1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft bij vonnis van 22 mei 2013 de verdachte ter zake van “medeplegen van heling” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 360 dagen, waarvan 336 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals in het vonnis omschreven.
2. Namens de verdachte heeft mr. A.F. van Toll, advocaat in Bonaire, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te Den Haag, bij schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep nietig is, nu uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal van de terechtzitting van 2 mei 2010 niet blijkt dat aan de verdachte het recht is gelaten het laatste woord te spreken.
4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 mei 2010 houdt in, voor zover hier van belang:
“requisitoir
De procureur-generaal voert het woord, leest zijn vordering voor en legt die aan de voorzitter over. Hij vordert dat het Hof het vonnis van de eerste rechter om formele redenen zal vernietigen, maar opnieuw recht doet conform de inhoud van voornoemd vonnis.
pleidooi
De raadsvrouw voert het woord tot verdediging conform de door haar overgelegde pleitnota. Deze wordt aan dit proces-verbaal gehecht.
repliek en dupliek
De procureur-generaal en de raadsvrouw persisteren bij hetgeen zij reeds hebben aangevoerd.
sluiting van het onderzoek ter zitting/datum uitspraak
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mee, dat volgens beslissing van het Hof de uitspraak zal plaatsvinden ter openbare terechtzitting van het Hof van woensdag 22 mei 2013 in Bonaire.”
5. Art. 311, vierde lid, Sv geldt ingevolge art. 415, eerste lid, Sv ook in hoger beroep en luidt als volgt:
“Aan de verdachte wordt op straffe van nietigheid het recht gelaten om het laatst te spreken.”
6. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat aan de verdachte het recht is gegeven het laatst te spreken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat het in het vierde lid van art. 311 op straffe van nietigheid gegeven voorschrift niet in acht is genomen. Dat de verdediging als laatste aan het woord is geweest en dat de verdachte noch haar aanwezige raadsman hebben geprotesteerd tegen de sluiting van het onderzoek zonder aan de verdachte het laatste woord te geven, brengt niet mee dat sanctionering achterwege kan blijven.
7. Het middel slaagt.
8. Ik meen dat gelet op het voorgaande de overige middelen geen bespreking behoeven. In het geval Uw Raad evenwel hieromtrent nader geïnformeerd wenst te worden, ben ik uiteraard bereid aanvullend te concluderen.
9. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, en terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG