid zijn, merkt het hof nog op dat er door het AMK een onderzoek naar eventueel sexueel misbruik van de vier kleindochters van zijn echtgenote heeft plaatsgevonden en dat daarin geen aanwijzingen voor sexueel misbruik zijn gevonden. Verdachte heeft derhalve willens en wetens minstgenomen de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij valse aantijgingen deed.”
23. De steller van het middel acht het oordeel van het Hof niet zonder meer begrijpelijk voor zover het Hof uit de omstandigheid dat bij het onderzoek door het Advies en Meldpunt Kindermishandeling (hierna: AMK) geen aanwijzingen voor seksueel misbruik zijn gevonden, heeft afgeleid dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de valse aantijgingen. Dat het AMK geen aanwijzingen voor misbruik heeft gevonden, maakt nog niet dat het misbruik dan ook niet heeft plaatsgevonden.
24. Voor de beoordeling van de klacht zijn de volgende bewijsmiddelen van belang:
- “7. een op de bij de wet voorgeschreven wijze opgemaakt proces-verbaal - als bijlage gevoegd bij zaaknummer PL10AL 2010048215 (blz. 51 e.v.) - gesloten op 29 maart 2010, door [verbalisant 1], brigadier van politie, inhoudende -zakelijk weergegeven- het relaas van verbalisant:
Door [verdachte] en [medeverdachte] was aangegeven dat zij ook melding hadden gedaan bij het Advies en Meldpunt Kindermishandeling (AMK). Uit navraag bij het AMK bleken zij een onderzoek naar het gezin van [betrokkene 3]/[betrokkene 1] te hebben gedaan. Medegedeeld werd dat het AMK geen aanwijzingen heeft gevonden van seksueel misbruik van de meisjes [van betrokkene 1].”
- “9. een op tegenspraak gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Alkmaar, gedateerd 8 april 2010, door het hof te bezigen als een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344 van het Wetboek van Strafvordering, waarbij verdachte en [betrokkene 1] onder meer zijn veroordeeld om op straffe van verbeurte van een dwangsom het artikel "17 instanties die niets ondernemen tegen het seksueel misbruik van de meisjes [van betrokkene 1]" met alle daarbij horende reacties te verwijderen en verwijderd te houden van het internet, houdende -zakelijk weergegeven- :
[medeverdachte] c.s. hebben onder meer aangevoerd dat zij met hun uitlatingen willen bereiken dat er een lichamelijk en psychologisch onderzoek wordt ingesteld door bijvoorbeeld FORA te Amsterdam naar het seksueel misbruik van de kleinkinderen, hetgeen tot op heden niet heeft plaatsgevonden ondanks alle aanwijzingen die zij in de "biografie" hebben aangevoerd.
Zij hebben benadrukt dat hun meldingen ter zake van het misbruik onvoldoende door verschillende instanties zijn opgepakt, ondanks de duidelijke aanwijzingen die zich in de biografie bevinden. Tot slot hebben zij verklaard dat zij zorgvuldig hebben gehandeld omdat zij degenen die zich in hun ogen schuldig hebben gemaakt aan dit misbruik, niet bij naam en toenaam hebben genoemd. Zo hebben zij [betrokkene 8] slechts aangeduid als "[betrokkene 8]".”
25. Uit met name bewijsmiddel 7 heeft het Hof kennelijk afgeleid dat verdachte ten tijde van haar uitingen wist dat er geen sprake was van seksueel misbruik. De bewijsmotivering bevat hier inderdaad een sprongetje. Dat sprongetje is dat nu een verzoek tot onderzoek van onder meer verdachte geen aanwijzingen opleverde voor seksueel misbruik dat ook betekent dat verdachte dat wist ten tijde van haar uitingen. Evenals kennelijk de steller van het middel kan ik uit het proces-verbaal van het Hof niet afleiden dat de wetenschap in dit opzicht in feitelijke aanleg is betwist. Bij die stand van zaken is het niet onbegrijpelijk dat Hof heeft geoordeeld dat verdachte ten tijde van haar uitingen wist dat geen seksueel misbruik heeft plaatsgevonden. Voor zover er voorts nog over wordt geklaagd dat het Hof de wetenschap dat de uitingen van verdachte niet op waarheid berusten heeft ontleend aan de enkele omstandigheid dat verdachte geen bewijs heeft dat het misbruik wel heeft plaatsgevonden, berust het middel op een verkeerde lezing van het arrest van het Hof. De wetenschap is immers gebaseerd op het ontbreken van enige aanwijzing na gedaan onderzoek naar het misbruik. Met de steller van het middel verschil ik van mening dat voor het bewijs van de wetenschap dat de uitingen onwaar zijn, de persoonlijke overtuiging van verdachte bepalend is. Ook als verdachte er van overtuigd blijft dat er sprake was van seksueel misbruik kan mede op basis van het al vermelde onderzoek worden bewezen dat verdachte wist dat haar mededelingen en berichten over het misbruik van de kinderen op onwaarheid berusten. Een ander standpunt leidt al spoedig tot de conclusie dat een eigenwijze betweter die van haar eigen gelijk overtuigd is zich niet kan schuldig maken aan laster. Dat is niet alleen onwenselijk, maar ook onjuist. Wetenschap en innerlijke overtuiging moeten hier niet worden verward.
27. Het tweede middel faalt in alle onderdelen.
28. Het derde middel klaagt in het bijzonder over schending van de artikelen 262 jo 261, eerst lid, Sr “doordat het hof heeft bewezenverklaard dat requirant de eer en goede naam van (ook) [betrokkene 1] heeft aangerand door telastlegging van bepaalde feiten, terwijl het onderdeel van de bewezenverklaring waarin deze telastelegging wordt verfeitelijkt geen beschuldiging haar aangaande behelst, althans doordat het hof aan de in de telastelegging en bewezenverklaring voorkomende term ‘telastelegging van bepaalde feiten’ een onjuiste en met de wet strijdige betekenis heeft toegekend en het hof tengevolge hiervan niet heeft beraadslaagd en beslist op de grondslag van de tenlastelegging”.
29. Het primair deel van het middel is dat de inhoud van de door verdachte geuite onware beschuldiging jegens [betrokkene 1] in de tenlastlegging ontbreekt. Voor zover het middel inhoudt dat er een gebrekkige opgave van het feit is als bedoeld in art. 261, eerste lid, Sv, omdat de tenlastelegging naast een (louter) kwalificatief deel niet tevens een feitelijk deel bevat, geldt dat nu in feitelijke aanleg niet is geklaagd over de geldigheid van de dagvaarding deze klacht niet voor eerst in cassatie aan de orde kan worden gesteld.
30. De steller van het middel gaat er terecht vanuit dat voor een veroordeling van laster ter zake van [betrokkene 1] moet worden bewezen dat verdachte haar beschuldigt van een door haar (en dus niet een ander zoals de in de tenlastlegging genoemde ex-man of grootvaders) gepleegd feit. In de woorden van het bewezenverklaarde feit: (…) de eer en de goede naam van [betrokkene 1] (…) heeft aangerand door telastelegging van bepaalde feiten (…)”. Dat het verwijt jegens verdachte inhoudt dat zij ook [betrokkene 1] misbruik van de kinderen verwijt is in de tenlastelegging en dus ook in de bewezenverklaring niet in feitelijke termen omschreven, maar kennelijk was die beschuldiging voor verdachte duidelijk, zodat zij er zich tegen kon verdedigen. Of verdachte indertijd in het kader van de berechting door het Hof heeft begrepen dat haar ook het in strijd met de waarheid beschuldigen van [betrokkene 1] van misbruik van haar kinderen werd verweten, hangt samen met factoren van feitelijke aard. Zo kan een rol spelen of de nogal juridische bewoordingen in de tenlastelegging in de context van het voorliggende en voor verdachte toegankelijk strafdossier duidelijk zijn. De tenlastelegging heeft het Hof kennelijk zo gelezen en kunnen lezen dat met de woorden ‘het bepaalde feit’ het misbruik van de kinderen was bedoeld. Hierbij heeft het Hof kennelijk verondersteld dat aan de in de tenlastelegging gebezigde bewoordingen ‘door telastelegging van bepaalde feiten’ (voor zover het [betrokkene 1] betreft) tevens enige feitelijke betekenis toekomt. Dat lijkt mij in de context van de onderhavige zaak verdedigbaar nu alles, maar dan ook alles in deze zaak draait om de onware beschuldiging van misbruik van de kinderen. Er is geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat [betrokkene 1] van iets anders dan (betrokkenheid bij) seksueel misbruik van haar kinderen wordt beschuldigd. Het gaat dan per saldo ook hier om een op zodanige wijze tenlastegelegd feit, dat het een duidelijk te onderkennen concrete gedraging aanwijst.
31. Uit de bewijsmiddelen komt in ieder geval naar voren dat verdachte [betrokkene 1] beschuldigt van dat misbruik en de tenlastegelegde woorden “ (…) de eer en de goede naam van [betrokkene 1] (…) heeft aangerand door telastelegging van bepaalde feiten (…)” heeft het Hof op grond van de bewijsmiddelen kunnen bewijzen. Het in de aanvulling als eerste genoemde bewijsmiddel (ten aanzien van het bewezenverklaarde) is een verklaring van [betrokkene 1] en die houdt voor zover hier van belang in: “Mijn moeder en haar man (gedoeld wordt daarmee onder meer op verdachte; PV) beschuldigen mij al drie jaar van seksueel misbruik van mijn dochters.”
32. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, is het Hof in deze zaak dus niet van de rechtsopvatting uitgegaan dat van laster ook sprake kan zijn indien de eer of goede naam van iemand wordt aangetast door een onware beschuldiging aan het adres van iemand anders. Die rechtsopvatting lijkt mij inderdaad in het algemeen niet juist. Het Hof heeft daar dan ook niet voor gekozen, maar de tenlastelegging kennelijk en niet onbegrijpelijk zo gelezen dat daarin besloten ligt dat verdachte ook [betrokkene 1] heeft beschuldigd van (betrokkenheid bij) het misbruik van de kinderen. Nu dat kan worden bewezen, faalt de klacht in alle onderdelen.
33. Voor het geval de Hoge Raad het middel gegrond acht, wijst de steller van het middel op de mogelijkheid dat die gegrondheid mogelijk nog niet tot cassatie hoeft te leiden. In de lijn van ECLI:NL:HR:2013:BZ9287 zou kunnen worden geoordeeld dat de woorden ‘[betrokkene 1] en’ als een kennelijke misslag in de bewezenverklaring van beide feiten is opgenomen. In voorkomend geval lijkt dit wel een begaanbare weg en er is inderdaad een civiel belang bij een uitdrukkelijke overweging over een dergelijke misslag.
34. Het derde middel faalt.
35. Het vierde middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring van het medeplegen niet (zonder meer) uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid zodat het bewijsoordeel ontoereikend is gemotiveerd.
36. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het ’s Hofs motivering ten aanzien van de bewezenverklaring van het tezamen en in vereniging met een ander plegen van laster ontoereikend is omdat het Hof de betrokkenheid van verdachte slechts heeft afgeleid uit de plaatsing van de naam van verdachte onder het op 22 december 2009 geplaatste artikel, terwijl voor het overige alles in de richting van medeverdachte wijst. Dit is volgens de steller van het middel aldus onvoldoende om van ‘nauwe en bewuste samenwerking’ te spreken.
37. De steller van het middel gaat er aan voorbij dat het Hof de nauwe en bewuste samenwerking niet alleen heeft afgeleid uit de plaatsing van de naam onder het voornoemde artikel, maar in het bijzonder gelet op de overweging met betrekking tot het bewijs in het arrest uit de vaststelling dat in het artikel en de reacties onder dit artikel specifieke gegevens en specifieke details worden beschreven waarvan het Hof het niet aannemelijk acht dat deze allemaal bekend zijn bij anderen dan verdachte en haar medeverdachte. Bovendien heeft het Hof uitdrukkelijk overwogen dat de inhoud van de berichten precies aansluiten bij hetgeen waarmee verdachte en haar medeverdachte al geruime tijd bezig waren. In ieder geval geeft bewijsmiddel 9 de doorslag in samenhang met hetgeen daaromtrent nog door het Hof is overwogen, te weten dat verdachte en haar medeverdachte in de civiele procedure bij de rechtbank Alkmaar niet hebben betwist dat het artikel door hen is geplaatst op de weblog/website van de Volkskrant, wat volgens het Hof gelet op de niet onaanzienlijke gevorderde dwangsom toch in de rede zou hebben gelegen. Het middel berust derhalve op een onvolledige lezing van de overwegingen van de bestreden uitspraak van het Hof en mist daardoor feitelijke grondslag.
38. Het vierde middel faalt.
39. De middelen falen en in ieder geval het vierde middel kan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.
40. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.
41. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaalbij de Hoge Raad der Nederlanden
AG