ECLI:NL:PHR:2014:47

ECLI:NL:PHR:2014:47, Parket bij de Hoge Raad, 07-02-2014, 13/01872

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 07-02-2014
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 13/01872
Rechtsgebied Civiel recht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2014:678
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 5 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0001830

Samenvatting

Art. 81 lid 1 RO. Rolbeschikking; verlening akte niet-dienen belet formuleren van grieven ook ingeval appellant incidentele vordering instelt, art. 133 lid 4 Rv.

Uitspraak

2. Bespreking van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel bevat twee onderdelen.

Onderdeel 1 richt zich tegen de rechtsoverwegingen 2.1-2.5 van de rolbeslissing van 11 december 2012 waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:

“2.1. Het hof overweegt dat [eiseres] op grond van art. 1.7 en 2.13 LRH op de roldatum van 27 november 2012 geen uitstel meer kon verkrijgen voor het nemen van de memorie van grieven. Nu zij op die roldatum niet van grieven heeft gediend is haar recht om alsnog die proceshandeling te verrichten in beginsel komen te vervallen (art. 133 Rv).

Vervolgens is het de vraag of het verzuim van [eiseres] om haar memorie van grieven te nemen werd gerechtvaardigd door het instellen van haar incidentele vordering van 843a Rv. Het hof overweegt daarbij dat de partijperemptoirstelling door [verweerster] erop was gericht dat [eiseres] uiterlijk op 27 november 2012 de proceshandeling zou verrichten waar de zaak voor stond, dan wel dat het recht van [eiseres] om die proceshandeling te verrichten zou komen te vervallen.

Tussen partijen staat vast dat [eiseres] op geen enkel moment buiten rechte aan [verweerster] heeft verzocht om afgifte van de processtukken in de zaak [verweerster]/Multraship. [eiseres] heeft in rechte de incidentele vordering op de laatst mogelijke datum ingesteld, toen zij na de peremptoirstelling van grieven moest dienen, op straffe van verval van het recht daartoe. Niet is gebleken van enig beletsel voor [eiseres] om eerder de afgifte door [verweerster] te verzoeken of te vorderen. De stelling van [eiseres], dat de verhouding tussen partijen al jaren lang ernstig verstoord is, staat er niet aan in de weg dat [eiseres] voor, tijdens of na het tussen partijen naar aanleiding van het bestreden vonnis gevoerde overleg een dergelijk verzoek had kunnen doen. Voorts brengt het bepaalde in art. 20 lid 2 Rv met zich dat van [eiseres] had mogen worden verwacht dat zij op een eerder moment in de procedure haar incidentele vordering zou hebben gedaan.

[eiseres] heeft in haar incidentele memorie verder gesteld dat zij over voornoemde processtukken dient te beschikken teneinde haar verweer tegen de bergingskosten goed te kunnen substantiëren en om goed op de reeds in eerste aanleg in het geding gebrachte opinie van John Reeder te kunnen reageren.

Het hof is van oordeel dat hetgeen [eiseres] aanvoert haar niet belette om de memorie van grieven te nemen.

De gevorderde afgifte van een afschrift van de processtukken heeft slechts betrekking op een onderdeel van de vorderingen. In de motivering van de rechtbank (van p. 5 tot 17) besteedt de rechtbank ongeveer een halve bladzijde aan de bergingskosten. Ook in de stellingen van [eiseres] was er dus geen beletsel om de, dwingend door de peremptoirstelling voorgeschreven, termijn voor het nemen van de memorie van grieven te benutten ten aanzien van alle overige overwegingen en beslissingen van de rechtbank. Op basis van de informatie die [eiseres] reeds voorhanden had, moest [eiseres] eveneens in staat geacht worden haar bezwaren tegen het oordeel omtrent de bergingskosten te kunnen formuleren. Voor het geval de – latere – verstrekking van de processtukken van de procedure [verweerster]/Multraship voor [eiseres] nieuwe feiten of omstandigheden zouden opleveren, zou voor haar, ingevolge inmiddels vaste jurisprudentie, de mogelijkheid bestaan om haar stellingen aan deze nieuwe feiten of omstandigheden aan te passen en zonodig een nieuwe grief te formuleren.

Mede gelet op de partijperemptoirstelling en de door de handelwijze van [eiseres] ontstane onredelijke vertraging (zie hiervoor onder 2.2.2) had van [eiseres] dus verwacht mogen dat zij haar memorie van grieven op de laatste daarvoor aangewezen roldatum zou hebben genomen.

Het hof is dan ook van oordeel dat het instellen van de incidentele vordering [eiseres] niet belette de proceshandeling te verrichten waar de zaak voor stond.

Het gevolg hiervan is dat het recht van [eiseres] om de memorie van grieven te nemen is vervallen omdat die proceshandeling niet binnen de daarvoor gestelde termijn is verricht en daarvoor geen nader uitstel is verkregen.”

Onderdeel 1 klaagt dat het toetsingskader dat het hof in rechtsoverwegingen 2.1-2.5 heeft gehanteerd rechtens onjuist is, althans niet juist toegepast, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Allereerst wordt onder verwijzing naar rechtspraak van de Hoge Raad geklaagd dat het hof met het oordeel dat het recht van [eiseres] om het processtuk in de hoofdzaak te nemen is vervallen door niet op de roldatum van 27 november 2013 (tevens) haar memorie van grieven te nemen, heeft miskend dat het recht om het processtuk in de hoofdzaak te nemen niet vervalt wanneer op een incidentele vordering eerst en vooraf moet worden beslist vanwege een bijzondere wettelijke regeling of omdat ‘de zaak dat meebrengt’ (art. 209 Rv.). De aard van het exhibitie-incident op de voet van art. 843a Rv. brengt met zich dat de beslissing daarop van belang kan zijn voor de wending die de hoofdzaak neemt en om die reden eerst moet worden beslist op het exhibitie-incident. Voor zover niet in zijn algemeenheid dient te gelden dat het exhibitie-incident zich leent om vooraf te worden beslist, is het oordeel dat in het onderhavige geval géén sprake is van een incidentele vordering waarop vooraf dient te worden beslist, onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd nu het hof (i) niet (kenbaar) heeft getoetst aan de maatstaf van art. 209 Rv. en (ii) de daarbij geldende wegingsfactoren onjuist heeft gewaardeerd.

Daarnaast wordt geklaagd dat het hof met zijn oordeel in rechtsoverweging 2.2.2 heeft miskend dat geen rechtsregel met zich brengt dat [eiseres] gehouden was haar incidentele vordering in te stellen vóór het nemen van de memorie van grieven. Voorts zijn de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden, mede in het licht van de feitelijke vaststellingen in rechtsoverweging 2.2.2, onvoldoende voor het oordeel dat van [eiseres] had mogen worden verwacht dat zij haar incidentele vordering op een eerder moment zou hebben gedaan. Verder is het oordeel, aldus het onderdeel, van het hof in rechtsoverweging 2.2.3, innerlijk tegenstrijdig en getuigt het van een onjuiste rechtsopvatting omdat het hof heeft miskend dat een processtuk dat nog niet ter inzage van appellant is gekomen niet kan worden aangemerkt als een nieuw feit of omstandigheid waarop ook na indiening van de memorie van grieven nog een aanvullende grief kan worden gebaseerd.

Tot slot bevat het onderdeel nog een voortbouwende klacht die zich richt tegen het oordeel van het hof in rechtsoverweging 2.5 en het dictum onder 3.1.

Juridisch kader

Het gaat in deze zaak om een door [eiseres] op de voet van art. 843a Rv. ingestelde vordering tot afgifte van (een afschrift van) de processtukken in de zaak [verweerster]/Multraship. [eiseres] heeft betoogd dat zij over deze processtukken diende te beschikken teneinde een (voldoende gesubstantieerde) appelgrief te kunnen formuleren in de hoofdzaak tegen de toewijzing door de rechtbank van een substantieel deel van het door [verweerster] gevorderde. [eiseres] stelde deze vordering in op de roldatum waarop haar akte niet-dienen van grieven was aangezegd.

Met betrekking tot de vraag of het instellen van een incidentele vordering op een dergelijk moment het nemen van het vereiste processtuk opschort of kan op schorten, heeft de Hoge Raad de volgende vier arresten gewezen, waarvan drie, zoals in het onderhavige geval, een in de wet geregeld incident betreffen. Naar aanleiding van de beoordeling van de onderhavige zaak door de rolraadsheer en het daartegen gerichte middel, ga ik wat uitvoeriger op deze arresten in.

Het eerste arrest betreft HR 9 december 1966 over het (toen in de wet geregelde) verhoor op vraagpunten. In die zaak had appellant, na peremptoir te zijn gesteld, op de dienende dag niet van grieven gediend, maar een incidentele conclusie tot verhoor op vraagpunten genomen. Het hof verklaarde hem niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, waarna

in cassatie werd betoogd dat het hof geen rekening heeft gehouden met het toenmalige art. 249 Rv. dat bepaalt dat incidentele vorderingen eerst en vooraf zullen worden uitgewezen ‘indien de zaak het medebrengt’.

Dit betoog werd verworpen waarbij de Hoge Raad kort en goed overwoog dat “niet duidelijk is hoe, in een goede procesgang, het nemen van een incidentele conclusie tot verhoor op vraagpunten zou kunnen medebrengen dat niet tijdig van grieven zou behoeven te worden gediend.”

Het volgende arrest is gewezen naar aanleiding van een wrakingsincident: HR 24 september 2010. Zoals de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.4 ook oordeelt, verbindt art. 37 lid 5 Rv. aan een wrakingsverzoek het gevolg dat de behandeling van de hoofdzaak wordt geschorst. Die behandeling kon dus pas worden hervat nadat op het wrakingsverzoek was beslist. Dit is echter alleen maar van belang voor het moment waarop de rolraadsheer akte van niet-dienen mag verlenen, te weten nadat het wrakingsincident is beëindigd door de beschikking van het hof op dat incident. Dat de rolraadsheer vervolgens, nadat de behandeling van de hoofdzaak was hervat in de stand waarin het geding zich bij de schorsing bevond, niet anders dan de gevraagde akte niet-dienen kon verlenen, blijkt uit rechtsoverweging 3.6 van het arrest van de Hoge Raad:

“(…). Het ook in hoger beroep toepasselijke art. 133 lid 4 Rv bepaalt (…) dat wanneer een proceshandeling niet is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn en daarvoor geen uitstel kan worden verkregen, het recht vervalt om de desbetreffende proceshandeling te verrichten. In het onderhavige geval stond De Weerd overeenkomstig de hiervoor in 3.1 onder (v) aangehaalde bepalingen van het rolreglement van het hof, dat was gebaseerd op het ‘Uniform Rolreglement gerechtshoven voor het procederen in civiele zaken’, op 21 mei 2008 peremptoir voor het nemen van een memorie van grieven. Zij heeft toen echter niet van grieven gediend. Daarmee kwam haar recht dit in een later stadium van het geding alsnog te doen, te vervallen. Haar verzuim werd niet gerechtvaardigd door het wrakingsverzoek dat zij toen heeft gedaan omdat door dit verzoek wel de verdere behandeling van de zaak door de rechter werd geschorst, maar niet haar eigen gehoudenheid verviel om op de desbetreffende roldatum een memorie van grieven te nemen. De rolraadsheer die, na behandeling van het wrakingsverzoek, alsnog had moeten beslissen op het verzoek van De Kruijff akte van niet-dienen van grieven te verlenen, had dus tot geen ander oordeel kunnen komen dan dat deze akte inderdaad diende te worden verleend.”

De in het derde arrest van HR 13 juli 2012 aan de orde zijnde zaak betrof een door de derde-beslagenen ingestelde incidentele vordering tot oproeping van de geëxecuteerde in een verklaringsprocedure in het kader van een executoriaal derdenbeslag, op het moment dat hen door de beslaglegger ‘peremptoir en akte niet-dienen’ was aangezegd.

Het hof hield de beslissing in het incident tot oproeping van de geëxecuteerde aan en verleende akte niet-dienen van grieven in de hoofdzaak.

In cassatie werd in het eerste middelonderdeel opgekomen tegen het aanhouden van de beslissing in het incident tot oproeping van de geëxecuteerde. Het onderdeel klaagde dat het hof door het aanhouden van de beslissing in het incident heeft miskend dat art. 209 Rv. meebrengt dat op incidentele vorderingen, indien de zaak dit medebrengt eerst en vooraf wordt beslist en dat de hoofdzaak daardoor is geschorst. De Hoge Raad beoordeelde dit onderdeel als volgt:

“3.2 De klachten van onderdeel 1 zijn gericht tegen rov. 2.2 van het arrest in het incident waarin het hof overweegt dat de incidentele vordering niet meebrengt dat hierop eerst en vooraf zou moeten worden beslist. Bij de beoordeling van deze klachten moet het volgende worden vooropgesteld. Indien een bijzondere wettelijke regel op grond waarvan een incidentele vordering eerst en vooraf dient te worden behandeld en beslist, ontbreekt, zoals bij de hier aan de orde zijnde, niet in de wet geregelde incidentele vordering, geldt de maatstaf van art. 209 eerste zin Rv, die inhoudt dat de vordering eerst en vooraf wordt behandeld en beslist “indien de zaak dat medebrengt”. Bij de toepassing van deze maatstaf dient de rechter, aan de hand van de aard en inhoud van de vordering, de belangen van partijen en het belang van een doelmatige procesvoering, na te gaan of een voorafgaande behandeling en beslissing redelijkerwijs geboden zijn en niet leiden tot een onredelijke vertraging van het geding (HR 2 maart 2012, LJN BU8176, NJ 2012/158, rov. 3.5.2).”

Volgens de Hoge Raad had het hof de regel van art. 209 Rv. niet miskend omdat het heeft onderzocht of de zaak meebrengt dat op de incidentele vordering van eerst en vooraf zou worden beslist. De hier geciteerde rechtsoverweging gaat slechts over de vraag wanneer een niet in de wet geregelde incidentele vordering eerst en vooraf dient te worden behandeld en beslist en bevat geen oordeel over de behandeling van het incident en het niet-dienen van grieven.

Het tweede onderdeel richtte zich tegen het oordeel van het hof dat appellanten geen grieven in hun memorie tot incidentele vordering tot oproeping geëxecuteerde hebben aangevoerd. Naar het oordeel van de Hoge Raad faalde deze klacht op de grond dat de strekking van dat processtuk kennelijk, en begrijpelijk, door de rolraadsheer en het hof anders is opgevat.

De Hoge Raad verwierp vervolgens het cassatieberoep waardoor het verlenen van de akte niet-dienen in stand bleef en appellanten niet-ontvankelijk werden verklaard in hun hoger beroep. In de uitkomst handelt dit arrest dus wel over de vraag of het tijdig dienen van grieven achterwege kan blijven indien een incidentele vordering wordt ingesteld, maar – anders dan het middel tot uitgangspunt neemt – heeft de Hoge Raad geen (nieuwe) maatstaf voor de beantwoording van die vraag gegeven en is de zaak conform het tweede arrest afgedaan.

Het vierde arrest tot slot betreft HR 12 juli 2013 waarin op de roldatum waartegen partijperemptoirstelling/aanzegging van akte van niet-dienen voor memorie van grieven heeft plaatsgevonden, niet van grieven werd gediend en voeging wegens verknochtheid van zaken wordt gevorderd. Op een dergelijk incident wordt in de regel beslist voordat de hoofdzaak wordt afgedaan. Dat doet evenwel niet ter zake, aldus de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.4:

“De verplichting van partijen tegenover elkaar om onredelijke vertraging van de procedure te voorkomen (art. 20 lid 2Rv) en de goede procesorde brengen mee dat op de roldatum waartegen partijperemptoirstelling en aanzegging van akte van niet-dienen voor memorie van grieven heeft plaatsgevonden, van grieven behoort te worden gediend. Dat is niet anders indien op die roldatum voeging wegens verknochtheid van zaken wordt gevorderd, ook al wordt op een dergelijke vordering vaak beslist voordat in de hoofdzaak wordt beslist. De hoofdzaak wordt door die vordering niet geschorst, zodat een partijperemptoirstelling of een aanzegging van akte van niet-dienen daardoor niet vervalt. Saldal c.s. voeren niet aan dat zij op 16 augustus 2011 een nader uitstel hadden verkregen om van grieven te dienen. De rolraadsheer heeft dan ook met juistheid beslist dat het recht van Saldal c.s. was vervallen om de memorie van grieven te nemen.(…).”

De door de Hoge Raad toegepaste maatstaf is dus, evenals in het arrest van 1966, ‘de goede procesorde’, die onder meer voortvarend procederen vereist en daarnaast art. 20 Rv., waarin eveneens is verwoord dat rechter en partijen een verantwoordelijkheid hebben om de procedure vlot te laten verlopen.

Terzijde merk ik op dat de tussenzin “De hoofdzaak wordt door die vordering niet geschorst, zodat (curs. W-vG) een partijperemptoirstelling of een aanzegging van akte van niet-dienen daardoor niet vervalt”, tot misverstand aanleiding kan geven. Gelet op de eerste twee geciteerde arresten meen ik dat ook bij schorsing van de hoofdzaak de partijperemptoirstelling/aanzegging van akte van niet-dienen nog werking heeft en dat de rolraadsheer, na opheffing van de schorsing, tot niet-ontvankelijkheid vanwege het ontbreken van grieven moet beslissen.

Slotsom

Anders dan het middel betoogt, laat het instellen van een incidentele vordering, of deze nu tot schorsing van de hoofdzaak leidt of niet en of daarop nu vóór of tegelijk met de hoofdzaak moet worden beslist, onverlet dat, indien op de juiste wijze partijperemptoir/akte niet-dienen is aangezegd tegen een bepaalde roldatum en de vereiste proceshandeling niet op die roldatum wordt verricht, het recht om dat te doen vervalt vanwege art. 133 lid 4 Rv. De rolraadsheer verleent, tenzij uitstel is gevraagd en verkregen, akte niet-dienen op hetzij dat moment of hetzij, indien de zaak rechtsgeldig is geschorst: nadien.

Dit is de sinds 1966 getrokken lijn: het opwerpen van een incident ontslaat een procespartij nooit van het verrichten van de proceshandeling waarvoor zij peremptoir staat en waarvoor haar akte niet-dienen is aangezegd, tenzij het hof haar daarvoor uitstel heeft gegeven.

Het lijkt er op dat de rolraadsheer in de rechtsoverwegingen 2.2.1 tot en met 2.2.3 nog een belangenafweging heeft toegepast. Gelet op het voorgaande was dat niet nodig.

Daar komt bij dat nu [eiseres] de stukken op 28 november 2012 van [verweerster] had verkregen, de rolraadsheer niet (meer) op de incidentele vordering behoefde te beslissen.

Onderdeel 1 stuit in zijn geheel op het voorgaande af.

Onderdeel 2 richt zich tegen rechtsoverweging 3.1 van de rolbeslissing van 27 december 2012 waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:

“3.1. Het hof overweegt dat hetgeen [eiseres] primair aanvoert het hof niet tot een andere beslissing leidt. Het hof volhardt bij de motivering van zijn eerdere beslissing.

Bij de eerdere beslissing was bepalend dat [eiseres] op 27 november 2012 van grieven moest dienen. Zij heeft dat toen niet gedaan. Het hof heeft op 11 december 2012 overwogen dat hetgeen [eiseres] had aangevoerd niet rechtvaardigde dat zij op 27 november 2012 haar memorie van grieven niet had genomen. De omstandigheid dat [eiseres] op 11 december 2012 alsnog eigener beweging een memorie van grieven wilde nemen brengt daarin geen verandering omdat dat onverlet laat dat [eiseres] op 27 november 2012 niet de proceshandeling waar de zaak voor stond heeft verricht en zij op die datum geen verder uitstel heeft verkregen. Het niet nemen van de proceshandeling op 27 november 2012 was ook niet het gevolg van een administratieve vergissing.

Het primaire verzoek wordt derhalve afgewezen.”

Het onderdeel bouwt voort op onderdeel 1 en behoeft vanwege het falen van de klachten van dat onderdeel geen bespreking.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JWB 2014/150
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?