ECLI:NL:PHR:2014:420

ECLI:NL:PHR:2014:420, Parket bij de Hoge Raad, 21-03-2014, 13/02518

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 21-03-2014
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 13/02518
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2014:1199
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0005291

Samenvatting

Faillissement. Pand. Stil pandrecht op vorderingen uit overeenkomst tot bouw binnenvaarttanker. Beperking overeenkomst tot bouw casco. Nieuwe vordering? Zodanige wijziging rechtsverhouding dat sprake is van een ‘andere rechtsverhouding’? Art. 3:239 lid 1 BW.

Uitspraak

2. Bespreking van het cassatiemiddel

Het in cassatie voorgedragen cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen. De klachten in deze onderdelen raken alle artikel 3:239 lid 1 BW waarin, voor zover hier van belang, is bepaald: “Een pandrecht op een tegen een of meer bepaalde personen uit te oefenen recht dat niet aan toonder of order luidt, (…) kan ook worden gevestigd bij authentieke of geregistreerde onderhandse akte, zonder mededeling daarvan aan die personen, mits dit recht op het tijdstip van vestiging van het pandrecht reeds bestaat of rechtstreeks zal worden verkregen uit een dan reeds bestaande rechtsverhouding.” Hierna volgen eerst enige opmerkingen van meer algemene aard in verband met deze bepaling.

De slotpassage (“mits dit recht op het tijdstip van vestiging van het pandrecht reeds bestaat of rechtstreeks zal worden verkregen uit een dan bestaande rechtsverhouding”) is in artikel 3:239 lid 1 BW alsnog opgenomen om het stelsel dat onder het ‘oude BW’ voor de cessie tot zekerheid gold in ere te herstellen ter tegemoetkoming aan de door het Genootschap van Bedrijfsjuristen geuite wens om geen verschuivingen in het bestaande financieringspatroon in de hand te werken.() Elders wordt als ratio achter de passage ook nog vermeld “de behoefte om tegen zekerheid van toekomstige goederen over een langere periode krediet te kunnen verkrijgen zonder dat dit de bedrijfsvoering van de schuldenaar te veel aan banden legt. De bedoeling is de kredietgever een verhaalsmogelijkheid te geven op wat te zijner tijd – op het moment dat verhaal nodig blijkt – aan goederen voorhanden is. () Het verhaal kan immers plaatsvinden op de inmiddels gevormde nieuwe voorraad, de nieuwe machines, de nieuwe vorderingen.”()

Een met genoemde slotpassage overeenkomende formulering komt men ook tegen in artikel 475 lid 1 Rv (beslag onder derde op vorderingen die de geëxecuteerde op derde heeft) en in lid 3 van artikel 94 BW (‘stille’ cessie van rechten op naam).

De slotpassage in lid 1 van artikel 3:239 BW impliceert dat aan de vraag of een (vorderings)recht op naam rechtstreeks uit een ten tijde van het vestigen van het pandrecht bestaande rechtsverhouding wordt verkregen pas relevant is, wanneer het betrokken (vorderings)recht nog niet op genoemd tijdstip bestaat, dus als toekomstig in de zin van nog te ontstaan is te beschouwen.() Of het betrokken (vorderings)recht op naam al bestaat of nog moet ontstaan zal in belangrijke mate hiervan afhangen of er tussen de betrokken partijen al een verbintenis bestaat waaraan de ene partij jegens de andere partij aanstonds een recht op een presteren (geven, doen of laten) van die andere partij ontleend. Aan het aannemen van een dergelijke verbintenis staat niet reeds in de weg dat aan de verbintenis een opschortende voorwaarde of termijn is verbonden. Er is ook dan al sprake van een verbintenis waaruit een (vorderings)recht tegenover een ander voortvloeit, maar de werking van de verbintenis is in die zin opgeschort dat het recht nog niet is uit te oefenen (artikelen 6:21 en 22 BW). Het (vorderings)recht bestaat wel maar is dan nog niet opeisbaar.() Het kan echter ook zo zijn dat tussen partijen wel al een rechtsverhouding bestaat maar dat toch nog meer gebeurtenissen dienen plaats te vinden, voordat een gebondenheid jegens elkaar kan worden aangenomen in een mate dat gezegd kan worden dat de ene partij tegenover de ander een (al dan niet aanstonds uit te oefenen) (vorderings)recht heeft. Voordat die gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, is er nog slechts sprake van een toekomstig (vorderings)recht. Hier valt onder meer te denken aan de gevallen waarin een partij nog nader blijk dient te geven van zijn wil om tot iets gerechtigd te geraken of om zich jegens de ander te binden.() Als toekomstig (vorderings)recht is ook aangemerkt het recht op huurtermijnen met betrekking tot in het kader van en bestaande huur/verhuurrelatie nog te verschaffen huurgenot.()

Is een (vorderings)recht op naam als toekomstig aan te merken dan hangt de mogelijkheid van het vestigen van een stil pandrecht op dat (vorderings)recht hiervan af of dat recht ten tijde van het vestigen van het pandrecht rechtstreeks voortvloeit uit een bestaande rechtsverhouding. De wetgever heeft niet echt duidelijk aangegeven wat onder een rechtstreekse verkrijging uit een bestaande rechtsverhouding is te verstaan. Gewezen wordt in dat verband op de huurovereenkomst: het recht op huurtermijnen voor nog te ontvangen huurgenot en te voldoen nadat de huur daadwerkelijk is genoten vormt een toekomstig recht. In het licht van dit voorbeeld zal ‘onder rechtstreekse verkrijging uit een bestaande rechtsverhouding’ zijn te verstaan dat de factoren, die het toekomstige recht alsnog doen ontstaan, een grondslag of verankering hebben in een rechtsverhouding die al ten tijde van de verpanding bestaat. Een toekomstige huurtermijn is stil te verpanden omdat het verschaffen van het aan die termijn gerelateerde huurgenot resulteert uit het naleven van een verplichting daartoe, die zijn grond vindt in een ten tijde van het vestigen van het pandrecht al bestaande contractuele rechtsverhouding van huur en verhuur.()

Onderdelen 1 t/m 4

De aangevoerde klachten laten zich herleiden tot deze kernklacht dat het hof met zijn oordeel, dat – gelet op wat in november 2009 tussen IHDA en Amulet nader is overeengekomen – de vordering, waarop UBO beslag heeft gelegd, op het tijdstip van de vestiging ten behoeve van de Bank van het pandrecht nog niet bestond en evenmin rechtstreeks is verkregen uit een op dat tijdstip bestaande rechtsverhouding, een oordeel geeft dat stoelt op een onjuiste rechtsopvatting en/of onvoldoende gemotiveerd is.

Gesteld is en uit met name het Addendum 2 van 20 november 2009 blijkt ook, dat IHDA en Amulet met hun in november 2009 gemaakte afspraken niet beoogd hebben het Bouwcontract 601 uit 2007 geheel te doen vervallen en daarvoor een nieuw bouwcontract in de plaats te stellen. De in november 2009 gemaakte afspraken strekten ertoe, kort weergegeven, om de in het Bouwcontract 601 opgenomen opdracht af te slanken. Gehandhaafd bleef het laten bouwen te China en overbrengen naar Nederland van het casco van de ECO-tanker; de afbouw van de ECO-tanker in Nederland verviel daarentegen. De oorspronkelijke opdracht/koopsom, waarin reeds een vergoeding zat voor het bouwen van het casco in China en het daarna afleveren van het casco in Nederland, diende vanwege de onmiskenbaar aanmerkelijke vermindering van de aanvankelijke omvang van de opdracht/koop te worden aangepast. Die aanpassing werd in het Addendum 2 doorgevoerd door de vergoeding voor het in China laten bouwen en vervolgens het afleveren van het casco in Nederland nu apart te bepalen. Die prijsaanpassing taste evenwel niet aan de verplichting van IDHA uit het Bouwcontract 601 om een casco in China te laten bouwen en dat casco naar Nederland over te brengen en ook niet de verplichting van Amulet uit het Bouwcontract 601 om een vergoeding daarvoor aan IHDA te betalen. Dit vindt bevestiging in de passage op blz. 1 van het Addendum 2: “Partijen hebben met dit addendum de uitdrukkelijke bedoeling om contractuele bepalingen uit contractnummer 601 buiten werking te stellen indien en voor zover die betrekking hebben op levering van een afgebouwde ecotanker en allerlei kwesties die met de levering van een “eenvoudig” casco niet van doen hebben” (onderstreping toegevoegd – AG). In hetgeen het hof op blz. 5 onderaan en blz. 6 bovenaan van zijn arrest overweegt, is een bevestiging en zeker niet een verwerping van het vorenstaande te vinden.

Tegen deze achtergrond valt niet in te zien dat en waarom er, voor wat betreft de bouw te China van een casco en het overbrengen van dat casco naar Nederland, vanaf november 2009 een andere rechtsverhouding tussen IDHA en Amulet is ontstaan. Mede hierdoor valt evenmin in te zien dat en waarom de vordering, die IDHA op 11 juni 2010 – de dag waarop UBO onder Amulet derdenbeslag legde – op Amulet had ter zake van de vergoeding voor de bouw en levering van het casco, rechtens niet kan worden beschouwd als de vordering, die IHDA op Amulet ter zake van de vergoeding voor de bouw en levering van het casco had op 19 september 2009 – de dag waarop de door de Bank en IHDA op 16 september 2009 ondertekende akte “Verpanding bepaalde vorderingen’’ werd geregistreerd. Het feit dat de vergoeding voor het casco na 16 september 2009 in verband met gewijzigde omstandigheden nader is bepaald – gelet op de overeengekomen kortingen zelfs neerkomend op, zo lijkt het, een lagere vergoeding –, levert geen voldoende grond op om uit te gaan van een geheel nieuwe, te weten uit een andere rechtsverhouding voortvloeiende, vordering van IHDA op Amulet op 11 juni 2010. Afgezien van de hoogte van de vergoeding, hield die de vordering immers op 11 juni 2010 nog steeds direct verband met dezelfde verplichting van IDHA (het bouwen van een casco te China en het afleveren van dat casco in Nederland) uit hetzelfde contract (Bouwcontract 601).

Het voorgaande komt hierop neer dat het niet kunnen tegenwerpen door de Bank aan UBO van het pandrecht niet, zoals het hof oordeelt, hierop kan worden gebaseerd dat de vordering, waarop UBO op 11 juni 2010 derdenbeslag heeft gelegd, een vordering is uit een rechtsverhouding tussen IDHA en Amulet, die een andere rechtsverhouding in de zin van artikel 3:239 lid 1 BW is dan de rechtsverhouding tussen deze partijen, waaruit de vordering voortsproot waarop op 19 september 2009 ten behoeve van de Bank een pandrecht is gevestigd. De vordering, waarop UBO derdenbeslag heeft gelegd, is in een direct verband blijven staan met dat gedeelte van het Bouwcontract 601, dat betrekking heeft op het laten bouwen van het casco voor een ECO-tanker te China en het overbrengen van het casco naar Nederland. Voor wat die prestaties betreft, hebben IHDA en Amulet immers het Bouwcontract in november 2009 niet willen doen vervallen. Het uit dat contract voor IDHA voortvloeiende recht op een vergoeding voor die door haar te verrichten prestaties bleef als zodanig ook bestaan; alleen de hoogte van de vergoeding diende nader te worden vastgesteld. Binnen het verband van artikel 3:239 lid 1 BW noopt het feit dat een ander, in werkomvang en in financieel opzicht groter gedeelte van het Bouwcontract 601 in november 2009 verviel, niet tot een andere conclusie. Hierbij is nog het volgende in aanmerking te nemen. Tussen partijen is niet in geschil dat de Bank uit hoofde van de in september 2009 tot stand gebrachte stille verpanding een pandrecht had verkregen op het vorderingsrecht van IHDA ter zake van de vergoeding voor de werkzaamheden, die zij onder het toen nog niet aangepaste Bouwcontract 601 zou verrichten. Niet valt in te zien waarom het pandrecht in november 2009 in zijn geheel zou zijn komen te vervallen, terwijl het recht op een vergoeding uit hoofde van het Bouwcontract 601 niet verviel voor zover IHDA onder dat contract gehouden bleef de niet vervallen verklaarde prestaties uit te voeren. Voor dat gedeelte van de vergoeding bleef het pandrecht onverminderd zijn betekenis als zekerheid voor al eerder verstrekt krediet behouden.

Gelet op het bovenstaande, vormt het bestreden oordeel van het hof ofwel een oordeel waaruit van een onjuiste rechtsopvatting omtrent artikel 3:239 lid 1 BW blijkt ofwel een oordeel dat niet met voldoende redenen omkleed is.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

(A-G)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JOR 2014/252 met annotatie van Mr. B.A. Schuijling
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?