5. Aan de schriftuur is gehecht een fotokopie van een gewaarmerkt “Uittreksel Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens” van de gemeente Grootegast van 3 maart 2014, inhoudende:
“Uit de basisadministratie van de gemeente Grootegast blijkt, dat de hieronder vermelde persoon staat ingeschreven:
Naam : [verdachte]
Voorna(a)m(en) : [...]
Geboren op : 1970
Geboortegemeente : [geboorteplaats]
Adres : [c-straat 1]
Sedert : 6 november 2012
Woonplaats : [...] [plaats]”
6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 september 2013 houdt in dat de verdachte aldaar niet is verschenen, dat de voorzitter constateert dat de betekening van de dagvaarding correct is geschied en dat het hof op vordering van de advocaat-generaal bij het hof verstek tegen de verdachte verleent.
7. Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich niet een Uittreksel uit de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens. Kennelijk heeft het hof zijn oordeel dat van de verdachte ten tijde van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was gebaseerd op de vermelding daarvan in de hiervoor genoemde ID-staten SKDB. Gelet op de inhoud van de hiervoor onder 5 genoemde kopie van het Uittreksel uit de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens moet de vermelding in de ID-staten SKDB voor onjuist worden gehouden. Uit het Uittreksel uit de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens blijkt immers dat de verdachte toen in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens stond ingeschreven op het adres [c-straat 1] te [plaats], terwijl er geen reden is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van dit document. Daardoor rijst het ernstige vermoeden dat het oordeel van het hof dat de oproeping in hoger beroep rechtsgeldig is betekend op een onjuiste feitelijke grondslag berust. De Hoge Raad kan de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep om doelmatigheidsredenen zelf nietig verklaren.
8. Het middel slaagt.
9. Het tweede middel, dat in de kern klaagt dat art. 51 Sv niet is nageleefd, faalt. Uit de stukken blijkt niet dat zich in hoger beroep een raadsman heeft gesteld conform art. 39, eerste lid Sv. Deze zogenaamde stelbrief geldt voor één aanleg. De ratio van de regeling is dat de bevoegde autoriteiten op de hoogte worden gesteld van het feit dat er een raadsman voor verdachte optreedt, zodat deze ook als zodanig wordt behandeld en erkend. Weliswaar is een stelbrief geen voorwaarde om als raadsman op te treden en kan ook uit enig ander stuk in het dossier blijken dat de verdachte is voorzien van rechtsbijstand, de appelakte waarin staat vermeld dat namens de verdachte door een advocaat het rechtsmiddel is aangewend, is, anders dan de steller van het middel meent, niet aan te merken als een dergelijk stuk. De advocaat die het rechtsmiddel instelt hoeft immers niet de raadsman te zijn die de verdachte ook daarna zal bijstaan. In het middel wordt niet gesteld dat er zich nog een ander stuk in het dossier zou bevinden, waaruit het hof had moeten opmaken dat verdachte in hoger beroep door een raadsman werd bijgestaan.
10. Het eerste middel is terecht voorgesteld. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG