“Beslag
(…)
Onttrekking aan het verkeer
De hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met betrekking tot welke het bewezenverklaarde is begaan, behoren aan de verdachte toe. Zij zullen worden onttrokken aan het verkeer aangezien zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen in strijd is met het algemeen belang.
(…)
BESLISSING
Het hof:
(…)
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- zwart leren tasje
- schriften, papieren, kranten
- rood notitieboek, opschrift [verdachte]
- kranten en folders van fietsendealers
- diverse administratie, gehele uitdraai fietsendealers
- landkaart op meerdere plaatsen gemarkeerd
- diverse papieren en notitieblokjes
- 2 nieuwe polstasjes, verpakt in plastic
- boek auto A3, kwitantieboekje
- enveloppe met opschrift 06-[001]
- reclamefolder van mountain cube met prijslijst
- papier, voor- en achterzijde staan telefoonnummers
- 4 bladen van uitdraaien van windows live hotmail
- tas met daarin een polstasje.”
20. Onder het hoofdje “Toepasselijke wettelijke voorschriften” heeft het Hof in dit verband zowel art. 36c Sr als art. 36d Sr aangehaald. Kennelijk heeft het Hof daarbij onderscheid gemaakt tussen voorwerpen die gerelateerd kunnen worden aan de reeds begane feiten (art. 36c Sr), dat wil zeggen de bewezenverklaarde incidenten, en de voorwerpen die kunnen dienen tot het begaan van of de voorbereiding van soortgelijke feiten (art. 36d Sr).
21. Zonder nadere motivering, die in de bestreden uitspraak ontbreekt, is echter niet begrijpelijk het oordeel van het Hof dat de genoemde voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.
22. Het middel klaagt daarover terecht, zodat het bestreden arrest in zoverre niet in stand kan blijven. Tot cassatie hoeft dat mijns inziens niet te leiden. Het lijkt mij dat de Hoge Raad dit punt om doelmatigheidsredenen zelf kan afdoen en kan gelasten dat de voorwerpen hetzij aan verzoeker worden teruggegeven dan wel worden verbeurd verklaard indien de Hoge Raad voldoende gegevens aanwezig acht voor de vaststelling dat is voldaan aan de voorwaarden voor verbeurdverklaring als bedoeld in art. 33a, eerste lid, Sr (deels in verbinding met art. 33 Sr).
23. Het vierde middel klaagt dat sprake is van strijd met art. 6 EVRM, nu het proces in de fase van hoger beroep zodanig lang heeft geduurd dat de redelijke termijn als bedoeld in het eerste lid van dat artikel is geschonden en het Hof ervan geen blijk heeft gegeven dat die overschrijding is meegewogen bij het bepalen van de strafmaat.
24. Het middel faalt. Ik kan de steller van het middel niet volgen in zijn stelling dat het voor de verdediging niet mogelijk was om in hoger beroep aan te voeren dat sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn.
25. Het eerste, het tweede en het vierde middel falen. Het vierde middel kan worden afgedaan met de in art. 81, eerste lid, RO bedoelde motivering. Het derde middel is terecht voorgesteld maar hoeft niet tot cassatie te leiden.
26. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
27. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG