1. Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 30 augustus 2012 de verdachte ter zake van “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf weken, waarvan zes weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Namens de verdachte heeft E.J.M. van der Donk-Korsten, administratief ambtenaar bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt over de strafmotivering.
4. Het bestreden arrest houdt onder het hoofd “op te leggen straf” het volgende in:
“Subsidiair is door de raadsman betoogd om, indien het hof tot een bewezenverklaring zou komen, een geheel voorwaardelijke straf op te leggen, aangezien verdachte tijdens zijn detentie tot inkeer is gekomen.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Met betrekking tot de strafoplegging zijn binnen de zittende magistratuur ten aanzien van hennepteelt oriëntatiepunten ontwikkeld, dienende als richtlijn voor een consistent rechterlijk straftoemetingsbeleid. De genoemde oriëntatiepunten geven ten aanzien van teelt van 100 tot 500 hennepplanten als uitgangspunt een gevangenisstraf van 6 weken. Deze oriëntatiepunten zien op een verdachte die voor dit delict first offender is.
Uit het, de verdachte betreffend, uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 9 juli 2012, is het hof gebleken dat verdachte reeds viermaal eerder ter zake de teelt van hennep is veroordeeld.
Naar het oordeel van het hof kan dan ook, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.”
5. Het middel voert aan dat het hof bij het bepalen van de strafmaat ten onrechte heeft overwogen dat uit een uittreksel justitiële documentatie is gebleken dat verdachte reeds viermaal eerder is veroordeeld ter zake van de teelt van hennep, terwijl uit het uittreksel blijkt dat één van de betreffende veroordelingen pas onherroepelijk is geworden nadat de verdachte zich aan het bewezenverklaarde feit schuldig heeft gemaakt.
6. Uit het uittreksel justitiële documentatie van 9 juli 2012 kan inderdaad worden afgeleid dat de verdachte bij arrest van 22 februari 2011 door het gerechtshof Arnhem wegens het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 onder B van de Opiumwet is veroordeeld en dat die veroordeling eerst onherroepelijk is geworden op 4 oktober 2011, derhalve na de bewezenverklaarde periode in de onderhavige zaak (1 januari 2010 tot en met 3 mei 2010). Anders dan de steller van het middel aanvoert, vermag ik evenwel niet in te zien dat het hof met de verwijzing naar een ten tijde van het onderhavige arrest onherroepelijke veroordeling iets heeft gedaan wat niet door de beugel kan. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof, blijkens de hierboven weergegeven strafmotivering, de vier eerdere veroordelingen eerst en vooral heeft genoemd ter onderbouwing van het oordeel dat de verdachte geen first offender voor dit delict is, zodat het kon afwijken van de in de oriëntatiepunten als uitgangpunt neergelegde gevangenisstraf van zes weken.
7. De onderhavige zaak verschilt dan ook van de situatie waarbij de strafopleggende rechter in de strafmotivering een ten tijde van het tenlastegelegde feit nog niet onherroepelijke veroordeling betrekt bij zijn oordeel dat die veroordeling de verdachte er kennelijk niet van heeft weerhouden opnieuw een (soortgelijk) strafbaar feit te plegen dan wel dat die eerdere veroordeling de verdachte niet het laakbare van zijn handelen heeft doen inzien. In dergelijke gevallen pleegt de Hoge Raad te casseren. Een dergelijke redenering is in de onderhavige zaak niet aan de orde. De strafmotivering van het hof is voldoende met redenen omkleed.
8. Het middel faalt.
9. Het tweede middel klaagt terecht dat art. 6, eerste lid, EVRM is geschonden, doordat de termijn voor het inzenden van de stukken naar de Hoge Raad is overschreden. Het verzuim dient volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad te leiden tot strafvermindering.
10. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
11. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf in de mate als de Hoge Raad gepast acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG