1. Het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij arrest van 24 september 2012 de verdachte wegens “bedreiging met zware mishandeling” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.
2. Namens de verdachte heeft mr. R.J. Ottens, advocaat te Noordwijk, beroep in cassatie ingesteld en bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte en/of onvoldoende gemotiveerd heeft vastgesteld dat er sprake is geweest van zodanige omstandigheden en een zodanige wijze van spreken en handelen dat het handelen van de verdachte naar objectieve maatstaven als een bedreiging met zwaar lichamelijk letsel dient te worden opgevat.
4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op 13 november 2011 te Lisse [betrokkene 1] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een voorwerp, op (korte) afstand van de keel en/of het hoofd van [betrokkene 1] gezwaaid en daarbij deze dreigend de woorden toegevoegd: “wat moet je dan”.
5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
(1) Een bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte:
“Ik liep op 13 november 2011 in Lisse. Onderweg kwam ik een jongen en een meisje tegen. Vervolgens mij waren hun op de fiets en ik riep zoiets van: "Jo, Jo, Jo". Ik zag dat die jongen van zijn fiets afstapte en ik zag dat hij naar mij toe kwam lopen. Ik ben toen naar die jongen gelopen en ik zei hem: "Joh heb je sigaretten". Ik hoorde die jongen zeggen: Wat moet je van me? Ik zei toen "Wat moet jij nou, je kent me niet". Ik stond toen dicht bij die jongen. De afstand zal ongeveer 50 centimeter zijn geweest. Ik stond best wel provocerend tegenover die jongen Ik kan wel begrijpen dat dit bedreigend kan overkomen. Ik heb mij wel schuldig gemaakt aan bedreiging en zeker als iemand zich door mij op dat moment bedreigd voelt.”
(2) Een op de terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring van de verdachte:
“Ik heb op 13 november 2011 te Lisse gezegd: "Wat moet je dan".”
(3) Een bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 1] (de aangever):
“Ik doe aangifte van bedreiging met de dood. Bij mij bestond de overtuiging dat de verdachte zijn bedreiging werkelijk ten uitvoer zou leggen. Op 13 november 2011 liep ik samen met [betrokkene 2] in Lisse. Ik zag een jongen staan. Ik zag dat er een tweede jongen aan kwam lopen. Ik hoorde dat jongen 1 naar mijn vriendin riep: "He meisje". Ik zag dat jongen 1 achter ons aan kwam rennen. Ik zag dat jongen 1 weer op mij kwam aflopen. Ik zag dat hij een mes in zijn linkerhand had. Ik zag dat hij dit mes omhoog bracht in mijn richting . Ik zag dat jongen 1 het mes t e r hoogte van mijn keel hield. Ik hoorde dat hij zei: "wat moet je dan, wat moet je dan". Ik zag dat jongen 1 zwaaiende bewegingen maakte met het mes voor mijn gezicht. Op dat moment stond hij dertig centimeter van mij af. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.”
(4) Een bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 2] (de vriendin van de aangever):
“Op 13 november 2011 liep ik samen met [betrokkene 1] in Lisse. Er waren twee manspersonen. Ik hoorde achter mij "He meisje". Dit werd twee of drie keer herhaald. Ik reageerde niet op het aanroepen en liep gewoon door. Ik heb wel steeds schuin achter mij gekeken en zag dat persoon 1 de persoon was, die mij aanriep. Vervolgens hoorde en zag ik dat persoon 1 naar ons toe rende. Toen hij bijna bij ons was aangekomen, draaiden wij ons om. Deze persoon begon meteen te schreeuwen. En was best agressief naar ons. Ik zag dat persoon 1 iets in zijn handen had. Ik zag dat persoon 1 het voorwerp wat hij in zijn handen had, steeds in de richting van mijn vriend bracht. Ik zag dat persoon 1 een zwaaiende beweging maakte met het voorwerp in zijn hand richting het hoofd van mijn vriend. Ik zag dat het voorwerp ongeveer 20 cm bij de keel van mijn vriend vandaan was.”
6. Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitaantekeningen, heeft de raadsvrouwe van de verdachte bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. De raadsvrouwe heeft daartoe het volgende aangevoerd. Er was sprake van dronken geschreeuw. Ook is het volstrekt onduidelijk met welk misdrijf is gedreigd. Voorts heeft [betrokkene 2] verklaard dat het “een doen alsof beweging” was, terwijl een andere getuige ([betrokkene 3]) heeft verklaard geen bedreiging met een mes te hebben gezien. Bovendien was er geen sprake van een redelijke vrees, aangezien het zwaaien met een telefoon geen dreiging met een misdrijf tegen het leven gericht oplevert.
7. Het hof heeft in reactie op dit verweer in de aanvulling bewijsmiddelen het volgende overwogen:
“Het hof overweegt hieromtrent dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging vereist is dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd ook gepleegd zou worden. Het hof stelt vast dat aangever ervan overtuigd was dat de verdachte met een mes zwaaide. De verdachte heeft gesteld dat hij een iPhone in zijn hand had. Maar wat daarvan zij, hij heeft erkend dat hij een voorwerp in de hand had en dat de situatie voor het slachtoffer bedreigend was.
Het hof is op grond van de gebezigde bewijsmiddelen van oordeel dat de bewezen verklaarde woorden onder zodanige omstandigheden en op zodanige wijze zijn uitgesproken dat deze naar objectieve maatstaven als een bedreiging met zwaar lichamelijk letsel dienen te worden opgevat. Tevens stelt het hof vast dat bij het slachtoffer de overtuiging bestond dat de dreiging reëel was.
Het verweer van de raadsvrouw wordt mitsdien verworpen.”
8. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met zware mishandeling, is onder meer vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Voor een veroordeling is niet vereist dat komt vast te staan dat bij de bedreigde daadwerkelijk de vrees voor aantasting van de persoonlijke vrijheid is opgewekt. Voldoende is dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat zij in het algemeen geschikt is de vrees voor een inbreuk op de persoonlijke vrijheid teweeg te brengen.Bovendien dienen de omstandigheden waaronder de bedreiging is geuit te worden beschouwd als een aanvulling op de door de verdachte geuite woorden, die de woorden verder versterkt, en niet als factoren die aan de als zodanig bedreigende bewoordingen het bedreigende karakter kunnen ontnemen. Voorts kan de bedreiging worden gedaan door het uiten van bedreigende taal of door gedragingen, dan wel door een combinatie van woorden en daden. De bedreiging hoeft dus niet te worden uitgesproken maar kan ook blijken uit gebaren of handelingen.
9. In de hiervoor onder 7 weergegeven overwegingen ligt als het oordeel van het hof besloten dat de door de verdachte geuite bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij [betrokkene 3] de redelijke vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. In het licht van hetgeen hiervoor onder 8 is vooropgesteld geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de woorden “bedreiging met zware mishandeling” zoals bedoeld in art. 285, eerste lid, Sr.
10. Dit oordeel is naar mijn mening echter niet zonder meer begrijpelijk. De woorden die de verdachte aan [betrokkene 3] heeft toegevoegd ("wat moet je dan”) hebben niet onmiskenbaar een bedreigende strekking. De combinatie met de gedragingen van de verdachte jegens [betrokkene 3], te weten het op korte afstand van [betrokkene 3] met een voorwerp zwaaien, zou dat anders kunnen maken, ook in combinatie met het daaraan voorafgaande rennen van de verdachte. Daarvoor maakt het echter wel verschil wat de aard van het voorwerp is en hoe het is gebruikt. De bewijsconstructie bevat daaromtrent geen eenduidig beeld. Het hof heeft de stelling van de verdediging, inhoudende dat de verdachte een “iPhone” in zijn hand had, in zijn nadere bewijsoverweging in het midden gelaten. Het hof heeft niet bewezen verklaard dat de verdachte met een mes heeft gezwaaid. Aldus heeft het hof de mogelijkheid opengelaten dat de verdachte inderdaad een “iPhone” in zijn hand had, terwijl een telefoon niet - zelfs niet met enige fantasie - kan worden aangemerkt als een op een mes gelijkend voorwerp. Ook overigens is zonder nadere motivering, die op dit punt ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk dat door het zwaaien met een “iPhone” bij [betrokkene 3] de redelijke vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. De enkele vaststelling van het hof dat de verdachte heeft erkend dat hij een voorwerp in zijn hand had en dat de situatie voor [betrokkene 3] bedreigend was, vormt onvoldoende grond om te kunnen aannemen dat er sprake was van bedreiging met zware mishandeling. De omstandigheid dat [betrokkene 3] heeft verklaard dat hij zich daadwerkelijk bedreigd voelde, maakt dat niet anders. Uit de onderliggende stukken komt het beeld naar voren van een woordenwisseling tussen twee jongens in nachtelijk Lisse. Het beeld dat [betrokkene 3] en zijn vriendin ([betrokkene 2]) daarvan hebben gegeven wijkt af van de eveneens voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat [betrokkene 3] van zijn fiets stapte en naar de verdachte toe liep. Vervolgens heeft de verdachte aan [betrokkene 3] gevraagd of deze sigaretten had en heeft [betrokkene 3] daarop gereageerd met de woorden “wat moet je van me?”. Daarna heeft de verdachte “wat moet jij nou, je kent me niet” gezegd. In deze lezing lijkt de opmerking van de verdachte veeleer een herhaling van zetten. Ik merk terzijde nog op dat uit de stukken van het geding blijkt dat bij de verdachte geen mes is aangetroffen.
11. Gelet op het voorgaande heeft het hof het in hoger beroep gevoerde verweer ontoereikend gemotiveerd verworpen, zodat de overige in de toelichting op het middel vervatte klachten buiten bespreking kunnen blijven.
12. Het middel slaagt.
13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG