[verdachte]
Nr. 13/02212
Mr. Vegter
Zitting 11 februari 2014
Standpunt/conclusie inzake:
1. Het cassatieberoep richt zich tegen een beslissing van het Gerechtshof te Den Haag van 26 april 2013. Er is tijdig een schriftuur houdende een middel van cassatie ingekomen.
2. Het middel heeft betrekking op de volgende overweging van het Hof: “De verdachte is ter terechtzitting in eerste aanleg in persoon verschenen. De verdachte had derhalve binnen veertien dagen na het op 27 augustus 2012 gewezen vonnis in hoger beroep moeten komen. De verdachte heeft echter eerst op 13 september 2012 hoger beroep ingesteld, zodat hij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.” Volgens het middel is de beslissing om verdachte in het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd nu tijdig en wel op 10 september 2012 bij faxbericht de griffier bij het Hof ’s-Gravenhage is gemachtigd beroep in te stellen.
Van een administratieve vergissing bij de griffie van het Hof blijkt niet; evenmin blijkt dat de griffier van het Hof de gemachtigde advocaat pas na het verstrijken van de beroepstermijn op de hoogte heeft gesteld van diens vergissing. Wel blijkt dat de daartoe gemachtigde advocaat alsnog op 13 september 2012 naar de Rechtbank Den Haag een faxbericht heeft verzonden met een machtiging aan de griffier om beroep in te stellen. De beslissing van het Hof dat het beroep te laat is ingesteld is juist en toereikend gemotiveerd.
3. Het standpunt is dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het beroep in cassatie nu het middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG