Conclusie
14. Gezien het voorgaande is de conclusie gerechtvaardigd dat de rechtbank aan meerdere tapgesprekken, waarvan de inhoud belangrijke schakels vormen in de bewijsconstructie, een aantoonbaar verkeerde dan wel onbegrijpelijke uitleg geeft. Deze gesprekken zijn niet, althans niet zonder meer, redengevend voor het bewijs. Die constatering dwingt in ieder geval dat het vonnis van de rechtbank vernietigd moet worden.
De nieuwe vertaling door “tolk 2”
15. Belangrijker nog dan de hiervoor weergegeven bezwaren tegen het scenario dat gebaseerd is op de oorspronkelijke vertalingen van de tapgesprekken, is het feit dat de nieuwe vertalingen op voor het bewijs cruciale onderdelen wezenlijk anders zijn dan de oorspronkelijke vertalingen. Bovendien sluiten de tweede vertalingen – die op cruciale onderdelen – juist aan bij de uitwerking die mijn cliënt van de gesprekken heeft gemaakt
(...)
Gesprek 817/bm 7
17. Uit de eerste vertaling van gesprek 817 kan men afleiden dat er versluierd zou worden gesproken in termen van 'het spul', waarvan de kwaliteit gecontroleerd moet worden. Er zou daarbij worden gesproken over een prijs: 25, 24,50 of 24,75.
18. In de tweede vertaling wordt echter gesproken over iets dat 'in voorraad' is, dat moet worden bekeken. Mijn cliënt wil dat kopen voor 24,50. [betrokkene 3] zegt dat zulks niet kan. Er is nog iemand anders die het gevraagde kan leveren, maar die hanteert een vraagprijs van 75.
19. Volgens mijn cliënt gaat het in dit gesprek over een traditioneel medicijn dat hij gebruikt.
Gezien het verschil tussen de genoemde prijzen (24,50 á 25 tegenover 75) is dat veel logischer dan de suggestie dat het hier over een kilo verdovende middelen zou gaan - een kilo coke kost nooit 75 duizend euro. Bovendien wijs ik op de oorspronkelijke vertaling van het met gesprek '817' samenhangende gesprek '390' (d.d. 17 juni 2008), waarin mijn cliënt aan [betrokkene 3] vraagt: "het SPUL is de soort die ik gebruik toch?" Hieruit blijkt dus dat de gesprekken inderdaad gaan over iets dat voor eigen gebruik bestemd is; een medicijn dus.”
15. In hoger beroep zijn op instigatie van de verdediging bepaalde tapgesprekken - waaronder het tapgesprek eindigend op ‘817’ - opnieuw uitgeluisterd en door een tolk vertaald.
16. In de ‘aanvulling verkort arrest’ (blad 2) heeft het Hof de tekst van de onder bewijsmiddel 3.3.5 opgenomen gespreksweergave vervangen door de volgende (nieuwe vertaling):
“Opbellen (het hof begrijpt hier en verder in dit gesprek: [betrokkene 3]): Er is iets in voorraad maar de leverancier geeft aan dat de vraagprijs 25 is. Ik kan ook naar de man om het ding te bekijken.
Opnemen (het hof begrijpt hier en verder in dit gesprek: [verdachte]) maar het is te duur.
Opbellen: (...) zoals je weet is spul die van goed (het hof begrijpt: goede) kwaliteit is ook duur.
Opnemen: vraag de man of hij 24,5 wil hebben. (...)
Opnemen: we hadden de vorige keer iets opgehaald bij iemand voor 24,50 weetje.
17. De bestreden uitspraak houdt voor zover voor de beoordeling van het middel van belang het volgende in:
“Bewijsoverwegingen
(…)
Voorts heeft de raadsman als verweer gevoerd dat de eerste en tweede vertaling van dezelfde telefoongesprekken onderling zodanige verschillen vertonen, dat zij beide onbetrouwbaar zijn en daarom geen van beide vertalingen van de telefoongesprekken tot het bewijs mogen worden gebezigd. Daarover overweegt het hof als volgt.
Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de inhoud en de strekking van de vertalingen van de 1e en de 2e tolk grotendeels overeenstemmen en in ieder geval niet dusdanig wezenlijk verschillen dat op grond daarvan moet worden gezegd dat van geen beide vertalingen, dus ook niet van de 2e vertaling, meer kan worden uitgegaan.
Daarbij komt dat de raadsman van de verdachte ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat volgens de verdachte de vertaling van de 2e versie overeenkomt met wat de verdachte zelf omtrent de gebezigde bewoordingen in de betreffende telefoongesprekken heeft verklaard. Ook overigens acht het hof de voor het bewijs te bezigen vertaalde telefoongesprekken, in samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen, voldoende betrouwbaar. Het hof voegt hieraan toe dat hoewel niet alle in het dossier gevoegde afgeluisterde telefoongesprekken redengevend zijn voor het bewijs van het ten laste gelegde, de door het hof gebezigde telefoontaps voldoende concreet en specifiek zijn om de bewezenverklaring van het onder feit 2 ten eerste en ten tweede te kunnen dragen.
Het verweer van de raadsman wordt mitsdien verworpen.”
18. Anders dan de steller van het middel wil, is door het weglaten van het onderdeel dat over “75” gaat van denatureren geen sprake. Door het weglaten van dat onderdeel heeft hetgeen het Hof voor het bewijs heeft opgenomen geen andere betekenis gekregen. Voorts heeft het Hof blijkens de bewijsconstructie – de inhoud van de tapgesprekken en de overige bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien – kunnen oordelen, gelijk het heeft gedaan, dat verzoeker betrokken is geweest bij het onder 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde Opiumdelict. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat het Hof feitelijk heeft vastgesteld dat verzoeker zijn verklaring dat de bedoelde tapgesprekken slechts betrekking hadden op de Bijbel of op medicijnen op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt.
19. Ook de tweede klacht mist doel. Voor zover in het hierboven onder 14 weergegeven betoog van de raadsman al een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv kan worden gelezen, heeft het Hof dit met opgave van redenen terzijde geschoven.
20. Het middel faalt in beide onderdelen.
21. Het derde middel klaagt dat er een forse overschrijding heeft plaatsgevonden van de redelijke inzendtermijn in cassatie. Gelet op mijn conclusie ten aanzien van het eerste middel behoeft dit middel geen bespreking.
22. Het eerste middel slaagt voor zover het betrekking heeft op het witwassen van € 9.000,-. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan op de voet van art. 81, eerste lid, RO. Het derde middel behoeft geen bespreking.
23. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
24. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde voor zover betrekking hebbende op het bedrag van € 9.000,- (en waaronder begrepen de beslissing ten aanzien van het beslag op dit bedrag) en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam, teneinde de zaak in zoverre opnieuw te berechten en af te doen. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG