Pseudokopen
Op 6 december 2007, 20 december 2007, 29 oktober 2008 en 1 december 2008 is gebruik gemaakt van het opsporingsmiddel pseudokoop door vuurwerkaankopen te doen bij medeverdachte [medeverdachte 4].
De rechtbank heeft in haar vonnis geoordeeld dat in de onderhavige zaak in strijd is gehandeld met de regels die door de wetgever zijn gesteld voor de inzet van het bijzondere opsporingsmiddel pseudokoop. Door de rechtbank is het bewijsmateriaal dat rechtstreeks is verkregen door de pseudokopen daarom uitgesloten van het bewijs.
Pseudokoop of infiltratie
1. handel in hennepstekken en het opzetten van hennepkwekerijen
2. importeren van en handel in verboden consumentenvuurwerk
3. importeren van en handel in valse merkkleding.
1. "[medeverdachte 4] levert vuurwerk. Nadat de bestelling bij hem is geplaatst, krijgt de besteller bericht waar en wanneer hij het vuurwerk kan afhalen. Op één dag worden zoveel mogelijk bestellingen afgehaald. [medeverdachte 4] levert nu 100-duizend-klappers en binnenkort 500-duizend-klappers. "
2. "Bij [medeverdachte 4] zijn dozen gebracht door een onbekende man. De man wordt in Hoogeveen regelmatig gezien in gezelschap van [verdachte]. "
De verdediging heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de pseudokopen onrechtmatig waren. Er zou geen sprake zijn geweest van pseudokoop maar van infiltratie als bedoeld in artikel 126h van het Wetboek van Strafvordering nu er achtereenvolgens vier pseudokopen hebben plaatsgevonden en de pseudokoper zou zijn doorgedrongen in het privéleven van verdachte [medeverdachte 4] en zijn gezin. Tot infiltratie was echter geen bevoegdheid verleend. Verdachte is daardoor in zijn belangen geschonden en de resultaten van de 'pseudokopen' dienen te worden uitgesloten van het bewijs.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Op 4 december 2007 (schriftelijke bevestiging d.d. 6 december 2007) heeft de officier van justitie voor de eerste maal een bevel tot pseudokoop afgegeven voor de periode 1 december 2007 tot en met 24 december 2007. In dit bevel wordt verwezen naar het proces-verbaal van Politie Drenthe d.d. 28 november 2007.
In dit proces-verbaal (proces-verbaal Aanvraag bevel pseudokoop dienstverlening ex artikel 126i WvSv) staat, onder meer, het volgende:
In aansluiting op het proces-verbaal 023-AH-002 d.d. 25 september 2007, inzake een algemeen overzicht bij aanvang van het opsporingsonderzoek Potvis, met betrekking tot de mogelijke criminele handelingen gepleegd in georganiseerd verband door de in dat proces-verbaal genoemde verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1], blijkt dat voornoemde verdachten zich bezig houden met de in voornoemd proces verbaal omschreven deelprojecten, te weten:
ClE-informatie
Van de zijde van de Criminele Inlichtingen Eenheid kwam de volgende informatie binnen:
Uit een eerder strafrechtelijk onderzoek is gebleken dat personen die verboden consumentenvuurwerk komen afhalen bij de Handelsonderneming [A] aan de [a-straat 1] te [plaats], hun voertuig enige tijd moeten afstaan. Zij krijgen dan later hun voertuig geladen met verboden consumentenvuurwerk weer terug.
Tevens wordt opgemerkt dat in het belang van het Potvis-onderzoek door de officier van justitie bevelen zijn afgegeven inzake stelselmatige observatie ten aanzien van verdachten [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4].
Het is gelet op de eerder genoemde feiten en omstandigheden in belang van het onderzoek dat een opsporingsambtenaar goederen of diensten als bedoeld in artikel 126i lid onder b van het Wetboek van Strafvordering afneemt van of diensten verleent aan de verdachten: [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 1] en/of [verdachte], allen voornoemd.
Het moet niet worden uitgesloten dat de verdachte [medeverdachte 4] zijn verboden consumentenvuurwerk betrekt van de verdachten [verdachte] en/of zijn bedrijfsleider [medeverdachte 1].
Ten eerste zal de pseudokoop worden aangewend voor verkrijging van het bewijs van het aanwezig hebben en afleveren van verboden consumentenvuurwerk. Ten tweede zal de pseudokoop dienen voor het opbouwen van vertrouwen om de omvang van de handel van [medeverdachte 4] vast te kunnen stellen en op die manier te komen bij de leverancier van dit verboden consumentenvuurwerk.
Op 12 september 2008 volgt een nieuwe aanvraag voor een bevel tot pseudokoop. In dat proces-verbaal Aanvraag bevel pseudokoop dienstverlening ex artikel 126i WvSv staat beschreven dat het Potvis-onderzoek tot dan toe nog niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Het proces-verbaal relateert, onder meer, het volgende:
Er is vastgesteld dat [medeverdachte 4] in verboden consumentenvuurwerk handelt. Dat [medeverdachte 2], zwager van [verdachte], betrokken is bij deze vuurwerkhandel van [medeverdachte 4] en kennis heeft van de opslagplaats van het verboden consumentenvuurwerk. Ook het feit dat [medeverdachte 2] op de dag van de levering van het vuurwerk aan [medeverdachte 4] een bezoek heeft gebracht aan de Vuurwerkhal van de Handelsonderneming [A]. Evenals dat een werknemer van [A], [betrokkene 1], nadien dozen inlaadt in de auto van [medeverdachte 2].
Voorgestelde werkwijze
De PIT-ter zal wederom contact opnemen met [medeverdachte 4] in combinatie met verdachte [medeverdachte 2] en informeren naar de mogelijkheid van een 3e mogelijk 4e pseudokoop van verboden consumentenvuurwerk. De laatste pseudokoop zal een partij van grote omvang moeten zijn. De verwachting is namelijk dat de bestelling van een grote hoeveelheid vuurwerk [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] zal stimuleren tot meer direct contact met de verdachten [A] en/of [medeverdachte 1].
Er zal voor het vervoer gebruik gemaakt worden van een middelgrote vrachtauto.
Het zwaartepunt van het onderzoek richt zich op dit moment op het verboden consumentenvuurwerk. De andere deelprojecten worden gedurende het onderzoek meegenomen om de informatiepositie rond [A] en de criminele organisatie in kaart te brengen.
De belangrijkste wijziging ten aanzien van de 3" pseudokoop bij [medeverdachte 4] zal zijn dat naast de pseudokoop tevens getracht zal worden bekend te worden met de opslagplaats van het verboden consumentenvuurwerk en wie er allemaal bij de levering betrokken is.
De reden van de derde pseudokoop is tweeledig, namelijk:
1. De pseudokoop zal worden aangewend voor verkrijging van bewijs van het aanwezig hebben en afleveren van verboden consumentenvuurwerk;
2. De pseudokoop zal dienen voor het opbouwen van vertrouwen om de omvang van de handel van [medeverdachte 4] vast te kunnen stellen en op die manier te komen bij de leverancier van dit verboden vuurwerk.
Het hof stelt voorop dat van infiltratie als bedoeld in artikel 126h, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering sprake is indien en voor zover de opsporingsambtenaar deelneemt of medewerking verleent aan een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd. Van pseudo-koop is, voor zover hier van belang, volgens artikel 126i Wetboek van Strafvordering, sprake als een opsporingsambtenaar goederen afneemt van de verdachte. De bevoegdheid tot pseudokoop als bedoeld in artikel 126i van het Wetboek van Strafvordering heeft in beginsel een eenmalig karakter. Het enkele feit dat een opsporingsambtenaar enkele malen goederen afneemt, dwingt naar het oordeel van het hof echter niet tot de conclusie dat van infiltratie sprake is geweest
Het hof stelt vast dat het eerste bevel tot pseudokoop was gericht op eenmalige aankoop van verboden consumentenvuurwerk.
De op de eerste pseudokoop volgende pseudokopen vormden een logische voortzetting (in het kader)van (het doel van) het opsporingsonderzoek zoals omschreven in de bevelen en de onderliggende stukken. De verrichtingen van pseudokoper [betrokkene 2] gingen niet verder dan nodig was voor de aankoop van het verboden consumentenvuurwerk.
Het hof is van oordeel dat de activiteiten van pseudokoper [betrokkene 2] niet zijn aan te merken als het deelnemen of medewerking verlenen aan een groep. Hij is slechts de koper geweest van (verboden) vuurwerk.
Het hof is voorts van oordeel dat de contacten die pseudokoper [betrokkene 2] onderhield met medeverdachte [medeverdachte 4] en zijn gezin, evenmin tot de conclusie leiden dat sprake is geweest van infiltratie. Deze contacten waren er op gericht om bij [medeverdachte 4] voldoende vertrouwen te wekken om tot de verkoop van verboden vuurwerk over te gaan.
De omstandigheid dat de pseudokoper in het proces-verbaal ook als 'infiltrant' wordt aangeduid leidt er naar het oordeel van het hof evenmin toe dat sprake is van infiltratie.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in zoverre.
Het hof overweegt voorts dat de pseudokopen door [betrokkene 2] steeds zijn gedaan bij verdachte [medeverdachte 4]. In geval de pseudokopen anderszins onrechtmatig zouden zijn dan kan verdachte naar het oordeel van het hof, gelet op de schutznorm, niet in enig belang geschonden zijn.
Het verweer van de verdediging dat verdachte is geschonden in zijn belang als gevolg van onrechtmatige pseudokopen wordt verworpen.
Gelet op voorgaande overwegingen zal het hof de resultaten van de pseudokopen niet uitsluiten van het bewijs.”
Kenmerkend voor infiltratie is, zoals het hof heeft overwogen, dat de infiltrant deelneemt aan of meewerkt met de groep van personen of het georganiseerd verband waarbinnen de misdrijven worden beraamd of gepleegd. Aldus het eerste lid van artikel 126h Sv. Waar het bij infiltratie werkelijk om gaat, is dat de infiltrant deel gaat uitmaken van en gaat meedoen in een verband dat misdrijven beraamt of pleegt. De infiltrant dient betrokken te raken bij de criminele organisatie om er vervolgens deel van uit te gaan maken. Daarbij is het bijna onvermijdelijk dat de infiltrant strafbare feiten moet plegen in het belang van zijn geloofwaardigheid. Door in de criminele organisatie te infiltreren, is het mogelijk vanuit de organisatie zelf waarnemingen te doen en aldus de organisatie in kaart te brengen of bewijs te verzamelen.
Infiltratie is een zwaarder opsporingsmiddel dan pseudokoop. Pseudokoop is in beginsel eenmalig. De bevoegdheid tot infiltratie omvat de bevoegdheid tot pseudokoop. Pseudokoop en pseudodienstverlening kunnen onderdeel zijn van infiltratie, maar kunnen ook los daarvan plaatsvinden. Omdat de pseudokoper in tegenstelling tot de infiltrant de criminele organisatie niet binnendringt maar daarbuiten opereert en omdat in beginsel pseudokoop een eenmalig karakter heeft, zijn de risico's veel beperkter dan die van infiltratie.
De bevoegdheid tot pseudokoop is bedoeld voor de gevallen waarin niet behoeft te worden geïnfiltreerd of waarin geen sprake is van een criminele organisatie of groep. Er is een verschil tussen het afnemen van goederen of diensten van een organisatie en het daaraan deelnemen.
Het aandeel van "[betrokkene 2]" in de bewijsvergaring heeft er in bestaan dat hij een aantal malen illegaal vuurwerk heeft betrokken van [medeverdachte 4]. Twee van die aankopen hebben plaatsgevonden in het jaar 2007, twee in 2008. De eerste twee aankopen zijn gedekt door een bevel van de officier van justitie, evenals de twee laatste aankopen. Dat de pseudokoper vertrouwen wilde wekken bij [medeverdachte 4] was er niet opgericht deel te gaan uitmaken van de organisatie waartoe ook [medeverdachte 4] behoorde, maar om de indruk te wekken dat hij een goede en grote klant zou zijn. Het feit dat een infiltrant wellicht ook tot pseudokoop overgaat, staat in het teken van de andere doelstelling die de infiltrant uiteindelijk voor ogen staat, te weten het verwerven van een plek in de organisatie. Daarvan was hier geen sprake en het oordeel van het hof dat er slechts pseudokoop en geen infiltratie heeft plaatsgevonden, geeft dan ook niet blijk van een miskenning van de inhoud van deze verschijnselen en is evenmin onbegrijpelijk.
Voorts heeft het hof er nog op gewezen dat de acties van de pseudokoper [medeverdachte 4] als target hadden en dat verdachte daarom ook geen rechtens te respecteren belang heeft bij een klacht over het optreden van pseudo koper jegens [medeverdachte 4]. Dat argument draagt de verwerping van het verweer al zelfstandig.
Het middel faalt.
5. Beide middelen falen. Het tweede middel kan met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden