1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 26 april 2013 – met toepassing van art. 63 Sr – bevestigd het vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 8 juni 2012, waarbij de verdachte is vrijgesproken van het primair tenlastegelegde en wegens het subsidaire “opzetheling” is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 33 dagen, waarvan 28 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals in het arrest omschreven en met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr en tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis. Voorts is de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, een en ander zoals in het arrest vermeld.
2. Namens verdachte heeft mr. D.N. de Jonge, advocaat te Haarlem, beroep in cassatie ingesteld. Mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur en een aanvullende schriftuur ingezonden en daarin in totaal twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het tweede middel klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 april 2013 nietig is, aangezien de door de raadsman bij die gelegenheid aan het Hof overgelegde pleitnotities zich niet (meer) bij de stukken bevinden.
4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 april 2013 is aldaar door de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van zijn pleitnotities die door hem aan het Hof zijn overgelegd.
5. De in dit proces-verbaal vermelde pleitnotities ontbreken bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Overeenkomstig het Procesreglement heeft de raadsman van de verdachte bij faxbericht van 30 augustus 2013 – en 9 oktober 2013 – tijdig aan de Rolraadsheer verzocht alsnog in het bezit te worden gesteld van een afschrift van deze pleitnotities. Desgevraagd heeft de griffier van het Hof bij brief van 24 oktober 2013 de Hoge Raad bericht dat deze pleitnotities niet op het Hof zijn achtergebleven.
6. Gelet hierop valt niet na te gaan of ter terechtzitting meer verweren zijn gevoerd dan de in het bestreden arrest vermeld dan wel of aldaar uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren zijn gebracht. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nu het blijkens bij het Hof ingewonnen informatie onherstelbaar is, nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.
7. Gelet op het voorgaande kan een bespreking van middel 1 volgens mij achterwege blijven. Indien de Hoge Raad daartoe aanleiding ziet, ben ik bereid aanvullend te concluderen.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG