Toelichting:
Nader uitstel wordt in beginsel niet verleend. Na het verstrijken van de in dit artikel genoemde termijn wordt ambtshalve akte niet dienen verleend. Nader uitstel wordt alleen verleend op uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoek en in de in artikel 2.12 genoemde gevallen.
2.12 Nader uitstel
Behoudens in de elders in dit reglement genoemde gevallen, wordt nader uitstel alleen verleend:
a. op eenstemmig verzoek van partijen of op verzoek van een of meer partijen op grond van klemmende redenen
b. Een dergelijk verzoek wordt ingediend, behandeld en beslist overeenkomstig het bepaalde in artikel 1.9 van dit reglement. De termijn van dit uitstel, indien verleend, is in beginsel niet langer dan de laatst verleende termijn voor het verrichten van de betreffende proceshandeling.
Toelichting:
Een uitstel is in beginsel een normale termijn. Indien partijen een langer uitstel wensen, ligt doorhaling in de rede. Na doorhaling kan de zaak later weer op de rol geplaatst worden onder overlegging van de desbetreffende memorie of akte (zie artikel 8.3).”
2.16 Uit het pilotreglement volgt dat voor het nemen van een memorie van grieven in een bodemzaak na verlening van een eerste termijn van zes weken op grond van art. 2.10 in beginsel slechts een tweede uitstel op grond van art. 2.11 van vier weken kan worden verleend. Daarna kan blijkens de toelichting op art. 2.11 alleen nog een nader (derde) uitstel worden verkregen op uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoek en in de in art. 2.12 genoemde gevallen. Dat laatste artikel noemt als gevallen voor nader uitstel een eenstemmig verzoek van partijen of een verzoek op grond van klemmende redenen.
2.17 [eiser] is in de procedure bij het hof vertegenwoordigd geweest door een advocaat. Op grond van zijn deskundigheid en kennis moet een advocaat zonder meer worden geacht op de hoogte te zijn van de ten aanzien van de procedure in hoger beroep geldende termijnen, alsmede van de verstrekkende gevolgen die zijn verbonden aan overschrijding daarvan. Wanneer echter sprake is van verwarringwekkende informatie van de zijde van de gerechtelijke administratie kan het strikte handhaven van deze termijnen een onbillijkheid van overwegende aard opleveren.
2.18 In het onderhavige geval heeft [eiser] op 17 maart 2013 door middel van een H5 formulier een uitstel verzocht van zes weken. Op grond van art. 2.11 van het pilotreglement was evenwel nog slechts een uitstel van vier weken mogelijk. [eiser] heeft in dit verband aangevoerd dat hij op grond van het bepaalde in art. 1.8 van zowel het landelijk rolreglement als het pilotreglement verplicht was om zijn uitstelverzoeken aan het gerechtshof te richten met behulp van via de internet applicatie “loket rechtspraak” gegenereerde H-formulieren. Voorts heeft [eiser] aangevoerd dat hij bij de nakoming van die verplichting erop is gestuit dat wel het landelijk rolreglement naar “loket rechtspraak” was vertaald, maar het pilotreglement niet, en dat hij het H5 formulier heeft kunnen gebruiken ondanks de considerans van het pilotreglement, die luidt dat dit formulier niet meer kan worden gebruikt.
2.19 Ná het wijzen van het thans in cassatie bestreden arrest heeft het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch in een ander geval, waarin een advocaat eveneens ná inwerkintreding van het pilotreglement gebruik heeft kunnen maken van een H5 formulier voor een uitstelverzoek, het volgende geoordeeld:
“Weliswaar mag de advocaat van appellant geacht worden op de hoogte te zijn van het bij dit hof geldende pilotreglement en had hij dus moeten weten dat vanaf 1 januari 2013 bij dit hof geen uitstel meer kon worden gevraagd door middel van een H5 formulier, maar genoemd H5 formulier was echter nog steeds digitaal beschikbaar zonder dat daarbij, anders dan thans het geval is, een waarschuwing, een zogenaamde ‘banner’, verscheen. Nadat de advocaat van appellant via dit formulier uitstel had gevraagd, gaf het roljournaal automatisch een uitstel van zes weken aan, terwijl dit volgens het geldende pilotreglement vier weken had moeten zijn. Dat de advocaat aldus op het verkeerde been is gezet, zoals hij in zijn brief van 4 december 2012 stelt, is alleszins voorstelbaar. Nu in het onderhavige geval bij de afronding van de neurologische rapportage de conclusies uit het psychiatrische deskundigenbericht van grote betekenis zullen zijn, acht het hof het op grond van de eisen van een goede procesorde van belang dat (de advocaat van) appellant – niet alleen aan de deskundige maar ook – aan het hof zijn standpunt over dit rapport kenbaar kan maken. In de gegeven omstandigheden weegt het recht van appellant om zijn standpunt over het deskundigenrapport in de procedure naar voren te kunnen brengen zwaarder dan een strikte naleving van het pilotprocesreglement.”
2.20 Ik meen dat ook [eiser] – in de bewoordingen van het hof in de hiervoor genoemde zaak – “op het verkeerde been is gezet” en dat hij er vanuit mocht gaan dat hij op basis van het op 17 maart 2013 ingediende H5 formulier een uitstel voor het nemen van de memorie van grieven zou krijgen van zes weken. Immers, de advocaat van [eiser] kon dat H5 formulier via “loket rechtspraak” genereren zonder dat daarbij een waarschuwing (in de vorm van een “banner”) verscheen, terwijl daarnaast op het aldus gegenereerde formulier wordt vermeld: “Verzoek eerste uitstel (art. 2.11) Zes weken (gewone zaak)”. In zoverre is m.i. sprake van verwarringwekkende informatie.
2.21 Daar komt bij dat toen de advocaat van [eiser] op 10 april 2013 een bepaald mailbericht van zijn cliënt had ontvangen en bij controle daarna van het roljournaal zag dat de procedure op de rol stond op 16 april 2013 (zie hiervoor onder 2.12), hij op 15 april 2013 via “loket rechtspraak” wederom via een H5 formulier zonder waarschuwing (in de vorm van een “banner”) een “Verzoek tweede uitstel (art. 2.11) Vier weken (gewone zaak)” heeft kunnen doen. Ook deze niet in de pilot voorziene uitstelmogelijkheid is gecreëerd door verwarringwekkende informatie van de Rechtspraak.
Onder die omstandigheden mocht [eiser] er op vertrouwen dat het gevraagde uitstel van vier weken daadwerkelijk aan hem zou worden verleend.
2.22 Dit brengt m.i. met zich dat de op een strikte handhaving van de termijnen van het pilotreglement gebaseerde rolbeslissing van 16 april 2013 een onbillijkheid van overwegende aard oplevert, en dat de met elkaar samenhangende onderdelen a en b van het middel slagen. Onderdeel c behoeft derhalve geen bespreking.
2.23 Nu het middel terecht is voorgedragen, dienen de rolbeslissing van 16 april 2013 en het bestreden arrest te worden vernietigd.
Met betrekking tot de verwijzing bestaat er m.i. aanleiding om de zaak op de voet van art. 422a Rv. terug te wijzen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch omdat dit hof nog geen inhoudelijke beslissingen in deze zaak heeft gegeven.
Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de rolbeslissing van 16 april 2013 en het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 4 juni 2013, zoals verbeterd bij arrest van dit hof van 10 september 2013, en tot terugwijzing naar dit hof.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G