“hij op 06 april 2012 te Utrecht, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 tot ongewenst vreemdeling was verklaard”.
5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“- Als verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Utrecht van 18 april 2012, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Ik weet dat ik niet in Nederland mag komen. Ik ben toch naar Nederland gegaan.
- Uit de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de politie Utrecht, regionale vreemdelingenpolitie, genummerd PL0987 2012078021, opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, gesloten op 10 april 2012:
1. Een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden hoofdagent van politie, gesloten op 6 april 2012, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blz. 16 e.v.):
Op 6 april 2012 surveilleerden wij per opvallende politieauto en in politie-uniform gekleed op de openbare weg te Utrecht. Wij reden over de Korte Minrebroederstraat te Utrecht. Wij zagen dat er op het bankje bij het gemeentehuis twee manspersonen stonden. Wij zagen dat de personen in het bezit waren van een fles geopende alcoholhoudende drank. Ik herkende de fles als zijnde een fles vieux dan wel whisky. Het drinken of het geopend bij zich hebben van alcoholhoudende drank is strafbaar in de algemene plaatselijke verordening van de gemeente Utrecht. De verdachten hadden de geopende fles bij zich in het aangewezen gebied. Hierop hebben wij de personen staande gehouden. Ik, [verbalisant 2], vorderde van de verdachten de inzage van een geldig identiteitsmiddel. Ik zag dat beide verdachten mij een Poolse identiteitskaart overhandigden. Hieruit bleek dat de verdachte met de volgende gegevens:
[verdachte],[geboortedatum] te Polen,
gesignaleerd staat voor:- 5 onherroepelijke vonnissen;- Artikel 197 Wetboek van Strafrecht.
Hierop hielden wij de verdachte, op verdenking van het overtreden van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, op heterdaad ontdekt, aan.
2. Als schriftelijk bescheid, een beschikking van de Minister voor Immigratie en asiel betreffende verdachte, strekkende tot ongewenstverklaring van verdachte (blz. 28 e.v.), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
[…] Motivering van de beschikking
Burgers van de Unie, onderdanen van de EER en onderdanen van Zwitserland, evenals hun gezinsleden ongeacht hun nationaliteit, genieten rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet, tenzij zij verblijf houden in strijd met een beperking op grond van een regeling vastgesteld krachtens het EG verdrag of de overeenkomst EG-Zwitserland. Gebleken is dat betrokkene de Poolse nationaliteit heeft en burger van de Unie is, als bedoeld in artikel 8.7, eerste lid van het Vreemdelingenbesluit.
VerblijfsbeëindigingOp grond van artikel 27, eerste lid, van Richtlijn 2004/38/EG kunnen de lidstaten van de Europese Unie de vrijheid van verkeer en verblijf van burgers van de Unie en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, beperken om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid. Uit het tweede lid van bovengenoemd artikel volgt dat de om redenen van openbare orde of openbare veiligheid genomen maatregelen in overeenstemming moeten zijn met het evenredigheidsbeginsel en uitsluitend gebaseerd op het persoonlijk gedrag van betrokkene. Beperkende maatregelen kunnen uitsluitend genomen worden indien het gaat om gedragingen die een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Strafrechtelijke veroordelingen vormen op zichzelf geen reden voor deze maatregelen. Ingevolge artikel 8.22, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 kan Onze Minister het rechtmatige verblijf ontzeggen of beëindigen om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, indien het persoonlijke gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Het beleid ter zake van de ongewenstverklaring van EU-/EER onderdanen, Zwitserse onderdanen en familieleden is neergelegd in hoofdstuk A5/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
Het criterium actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving bestaat uit een samenstel van factoren. De gedraging moet terug te voeren zijn op de persoon van betrokkene en dient strafrechtelijk verwijtbaar te zijn. Verder is van belang dat van het gedrag van betrokkene nog altijd een bepaalde bedreiging uitgaat.
Hierbij doet het bestaan van een strafrechtelijk verleden ter zake, indien hieruit een recidivegevaar kan worden afgeleid of de laatste veroordeling recentelijk heeft plaatsgevonden. Daarnaast kan ook de persoonlijke situatie van betrokkene ter zake doen als daaruit een zekere mate van voorspelbaar gedrag kan worden afgeleid. De beoordeling of sprake is van een voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving, kan in geval van een strafrechtelijke veroordeling worden afgeleid uit de opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf afgezet tegen de maximale strafbedreiging. Als regel kan worden aangenomen dat misdrijven tegen de veiligheid van de staat, misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid, misdrijven tegen het leven gericht, zware mishandeling, diefstal met geweld, misdrijven op grond van de Opiumwet en afpersing als bedreiging voor fundamentele belangen van de samenleving worden gekenschetst. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie is gebleken dat betrokkene meerdere malen onherroepelijk is veroordeeld ter zake door hem gepleegde misdrijven. Betrokkene is
• Op 2 november 2010 door de Politierechter Utrecht onherroepelijk veroordeeld tot 2 weken gevangenisstraf wegens het overtreden van art 310 van het Wetboek van Strafrecht.• Op 29 oktober 2010 door de Politierechter Utrecht onherroepelijk veroordeeld tot 1 week gevangenisstraf wegens het overtreden van art 310 en art 311 lid 1 ahf/sub 4 van het Wetboek van Strafrecht.• Op 20 mei 2010 door de Politierechter Utrecht onherroepelijk veroordeeld tot 3 weken gevangenisstraf ter zake het overtreden van art 310 en art 311 lid 1 ahf/sub 4 van het Wetboek van Strafrecht.• Op 6 maart 2010 door de Politierechter Utrecht onherroepelijk is veroordeeld tot 3 weken gevangenis wegens liet overtreden van art 326, art 47 lid 1 ahf/sub 1, art 45 lid 1, art 310 en art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht.• Op 17 juni 2010 door de Politierechter 's-Gravenhage onherroepelijk is veroordeeld tot 3 weken gevangenisstraf wegens het meermalen overtreden van art 310, art 311 lid 1 ahf/sub 4, art 417 bis lid 1 ahf/ond a, art 47 lid 1 ahf/sub 1 van liet Wetboek van Strafrecht.• Op 12 maart 2009 door de Politierechter Haarlem onherroepelijk is veroordeeld tot 23 dagen hechtenis en 15 maanden ontzegging van de rijbevoegdheid wegens het overtreden van art 8 lid 3 ahf/ond a, art 8 lid 4, art 107 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994
Naast bovenstaande veroordelingen door de Politierechter is betrokkene op 31 mei 2011 ook meerdere malen door de Kantonrechter onherroepelijk veroordeeld, namelijk
• Wegens overtreding van art 453 Wetboek van Strafrecht op 2 oktober 2009 te Den Haag• Wegens overtreding van art 453 Wetboek van Strafrecht op 16 november 2009 te Den Haag• Wegens overtreding van art 426 lid 1 Wetboek van Strafrecht op 28 september 2009 te Den Haag• Wegens overtreding van art 453 Wetboek van Strafrecht op 23 januari2010 te Den Haag• Wegens overtreding van art 453 Wetboek van Strafrecht op 23 maart 2010 te Amsterdam• Wegens overtreding van art 453 Wetboek van Strafrecht op 14 november 2009 te Utrecht• Wegens overtreding van art 453 Wetboek van Strafrecht op 16 december 2009 te Utrecht• Wegens overtreding van art 453 Wetboek van Strafrecht op 15 december 2009 te Utrecht.
Betrokkene was per 16 mei 2011 tot aan 6 juni 2011 gedetineerd in de Pl Arnhem. Per 20 juni 2011 is betrokkene wederom gedetineerd. Hij verblijft momenteel in de Pl Utrecht te Nieuwegein, daar betrokkene op 8 juni 2011 is aangehouden wegens [h]et overtreden van art 310 Wetboek van Strafrecht te Utrecht. Betrokkene is gedagvaard. Om te bepalen of betrokkene ongewenst kan worden verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b van de Vreemdelingenwet wordt alleen naar de onherroepelijke veroordelingen gekeken. Om te bepalen of het verblijf van betrokkene kan worden beëindigd wordt ook naar de niet onherroepelijke veroordelingen en naar de overtredingen van betrokkene gekeken, daar dit een goed beeld schetst van [h]et persoonlijke gedrag van betrokkene. Het steeds weer terugkerende en herhalende patroon van het plegen van vermogensdelicten door betrokkene en het zich elke keer weer in kennelijke staat van dronkenschap op de openbare weg bevinden geeft een goede indruk van het persoonlijke gedrag van betrokkene. Ingevolge de jurisprudentie van het Hof van Justitie doet het bestaan van een strafrechtelijke veroordeling slechts ter zake, voor zover uit de omstandigheden die tot de veroordeling hebben geleid, blijkt van het bestaan van een persoonlijk gedrag dat een actuele bedreiging van de openbare orde vormt. (Calfa, HvJ 19 januari 1999, met verwijzing naar Bouchereau, HvJ 27 oktober 1977). De strafmaat en de kans op herhaling zijn indicatief voor het aannemen van een actuele bedreiging.
Persoonlijk gedrag: Betrokkene is in een jaar tijd maar liefst 5 keer onherroepelijk veroordeeld wegens het plegen van vermogensdelicten. Het plegen van een [enkel] vermogensdelict is op zichzelf niet een voldoende ernstige bedreiging, echter het veelplegen van lichte feiten is voldoende ernstig en kan een fundamenteel belang van de samenleving raken. Betrokkene is sinds 20 juni 2011 weer gedetineerd. Nu de laatste aanhouding van betrokken amper een week geleden is, kan worden geconstateerd dat er tot op heden geen verbetering van het gedrag zichtbaar is. Dit duidt op persoonlijk gedrag waar een hoge mate van voorspelbaarheid aan kan worden toegekend. Alle veroordelingen zijn terug te voeren op het persoonlijke gedrag van betrokkene en dit gedrag is dan ook in strafrechtelijke zin verwijtbaar. Met het telkenmale overtreden van de wet, laat betrokkene geen positieve gedragsverandering in de maatschappij zien. Door zijn persoonlijke gedragingen zorgt betrokkene voor veel overlast.
Naast he[t] telkenmale plegen van winkeldiefstal, is betrokkene ook meerdere malen door de politie Utrecht aangehouden wegens het zich in kennelijke staat van dronkenschap op de openbare weg bevinden. Daar betrokkene ook meerder[e] malen is aangehouden en veroordeeld wegens het zich in kennelijke staat van dronkenschap op de openbare weg bevinden en het rijden onder invloed laat het zich aanzien dat betrokkene een alcoholprobleem heeft. Dit wordt ook door betrokkene zelf bevestigd tijdens het politiegehoor van 8 juni 2011 met de Politie Utrecht. Door zijn alcoholprobleem en de daarmee samenhangende persoonlijke gedragingen zorgt betrokkene voor veel overlast. Uit dit persoonlijke gedrag en uit de zich herhalende overlast volgt een zekere onverbeterlijkheid van betrokkene om zijn leven te verbeteren.
Actueel: Betrokkene is per 20 juni 2011 weer gedetineerd in het huis van bewaring te Utrecht. Betrokkene heeft tot op heden nog geen positieve gedragsverandering laten zien. Door het aanhoudende criminele gedrag van betrokkene wordt vastgesteld dat bij […] betrokkene een neiging bestaat om dit gedrag in de toekomst te handhaven. Kort gezegd is er dus sprake van recidivegevaar en wordt een actuele bedreiging aangenomen.
Werkelijk: Om te kunnen spreken van een 'werkelijke bedreiging' geldt als regel dat de strafbare gedraging door de strafrechter veroordeeld moet zijn. In dit geval is betrokkene meerdere malen onherroepelijk veroordeeld door de Politierechter en de Kantonrechter. Hiermee is aangetoond dat er sprake is van een werkelijk[e] bedreiging.
Voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving: Betrokkene heeft zich meerdere malen schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Uit dit handelen blijkt dat betrokkene weinig respect toont voor de eigendommen van anderen. Hij veroorzaakt met zijn handelen veel ergernis en overlast bij, in casu, de winkelier, waarbij ook financiële schade het gevolg is van dergelijke delicten. Dit raakt uiteindelijk de gehele maatschappij. Betrokkene is in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit tenminste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld en is daarmee terecht geclassificeerd als een veelpleger die recidiveert met winkeldiefstallen en bij wie tot op heden nog geen gedragsverandering heeft plaatsgevonden. De frequentie aan misdrijven hebben een negatieve invloed op het algemene veiligheidsgevoel van onze maatschappij en hierdoor wordt door betrokkene direct schade berokkend aan de maatschappij. De Vreemdelingenpolitie Utrecht heeft verklaard dat de politie heel veel overlast ondervindt van betrokkene. Betrokkene is veelvuldig dronken en veroorzaakt hierdoor ook heel veel overlast aan omstanders op [s]traat. Er dient ernstig rekening te worden gehouden met het vooruitzicht dat betrokkene wederom een misdrijf zal begaan. Gezien al het vorenstaande wordt geconcludeerd dat betrokkene gelet op zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.
Op grond van artikel 28, eerste lid van Richtlijn 2004/38/EG neemt een gastland alvorens een besluit tot verwijdering van het grondgebied om redenen van openbare orde of openbare veiligheid te nemen, de duur van het verblijf van betrokkene op zijn grondgebied, diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie, sociale en culturele integratie in het gastland en de mate waarin hij binding heeft met zijn land van oorsprong, in overweging. Om hier invulling aan te geven is betrokkene op 20 juni 2011 in de gelegenheid gesteld mondeling zijn zienswijze te geven met betrekking tot het voornemen om de vrijheid van verkeer en verblijf van betrokkene in Nederland te beperken.
Betrokkene verklaart het volgende. 'Het klopt dat ik op 4 juni 2011 in vrijheid ben gesteld vanuit de PI Arnhem. Het klopt dat ik op 8 juni 2011 ben aangehouden voor een winkeldiefstal in Utrecht. Ik weet dat ik aangemerkt ben als veelpleger omdat ik heel veel keren met de politie in aanraking ben geweest. Het klopt dat u mij gewaarschuwd heeft dat als ik na mijn vrijlating opnieuw met de politie in aanraking kom ik een groot probleem heb omdat het dan zo goed als zeker is dat ik dan tot ongewenst vreemdeling wordt verklaard. Verder heb ik niets meer te zeggen."
Naast bovenstaande heeft betrokkene tijdens [h]et politiegehoor van 8 juni 2011 verklaard dat hij alcohol drinkt[.] Betrokkene geeft aan dat alle Polen drinken, vooral samen met elkaar. Betrokkene heeft die dag zes of zeven halve liters bier gedronken. Betrokkene is gescheiden en heeft een kind in Polen. Betrokkene werkt niet en heeft geen uitkering.
Op grond van artikel 28, eerste lid van Richtlijn 2004/38/EG wordt het volgende overwogen. Betrokkene heeft geen enkele vorm van stabiliteit hier in Nederland. Betrokkene beschikt niet over een vaste woon- of verblijfplaats. Hij verblijft in Utrecht in de Sleep Inn op de momenten dat hij niet in detentie verblijft. Betrokkene heeft geen vast inkomen en heeft geen vaste baan. Evenmin volgt betrokkene een opleiding hier in Nederland. Er is geen sprake van gezins- en/of familieleven. Betrokkene heeft een dochtertje in Polen. Betrokkene is op geen enkele wijze betrokken bij de Nederlandse maatschappij. Betrokkene heeft verder op geen enkele andere manier aangetoond dat het van groot belang is voor betrokkene om in Nederland te blijven. Evenmin heeft betrokkene aangetoond, dat er van hem niet verlangd kan worden terug te keren naar Polen. Gelet op hetgeen betrokkene met betrekking op artikel 28, eerste lid van Richtlijn 2004/38/EG heeft verklaard en gelet op bovenstaande overwegingen, bestaan er geen zwaarwegende redenen om niet tot het besluit te komen betrokkene om redenen van openbare orde van het grondgebied van Nederland te verwijderen. Voor het geven van betekenis aan de verblijfsduur in relatie tot de gedragingen van betrokkene en het gepleegde misdrijf/de gepleegde misdrijven wordt aansluiting gezocht bij de in artikel 3.86 Vreemdelingenbesluit genoemde gronden voor verblijfsbeëindiging (glijdende schaal)[.] Daarmee wordt beoogd te voorkomen dat de beoordeling op grond van artikel 28, eerste lid van Richtlijn 2004/38/EG een ongunstigere uitkomst zou hebben dan bij een toets aan het nationale openbare orde beleid. Ingevolge art 3.86 lid 4 Vreemdelingenbesluit kan het verblijf voorts worden beëindigd op grond van artikel 18, eerste lid, onder e, van de Wet, indien de vreemdeling wegens ten minste vijf misdrijven, dan wel bij een verblijfsduur korter dan twee jaar wegens ten minste drie misdrijven, bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een gevangenisstraf of jeugddetentie, een taakstraf of een maatregel als bedoeld in artikel 37a, 38m of 77h, vierde lid, onder a of b, van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd, bij onherroepelijke strafbeschikking een taakstraf is opgelegd, dan wel het buitenlandse equivalent van een dergelijke straf of maatregel is opgelegd, en de totale duur van de onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelten van die straffen en maatregelen ten minste gelijk […] is aan de in het vijfde lid bedoelde norm.
De in het vierde lid bedoelde norm bedraagt bij een verblijfsduur van:minder dan 1 jaar: 2 weken;ten minste 1 jaar, maar minder dan 2 jaar: 1 maand;ten minste 2 jaar, maar minder dan 3 jaar: 3 maanden;ten minste 3 jaar, maar minder dan 4 jaar: 4 maanden;ten minste 4 jaar, maar minder dan 5 jaar: 5 maanden;ten minste 5 jaar, maar minder dan 6 jaar: 6 maanden;ten minste 6 jaar, maar minder dan 7 jaar: 7 maanden;ten minste 7 jaar, maar minder dan 8 jaar: 8 maanden;ten minste 8 jaar, maar minder dan 9 jaar: 9 maanden;ten minste 9 jaar, maar minder dan 10 jaar: 10 maanden;ten minste 10 jaar, maar minder dan 15 jaar: 12 maanden;ten minste 15 jaar, maar minder dan 20 jaar: 14 maanden.
Indien het een Burger van de Unie betreft wordt vastgehouden aan minimale duur van de onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen straffen en maatregelen van 3 maanden. De totale strafopbouw van betrokkene afgezet tegen de verblijfsduur van Betrokkene vormt ingevolge artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit voor voldoende aanleiding om betrokkene de toegang tot Nederland te ontzeggen. Gelet op al het voorgaande wordt het verblijfsrecht van betrokkene ingevolge artikel 27, eerste lid van Richtlijn 2004/38/EG beëindigd. Betrokkene heeft derhalve geen rechtmatig verblijf meer in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet.
OngewenstverklaringOp grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b van de Vreemdelingenwet kan een vreemdeling ongewenst worden verklaard indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd dan wel hem terzake de maatregel als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd. Het beleid ter zake van de ongewenstverklaring van EU-/EER onderdanen, Zwitserse onderdanen en familieleden is neergelegd in hoofdstuk A5/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Ingevolge hoofdstuk A5/2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 betreft het hier vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verbleven en wier verblijfsrecht wegens inbreuk op de openbare orde is beëindigd. Onder verwijzing naar het voorgaande bestaat tevens grond voor de ongewenstverklaring van betrokkene. Met betrekking tot de ongewenstverklaring wordt geconcludeerd dat betrokkene bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis meerdere malen is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd. Gelet op het voorgaande wordt betrokkene op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet ongewenst verklaard. Ingevolge het bepaalde in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregels, tenzij dat voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. In dit geval is nie[t] gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan, bij afweging van alle aan de orde komende belangen, toch aanleiding bestaat de ongewenstverklaring achterwege te laten. Niet gebleken is immers van zodanig bijzondere feiten en omstandigheden dat een beslissing in overeenstemming met bedoelde beleidsregels in dit geval zou leiden tot nadelige of voordelige gevolgen voor één of meer belanghebbenden, die onevenredig zouden zijn in verhouding met de door de beleidsregels te dienen doelen. Evenmin is gebleken dat strikte naleving van vorenvermelde beleidsregels, gelet op de strekking ervan en de onderliggende wettelijke regeling, in dit geval niet nodig is en bovendien een onevenredig nadeel zou opleveren voor één of meer belanghebbenden. Er bestaat daarom geen aanleiding de ongewenstverklaring achterwege te laten in afwijking van de in de Vreemdelingencirculaire neergelegde beleidsregels.
Artikel 8 EVRM[:] De verblijfsbeëindiging en ongewenstverklaring van betrokkene betekenen geen schending van het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Betrokkene heeft in het gehoor van 8 juni 2011 verklaard geen gezins- dan wel familieleven in Nederland te hebben. De dochter en de ex-echtgenote van betrokkene wonen in Polen. Gelet op het vorenstaande en na afweging van het persoonlijk belang enerzijds en het algemeen belang anderzijds, kan in dit geval in redelijkheid aan het algemeen belang meer gewicht worden toegekend. Gelet op al het voorgaande wordt het verblijfsrecht van betrokkene ingevolge artikel 27, eerste lid van Richtlijn 2004J38/EG beëindigd en wordt hij ongewenst verklaard. Betrokkene heeft derhalve geen rechtmatig verblijf meer in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet en is ongewenst vreemdeling.
3. [ Een] schriftelijk bescheid, […] waaruit blijkt dat [voornoemde beschikking] op 30 juni 2011 aan verdachte in persoon werd uitgereikt”.
6. Het hof heeft het gevoerde verweer als volgt samengevat en verworpen:
“De raadsman heeft met een beroep op de Richtlijn 2004/38/EG en onder verwijzing naar de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 10 juli 2013 (ECLI:NL:GHDHA:2013:2641) alsmede naar de uitspraak van de Raad van [S]tate van 5 september 2009 (ECLI:NL:RVS:2013:1054) gesteld dat verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken omdat, zo begrijpt het hof, geen sprake is van een actuele en voldoende ernstige bedreiging van de samenleving om een ongewenstverklaring te rechtvaardigen.
Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2010 (ECLI:NL:HR:[2010:]BL2854) geldt dat bij een strafrechtelijke vervolging ter zake van art. 197 Sr de rechter in voorkomende gevallen dient te onderzoeken of de ongewenstverklaring in strijd is met rechtstreeks werkende bepalingen van Europees gemeenschapsrecht alsmede, indien ter zake verweer is gevoerd, van dat onderzoek in zijn uitspraak te doen blijken en gemotiveerd op dat verweer te beslissen. Het voorgaande geldt onder meer indien tegen de desbetreffende beschikking een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat of heeft opengestaan en de verdachte van deze rechtsgang geen gebruik heeft gemaakt. Voor een veroordeling is immers vereist dat komt vast te staan dat de ongewenstverklaring berust op enig wettelijk voorschrift.
Art. 27 van de Richtlijn 2004/38/EG luidt:
"1. Onverminderd het bepaalde in dit hoofdstuk kunnen de lidstaten de vrijheid van verkeer en verblijf van burgers van de Unie en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, beperken om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid. Deze redenen mogen niet voor economische doeleinden worden aangevoerd.
2. De om redenen van openbare orde of openbare veiligheid genomen maatregelen moeten in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel en uitsluitend gebaseerd zijn op het gedrag van betrokkene. Strafrechtelijke veroordelingen vormen als zodanig geen reden voor deze maatregelen.
Het gedrag moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Motiveringen die los staan van het individuele geval of die verband houden met algemene preventieve redenen mogen niet worden aangevoerd."
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte bij beschikking van de Minister voor Immigratie en Asiel tot ongewenst vreemdeling is verklaard en dat deze beschikking hem op 30 juni 2011 is uitgereikt.
Uit de beschikking tot ongewenstverklaring blijkt (onder […] Motivering van de beschikking) dat de Minister bij zijn beslissing heeft betrokken een vijftal onherroepelijke veroordelingen wegens misdrijf (vermogensdelicten) en een Wegenverkeerswetfeit en meerdere overtredingen (telkens artikel 453 Sr, openbare dronkenschap) en de periode waarin deze veroordelingen hebben plaatsgevonden. Naar het oordeel van het hof kon de Minister - in aanmerking genomen het aantal, de aard en de ernst van de strafrechtelijke veroordelingen - in redelijkheid tot het oordeel kon komen dat de verdachte een gevaar vormde, en gelet op diens strafblad nog steeds vormt voor de openbare orde en de openbare rust, zodat hij op de voet van art. 21, eerste lid onder c, Vreemdelingenwet ongewenst kon worden verklaard.
Na 30 juni 2011 is verdachte tweemaal opnieuw onherroepelijk veroordeeld wegens onder meer een vermogensmisdrijf en openbare dronkenschap, laatstelijk op 18 november 2011. Het hof maakt uit dit laatste in combinatie met de veelvuldige veroordelingen zoals hiervoor genoemd, op dat verdachte ook op het moment van zijn aanhouding op 6 april 2012 een actueel, werkelijk en voldoende ernstige bedreiging vormde voor de Nederlandse samenleving om een beperking van zijn verblijfsrecht in de vorm van een ongewenstverklaring te rechtvaardigen.
Het verweer wordt verworpen.”
7. Ik kan het kort houden, omdat gelet op de voor het bewijs gebezigde inhoud van de beslissing tot ongewenstverklaring, met name betreffende het langdurig ernstig overlastgevende gedrag van verdachte, het oordeel van het hof dat de Minister, in aanmerking genomen het aantal, de aard en de ernst van de strafrechtelijke veroordelingen van verdachte, in redelijkheid tot het oordeel kon komen dat verdachte een actueel, werkelijk en voldoende ernstige bedreiging vormde en gelet op zijn strafblad nog steeds vormt voor de openbare orde en de openbare rust, zodat hij op de voet van art. 21, eerste lidart. 21, eerste lid onder c, Vreemdelingenwet ongewenst kon worden verklaard, geenszins blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, allerminst onbegrijpelijk is en voldoende is gemotiveerd.
8. De bewezenverklaring is naar de eis der wet met redenen omkleed. Het middel faalt en kan naar mijn oordeel met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden verworpen.
9. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG