ECLI:NL:PHR:2014:2739

ECLI:NL:PHR:2014:2739, Parket bij de Hoge Raad, 02-12-2014, 13/00435

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 02-12-2014
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 13/00435
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2015:205
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830

Samenvatting

Noodweerexces. Art. 41.2 Sr. ’s Hofs oordeel dat onder de gegeven omstandigheden kon en mocht worden gevergd dat de verdachte zich zou onttrekken aan de confrontatie met de politieambtenaar X geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het oordeel draagt de verwerping van het verweer zelfstandig.

Uitspraak

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De raadsvrouwe van de verdachte heeft ter terechtzitting desgevraagd uitdrukkelijk verklaard dat de verdachte zich, anders dan in de door de raadsvrouwe ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen en aan het hof overgelegde pleitnota is venneld, niet beroept op noodweer.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

(…)

Strafbaarheid van de verdachte

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat verdachte een geslaagd beroep op noodweerexces kan doen, nu het door hem toegepaste geweld een reactie is geweest op het geweld van [verbalisant 1] jegens de verdachte en op het geweld jegens de moeder van de verdachte, die zich volgens de verdachte mengde in de confrontatie tussen de verdachte en [verbalisant 1] en daarbij op de grond terecht is gekomen. Hierbij is sprake van twee directe wederrechtelijke aanrandingen waarop de verdachte in de verdediging schoot en heeft geduwd, aldus de raadsvrouwe. Gelet op zijn gemoedstoestand, veroorzaakt door deze wederrechtelijke aanrandingen, kon - zo begrijpt althans het hof - van de verdachte niet worden verwacht dat hij niet zou ingrijpen en zijn moeder op de grond zou laten liggen.

Het hof is van oordeel dat, zelfs al zou er sprake zijn geweest van de gestelde wederrechtelijke aanrandingen, er in de omstandigheden van dit geval geen noodzakelijke verdediging door de verdachte daartegen was geboden. Van de verdachte mocht en kon worden verwacht dat hij zich zou onttrekken aan zijn confrontatie met [verbalisant 1]. Dit is door de verdediging ook met zoveel woorden erkend. Waar dit voor de verdachte geldt, geldt dit eens te meer voor verdachtes moeder. Er was voor haar geen noodzaak om zich uit eigen beweging in het handgemeen te mengen. Zij had zich, ook zonder de hulp van de verdachte, afzijdig kunnen houden en buiten het strijdgewoel.

Ook overigens acht het hof niet aannemelijk dat er voor de verdachte geen andere mogelijkheid heeft bestaan dan te handelen volgens het bewezenverklaarde.

Nu het hof geen noodzaak tot verdediging aanwezig acht, kan ook het beroep op noodweerexces niet slagen.”

Voor de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn als:

a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, dan wel indien

b. op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

Als van een verdachte, bijvoorbeeld op grond van eigen voorafgaande gedragingen, kan worden gevergd dat hij zich aan geweldpleging door een ander onttrekt, zal een beroep op noodweer niet opgaan en, omdat de verdediging niet noodzakelijk is, evenmin een beroep op noodweerexces. Een beroep op noodweerexces zal evenmin slagen als de gedraging van degene die zich daarop beroept op grond van diens bedoeling noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als verdedigend, maar – naar de kern bezien – als aanvallend, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie.

Als verbalisant [verbalisant 1], zoals het hof uitdrukkelijk in het midden heeft gelaten, niet proportioneel en niet professioneel heeft gehandeld, is het gebruik van geweld door deze verbalisant jegens verdachte niet gerechtvaardigd geweest. De noodzaak en proportionaliteit van het optreden van politiefunctionarissen zijn immers relevant voor de beoordeling of zich omstandigheden voordoen waardoor hun optreden niet meer rechtmatig is. De politieambtenaar mocht onder de gelding van artikel 8 lid 1 Politiewet 1993 slechts geweld gebruiken wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kon worden bereikt. Maar dat betekent niet automatisch dat dús een beroep op noodweer(exces) van degene die daarop reageert aanvaardbaar is.

Het hof heeft vastgesteld dat de vechtpartij haar aanleiding vond in de gedragingen van verdachte. Ook heeft het hof vastgesteld dat verbalisant [verbalisant 1] zich door het optreden van verdachte bedreigd voelde en hem heeft gewaarschuwd. Gelet daarop is het oordeel van het hof dat van verdachte – die behoorlijk wat alcohol had gedronken en xtc had geslikt – mocht en kon worden verwacht dat hij de confrontatie met [verbalisant 1] niet behoorde aan te gaan niet onbegrijpelijk, mede gelet op de omstandigheid dat deze verbalisant zich nog op zijn motor en dus in een kwetsbare positie jegens verdachte bevond wiens nadering door verbalisant als intimiderend en bedreigend is ervaren. Kennelijk heeft het hof in de gedragingen die verdachte daarna nog heeft gepleegd, het duwen zodat verbalisant ten val kwam en het vervolgens schoppen en slaan van verbalisant, een voortzetting gezien van een eerder agressief gedrag en niet een handelen dat werd gedragen door een hevige emotie die door een wederrechtelijke aanranding zou zijn veroorzaakt.

Dat verdachte in een hevige gemoedsbeweging zou hebben gereageerd op een wederrechtelijke aanranding van zijn moeder kan hem evenmin baten, omdat ook voor haar gold dat zij niet in een situatie verkeerde waarin haar zoon zich op noodweer zou kunnen beroepen.

Het middel faalt.

Het tweede middel klaagt dat de bewijsmiddelen niet redengevend zijn voor de bewezenverklaring. Volgens de steller van het middel biedt de bewijsvoering geen steun voor de aanname dat verdachte een significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld dat vervolgens tegen verbalisanten werd uitgeoefend.

Het hof heeft vastgesteld dat verbalisant [verbalisant 1] door verdachte en omstanders is vastgepakt en naar de grond gewerkt. Vervolgens is [verbalisant 1] vele malen met kracht tegen zijn hoofd en rug geschopt. Verbalisant [verbalisant 3] heeft waargenomen dat zijn collega [verbalisant 1], op de grond liggend, door verdachte werd geschopt en dat ook zijn collega [verbalisant 2] op de grond lag en werd geschopt en geslagen door anderen. [getuige] heeft gezien dat de vader van verdachte, [betrokkene 1], met verbalisant [verbalisant 1] aan het vechten was, dat verdachte hem hielp en ook sloeg.

Uit deze bewijsmiddelen heeft het hof kunnen afleiden dat verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen.

Het middel faalt.

Het derde middel klaagt over schending van de redelijke termijn. Het cassatieberoep is op 28 november 2012 ingesteld en het dossier is eerst op 18 december 2013 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.

De in de schriftuur genoemde data zijn correct. Dat betekent dat de door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn met vier maanden en twintig dagen is overschreden. Op het moment dat deze conclusie wordt genomen, is tevens sinds het instellen van het cassatieberoep meer dan twee jaar verlopen. De Hoge Raad zal de straf wegens deze schending van de redelijke termijn zelf kunnen verminderen.

6. Het derde middel is gegrond, hetgeen tot een vermindering van de opgelegde straf aanleiding behoort te geven. De overige middelen falen. Het tweede middel kan naar mijn mening met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

7. Deze conclusie strekt tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?