4. Het eerste en het tweede middel
Over het eerste en het tweede middel kan ik kort zijn. Het eerste middel faalt, omdat het Hof het verweer van de raadsman dat het medeplegen enkel blijkt uit de verklaring van de verdachte zelf, niet had hoeven op te vatten als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv. Voor zover het tweede middel, dat de niet nader toegelichte klacht bevat dat het bewezenverklaarde medeplegen “naar [verdachte] meent” niet uit de bewijsmiddelen volgt, als een middel van cassatie kan worden aangemerkt, faalt het eveneens.
5. Het derde middel
Het middel klaagt dat het Hof ter zake van een vordering tot tenuitvoerlegging in plaats van een eerder aan verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken een taakstraf voor de duur van dertig uren met een subsidiaire straf van vijftien dagen hechtenis heeft gelast. Die subsidiaire straf van vijftien dagen zou zwaarder zijn dan de oorspronkelijke straf van twee weken omdat zij een vrijheidsbeneming van langere duur meebrengt.
Over de vraag of de duur van de vervangende hechtenis in geval van toepassing van art. 14g lid 2 Sr wordt gemaximeerd door de duur van de vrijheidsstraf waarvan de tenuitvoerlegging wordt gelast, heb ik in de wetsgeschiedenis, de jurisprudentie en de literatuur niets van belang gevonden. Het uitgangspunt waarop het middel berust, namelijk dat de in het kader van een vordering tenuitvoerlegging te geven last de voorwaardelijk opgelegde straf niet mag verzwaren, komt mij juist voor. Een andere vraag is of in dit geval van een dergelijke verzwaring sprake is. Gelet op art. 61 lid 1 jo. art. 9 Sr zou ik die vraag ontkennend willen beantwoorden. Gevangenisstraf geldt, ongeacht de duur daarvan, als zwaarder dan (vervangende) hechtenis.
Deze formele benadering zal niet iedereen aanspreken. Ik merk daarom nog op dat ik me gevallen kan voorstellen waarin het verschil in duur tussen de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf en de vervangende hechtenis die wordt gelast zo groot is, dat de gegeven last als onbegrijpelijk moet worden aangemerkt. Een dergelijk geval doet zich hier, nu het verschil niet meer dan een dag bedraagt, echter niet voor.
Het middel faalt.
6. De middelen falen. Het eerste en het tweede middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG