4. Het eerste middel
Het middel klaagt over ’s Hofs oordeel dat hetgeen de raadsvrouw van verdachte tegenover het Hof heeft aangevoerd met betrekking tot bepaalde zonder machtiging van de rechter-commissaris afgetapte telefoongesprekken in de zaak van een medeverdachte niet een verweer vormt dat aan de daaraan te stellen eisen voldoet en reeds daarom wordt verworpen.
Het door het middel bedoelde oordeel van het Hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de raadsvrouw van verdachte tegenover het Hof niet duidelijk heeft gemaakt in welk rechtens te respecteren belang verdachte is getroffen door het feit dat de telefoon van een medeverdachte enige tijd zonder de vereiste machtiging is getapt. Opmerking daarbij verdient dat het belang van verdachte om gevrijwaard te blijven van vervolging en bestraffing niet als een zodanig belang kan worden aangemerkt.
Het middel faalt daarom.
5. Het tweede middel
Het middel klaagt over ’s Hofs beslissing ten aanzien van de vordering van een van de benadeelde partijen. Volgens de steller van het middel heeft het Hof in het bestreden arrest ten onrechte de in eerste aanleg ingediende schadevergoedingsvordering van [betrokkene 1] in hoger beroep ten onrechte toegewezen aan [betrokkene 2], de erfgename op wie naar ’s Hofs oordeel de vordering op grond van het bepaalde in art. 6:106 lid 2 BW onder algemene titel was overgegaan. Het Hof had de vordering, zo begrijp ik, moeten toewijzen aan [betrokkene 1].
Dat de vordering aan de overleden benadeelde partij moet worden toegewezen, en niet aan haar erfgenaam of erfgenamen, staat niet met zoveel woorden in de in de toelichting op het middel aangehaalde overwegingen van de Hoge Raad uit diens arrest van 13 juli 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BL9105, NJ 2011/259, m.nt. C.P.M. Cleiren). Deze overwegingen houden in dat een in eerste aanleg plaatsgehad hebbende voeging van een benadeelde partij voor zover de door deze partij gevorderde schadevergoeding is toegewezen op grond van het bepaalde in art. 421 lid 2 Sv in hoger beroep van rechtswege voortduurt en dat het feit dat de benadeelde partij in de tussentijd is komen te overlijden aan toewijzing van de vordering niet in de weg staat. Aan wie de vordering moet worden toegewezen, lijkt daarbij in het midden te blijven. Het komt mij echter voor dat in de overwegingen – waarin het overlijden geen beletsel voor toewijzing wordt genoemd – besloten ligt dat het overlijden van de benadeelde partij geen verschil maakt voor de te nemen beslissing en dat de vordering dus gewoon moet worden toegewezen aan de persoon die de vordering als benadeelde partij heeft ingediend. Die uitkomst komt mij ook juist voor. De strafrechter moet niet gedwongen worden zich te verdiepen in erfrechtelijke kwesties.
Het middel is dus op zich gegrond. De Hoge Raad zou de fout daarbij zelf kunnen herstellen. De vraag is echter wat het belang van verdachte bij het voorgestelde middel is. Nu de toelichting op het middel op dit punt niets inhoudt, meen ik dat het middel bij gebrek aan belang niet tot cassatie kan leiden.
Het middel treft geen doel.
6. De middelen falen. Het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG