BESLISSING
Het hof:(…)
Vordering van de benadeelde partij [betrokkene]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 810,00 (achthonderdtien euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [betrokkene], een bedrag te betalen van € 810,00 (achthonderdtien euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 (zestien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.”
7. Het oordeel van het hof dat de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde zich leent voor toewijzing tot een bedrag van € 810,- ter zake van materiële schade is onvoldoende gemotiveerd. Het hof heeft geen inzicht gegeven hoe het is gekomen tot een bedrag van € 810,-. Volgens het voegingsformulier houdt de gevorderde schade zowel verband met feit 1 als met feit 2. Het bedrag van € 350,- betreft de kosten van de gestolen mobiele telefoon. Van de ten laste gelegde diefstal van de telefoon is de verdachte in hoger beroep vrijgesproken. Het gevorderde bedrag dat betrekking heeft op het onder 2 ten laste gelegde feit bedraagt € 725,62. Het hof heeft ten onrechte een hoger bedrag toegewezen dan ter zake van feit 2 is gevorderd. Voor zover het middel hierover klaagt, treft het doel.
8. Mede gelet op het geringe verschil tussen de gevorderde en de toegewezen schadevergoeding ten aanzien van feit 2, heb ik mij afgevraagd of de Hoge Raad de zaak om doelmatigheidsredenen zelf kan afdoen. Dat zou het geval kunnen zijn als in de bestreden uitspraak als het – niet onbegrijpelijke – oordeel van het hof besloten ligt dat de vordering tot het ten aanzien van feit 2 gevorderde bedrag of tot een bepaald deel daarvan wordt toegewezen. Daartegen pleit dat in de overwegingen van het hof geen aanknopingspunt kan worden gevonden dat sprake is geweest van een fout in de berekening die de Hoge Raad kan herstellen. Zo is het hof niet ingegaan op de stelling van de verdediging, dat een deel van de telefoonkosten door de provider is voldaan. Het hof heeft bovendien overwogen dat de behandeling van de vordering “voor het overige” een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Ook deze overweging is moeilijk te duiden in een situatie waarin de verdachte voor feit 1 wordt vrijgesproken en ten aanzien van feit 2 een hoger bedrag aan schadevergoeding wordt toegewezen dan de benadeelde partij heeft gevorderd. Dat betekent dat de bestreden uitspraak naar mijn mening de Hoge Raad te weinig houvast biedt om de zaak om redenen van doelmatigheid zelf af te doen.
9. Met middel is terecht voorgesteld.
10. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof niet de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging strekkende tot vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde.
11. De raadsman van de verdachte heeft tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde. Volgens de raadsman is “niet ondenkbaar” dat de vader van de verdachte het feit heeft gepleegd, omdat deze bekend staat als oplichter en wetenschap had van het bankrekeningnummer en het emailadres van de verdachte. In eerste aanleg is dit door de verdediging naar voren gebracht als “een goed mogelijk alternatief scenario”. Aldus is kennelijk beoogd een beroep te doen op een omstandigheid die met de inhoud van de door de rechter gebezigde bewijsmiddelen niet in strijd zou zijn, doch die - indien juist - onverenigbaar zou zijn met een bewezenverklaring. Een dergelijk uitdrukkelijk voorgedragen verweer heeft te gelden als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv.
12. Wanneer de verdediging een dergelijk uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft ingenomen, brengt voornoemde bepaling mee dat de feitenrechter zijn beslissing nader zal dienen te motiveren. Deze nadere motivering dient in te houden dat het naar voren gebrachte doch door de rechter niet aanvaarde standpunt in de uitspraak beargumenteerd wordt weerlegd. Dit neemt niet weg dat zich het geval kan voordoen dat de uitspraak voldoende gegevens bevat, bijvoorbeeld in de gebezigde, voor de verwerping van het standpunt relevante bewijsmiddelen en/of in een aanvullende bewijsmotivering, waarin die nadere motivering besloten ligt.
13. Het hof heeft niet uitdrukkelijk geantwoord op het ter zitting ingenomen standpunt. Uit de bewijsmiddelen volgt echter dat het rekeningnummer en het emailadres die in gebruik waren bij de verdachte tevens werden gebruikt in het kader van de poging geld van de rekening van de benadeelde partij te ‘cashen’. Uit bewijsmiddel 2 volgt dat het hof het hof het standpunt van de verdediging, voor zover daarin is geopperd niet ondenkbaar is dat de vader van de verdachte de poging tot diefstal heeft begaan, niet aannemelijk heeft geacht. Aldus bevat de uitspraak voldoende gegevens waarin de nadere motivering ligt besloten aangaande het niet aanvaarden door het hof van het hiervoor weergegeven standpunt. Het middel faalt.
14. Het eerste middel slaagt. Hoewel het middel niet met zoveel woorden klaagt over de toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, neem ik aan dat de strekking ervan meebrengt dat mede beoogd is te klagen over de berekening van de hoogte van de schadevergoedingsmaatregel, zodat de vernietiging zich ook zal moeten uitstrekken tot de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Het tweede middel is tevergeefs voorgesteld en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.
15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, tot zodanige op art. 440, tweede lid, Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad passend voorkomt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden