ECLI:NL:PHR:2014:648

ECLI:NL:PHR:2014:648, Parket bij de Hoge Raad, 13-05-2014, 12/04075

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 13-05-2014
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 12/04075
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2014:1586
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001941

Samenvatting

HR: art. 81.1 RO en strafvermindering i.v.m. de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Uitspraak

A.4.12.

‘Dat sprake is geweest van de aanmerkelijke kans dat [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ten gevolge van het handelen van verdachte zouden komen te overlijden, leidt het hof uit het feit dat genoegzaam is komen vast te staan dat:

A.4.13

Verdachte moet zich van die kans ook bewust zijn geweest, immers verdachte heeft naar eigen zeggen tijdens het wegrijden in ieder geval twee personen in de onmiddellijke nabijheid van de door hem bestuurde Opel gezien, terwijl uit de overige bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat deze personen [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zijn geweest. Door met een agressieve manoeuvrerende rijstijl zijn auto voort te bewegen en weg te rijden, waarbij verdachte - zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard - slechts voor ogen had om weg te komen, heeft hij deze kans ook aanvaard. ’

In de door het hof gebezigde bewijsmiddelen in de bijlage bij het arrest, waaraan in voormelde bewijsoverweging wordt gerefereerd, zijn de verklaringen van verdachte als volgt opgenomen:

‘ 11.

De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep en opgenomen in het proces-verbaal van die zitting, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

(p. 3) Ik heb op 27 augustus 2010 te Maastricht een Opel Vectra bestuurd. De man die naa de Franse auto liep, was de bijrijder in de Opel Vectra. Er zat ook nog een man achterin de Vectra. Het is juist dat ik vol gas heb gegeven om me uit die situatie te redden door voor- en achteruit te rijden en tegen de drie om mij heen geplaatste auto's te botsen en te duwen. Op die manier heb ik een klein gaatje gemaakt tussen twee van die drie auto's waardoor ik ben weggereden. Op het moment van het voor- en achteruit rijden, ging het mij maar om één ding: ik wilde wegkomen.

12.

Het ambtsedige proces-verbaal van verhoor van de politie Regio Limburg Zuid, Divisie, Leiding Tactiek RR, Bureau Georg. Crim. En Eureg. Opsp. Team, p. 1032-1037 van het dossier met zaaknummer 2010103742, in wettelijke vorm opgemaakt en op 11 maart 2011 ondertekend door [verbalisant 3] (brigadier) en [verbalisant 4] (hoofdagent), voor zover – zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van verdachte:

(p. 1036) Toen [betrokkene 1] in de auto sprong, zag ik een persoon met een petje op die [betrokkene 1] bijna te pakken had. [betrokkene 1] zei toen "rijden, rijden, rijden." Het was ook mijn bedoeling om weg te rijden. Ik ben twee keer gaan botsen en toen ben ik eruit gekomen. [betrokkene 1] zei nog dat hij niet snapte dat ik er doorheen was gekomen. Ik heb gezien dat [betrokkene 1] bijna gepakt was door die persoon die achter hem aanrende. Ik heb ook nog een persoon ter hoogte van de linker voorzijde van mijn auto zien staan.’

Naar mijn mening moeten de overwegingen, hiervoor onder 6 geciteerd, zo worden begrepen dat het hof van oordeel is, dat toen verdachte wegreed op de wijze zoals hij zelf in zijn verklaringen heeft aangegeven, hij, wederom volgens zijn eigen verklaringen, twee personen heeft gezien, namelijk de persoon die [betrokkene 1] bijna had aangehouden en een persoon ter hoogte van de linker voorzijde van zijn auto. Het hof heeft kennelijk aangenomen dat er gelet op de door de verdachte geschilderde gang van zaken sprake was van een gelijktijdigheid van de wegrijdmanoeuvres en de waarneming van de twee personen. Die aanname lijkt mij geenszins onbegrijpelijk.

Zo gelezen berust de klacht, dat uit de verklaringen van verdachte die voor het bewijs zijn gebruikt niet blijkt dat verdachte met zoveel woorden heeft verklaard dat hij tijdens het wegrijden in ieder geval twee personen in de onmiddellijke nabijheid van zijn auto heeft zien staan, op een verkeerde lezing van de hiervoor onder 6 weergegeven overwegingen van het hof en mist deze daardoor feitelijke grondslag.

Het middel faalt.

Het tweede middel bevat twee klachten, namelijk dat het hof, onvoldoende en begrijpelijk gemotiveerd het verweer heeft verworpen dat verdachte geen opzet had op het overlijden van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte opzet had op het overlijden van [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

De toelichting op de eerste klacht is een herhaling van zetten van het eerste middel, namelijk dat niet duidelijk is op welke verklaring van verdachte het hof doelt in onderdeel A.4.13 van de nadere bewijsoverweging, zoals hiervoor geciteerd onder 6. Wat dit betreft verwijs ik naar de bespreking van het eerste middel. Deze klacht mist feitelijke grondslag omdat deze berust op een verkeerde lezing van desbetreffende overweging van het hof. Deze klacht faalt daarom eveneens.

De tweede klacht komt er in de kern op neer dat het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen het voorwaardelijk opzet van verdachte op het overlijden van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet heeft kunnen afleiden, met name dat het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans daarop niet uit de verklaringen van verdachte kan worden afgeleid, noch uit de overige bewijsmiddelen.

In de toelichting op het middel wordt van het uitgangspunt uitgegaan dat het voor de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans op overlijden van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] door middel van bewijsmiddelen zou moeten worden aangetoond dat verdachte beiden heeft waargenomen toen hij achteruit reed en toen hij weg reed.

Dat lijkt mij een te zware eis voor het aannemen van voorwaardelijk opzet. Indien immers uit de bewijsmiddelen rechtstreeks zou volgen dat verdachte beide personen had gezien toen hij op hen inreed, zou er gewoon sprake zijn geweest van opzet en zou de voorwaardelijk opzet variant helemaal niet in beeld komen. Van voorwaardelijk opzet is sprake als er een ‘aanmerkelijke kans’ bestaat dat een gedraging een bepaald gevolg veroorzaakt, waarbij door de betrokken verdachte deze kans ook ‘bewust’ wordt ‘aanvaard’. In onderhavige zaak wordt terecht niet betwist dat verdachtes rijgedrag als zodanig levensgevaarlijk was voor mensen die zich in de nabijheid van de auto bevonden. Zie met name de onder 7 weergegeven verklaring van verdachte: ‘Op het moment van het voor- en achteruit rijden, ging het mij maar om één ding: ik wilde wegkomen.’ Het middel richt zich erop dat niet kan worden aangetoond dat verdachte zich ervan bewust was dat de personen die hij in de buurt van de auto had gezien tijdens zijn rijmanoeuvres dodelijk door hem geraakt zouden kunnen worden, omdat hij vooral bezig was door de blokkade van de drie politieauto’s heen te breken.

Bij de beoordeling van de omstandigheid of verdachte die kans bewust heeft aanvaard, oftewel de wetenschap van de aanmerkelijke kans is een zekere objectivering toegestaan. Die bewuste aanvaarding kan ook worden afgeleid uit onverschilligheid ten aanzien van de intreding van het gevolg, als de verdachte maar wel wetenschap heeft van die aanmerkelijke kans. Daarbij kunnen ook de aard van de gedragingen en de feitelijke omstandigheden waaronder deze zijn verricht worden betrokken. Bepaalde gedragingen kunnen immers, naar hun uiterlijke verschijningsvorm, zo zeer gericht zijn op een bepaald gevolg, dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg heeft aanvaard. Daarbij is het minder relevant of de verdachte het gevolg ook wilde of nastreefde, want dat staat het aannemen van voorwaardelijk opzet niet in de weg.

In onderhavige zaak heeft het hof blijkens de hiervoor onder 6 weergegeven bewijsoverwegingen vastgesteld dat [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zich op een afstand van ten hoogste enkele meters achter en voor de door verdachte bestuurde auto hebben bevonden en dat verdachte terwijl hij vol gas gaf in de richting van deze verbalisanten heeft gereden, waardoor zij slechts door weg te springen hebben voorkomen dat zij door verdachte werden geraakt. Verdachte zelf heeft verklaard twee personen te hebben gezien in de onmiddellijke nabijheid van zijn auto. Tevens heeft het hof gewezen op zijn agressieve rijstijl, waarbij hij alleen voor ogen had om weg te komen. Illustratief voor de wijze waarop verdachte hierbij heeft gereden, is de bij de bewijsmiddelen onder 8 opgenomen verklaring van [betrokkene 2], die vlak voordat verdachte ging rijden in de auto van verdachte was gesprongen:

‘[verdachte] [verdachte, AG] gaf gas. Ik voelde dat de auto naar voren ging. Ik hoorde ook dat de auto hevig geluid maakte. De man die naast mij stond [[verbalisant 1], AG], stond daar heel erg gevaarlijk. [verdachte] heeft wel zeker twee keer vooruit en een keer achteruit gereden. Het kan vaker geweest zijn. Elke keer dat [verdachte] naar voren en naar achteren reed, botste hij tegen ene andere auto aan. Ik had het gevoel dat we waren omsingeld en dat we geen kant op konden. Maar toch kreeg [verdachte] het voor elkaar om eruit te komen. Ik voelde het botsen en ten slotte duwde hij de auto voor hem aan de kant. Ik hoorde op dat moment een hoog toerental en dat de banden spinden. Toen ging de auto door de blokkade en zijn we weggereden.’

Gelet op deze feiten en omstandigheden heeft het hof aangenomen dat verdachte bewust de kans heeft aanvaard deze twee personen, waarvan het hof heeft vastgesteld dat dit [verbalisant 1] en [verbalisant 2] waren, zodanig te raken dat zij zouden kunnen komen te overlijden. Dit oordeel van het hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

Het derde middel klaagt over de overschrijding van de redelijke termijn.

Namens verdachte is op 20 augustus 2012 beroep in cassatie ingesteld. Uit de gedingstukken blijkt niet dat hij zich op dat moment in verband met deze zaak in voorlopige hechtenis bevond. In het proces-verbaal van de zitting van het hof van 26 juli 2012 is op pagina 4 vermeld: ‘De verdachte deelt op vragen van de voorzitter mede: Het is juist dat ik tot begin juni 2012 in voorarrest heb gezeten in verband met deze zaak.’ Weliswaar wordt in de toelichting op het middel gesteld dat verdachte in voorlopige hechtenis verblijft, maar niet dat deze voorlopige hechtenis op onderhavige zaak betrekking heeft. In verband met de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden, geldt derhalve in casu een inzendtermijn van acht maanden.

De stukken van het geding zijn bij de Hoge Raad op 4 december 2013 binnengekomen, waardoor de inzendtermijn van acht maanden, met ruim zeven maanden is overschreden. Dit betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden, hetgeen dient te leiden tot strafvermindering.

Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf naar de gebruikelijke maatstaf wegens de geconstateerde inbreuk op het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?