13/06217
Mr. F.F. Langemeijer
13 juni 2014
Conclusie op het herzieningsverzoek van Stichting Gemeenschappelijke Organisatie Dienen
1. Bij beschikking van 25 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:998) heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van de Stichting Gemeenschappelijke Organisatie Dienen (hierna: de Stichting) en anderen tegen een beschikking van de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam niet ontvankelijk verklaard.
2. Bij schrijven van 5 mei 2014 heeft [betrokkene] namens de Stichting herziening van deze beschikking van de Hoge Raad verzocht op de voet van art. 390 en 382 Rv of art. 8:119 Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Voor zover het is gegrond op art. 8:119 Awb, kan de Stichting in haar verzoek niet worden ontvangen omdat die bepaling uitsluitend betrekking heeft op beslissingen van de bestuursrechter. Voor zover het herzieningsverzoek is gegrond op art. 390 Rv, verdient opmerking dat het rechtsmiddel van herroeping ingevolge het bepaalde in art. 384 Rv moet worden aangebracht bij de rechter die in laatste feitelijke instantie over de zaak heeft geoordeeld. Onder oud recht werd al aangenomen dat rekest-civiel tegen beslissingen van de Hoge Raad niet openstaat behoudens voor zover het college zelf in hoogste ressort over de feiten heeft geoordeeld. Voor de herroeping in het huidige procesrecht volgt dit uit art. 384 Rv. In dit geval is niet aan de wettelijke vereisten voor een herroeping voldaan. Het verzoek is gebaseerd op de stelling dat de Hoge Raad (volgens de Stichting: ten onrechte) geen acht heeft geslagen op de brieven van 21 en 22 maart en 11 april 2014 die haar gemachtigde aan de Hoge Raad had toegezonden. Die stelling levert, gelet op art. 382 in verbinding met art. 391 Rv, geen grond op voor herroeping.
4. In het schrijven van 5 mei 2014 lees ik ook een verzoek om terugbetaling van het (op 10 maart 2014 alsnog) betaalde griffierecht. Daarvoor biedt de wet geen grond. Art. 29 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zaken bepaalt dat degene die de griffierechten heeft betaald, gedurende een maand na die betaling tegen de beslissing van de griffier tot heffing van het griffierecht bij verzoekschrift in verzet kan komen bij het gerecht waaraan het griffierecht werd betaald. Indien het schrijven van 5 mei 2014 door de Hoge Raad zou worden opgevat als een zodanig verzet, volgt uit het dossier − en uit een brief van de Stichting van 14 maart 2014, waarin melding is gemaakt van de betaling op 10 maart 2014 − dat de termijn van een maand is overschreden. Voor het verzoek op blz. 10 van het schrijven van 5 mei 2014, om vergoeding van de gemaakte kosten van bijstand in de cassatieprocedure, ontbreekt eveneens een grondslag. De beslissing over de proceskosten in cassatie is exclusief geregeld in art. 429, lid 2, in verbinding met art. 419 lid 4 Rv.
5. Het schrijven van 5 mei 2014 (blz. 3 en blz. 10) behelst voorts de stelling dat de Stichting met haar (door de Hoge Raad ter zijde gelegde) brief van 11 april 2014 tevens een verzoek om schadevergoeding heeft ingediend, waarover nog een beslissing zou moeten worden genomen. Bij herlezing kan ik een zodanig verzoek niet terugvinden in de brief van 11 april 2014. In die brief wordt weliswaar melding gemaakt van schade die de Stichting, Neral B.V of haar bestuurder zou hebben geleden in verband met hetgeen aan de orde was in de procedure bij de ondernemingskamer, doch ter onderbouwing van de stelling (op blz. 3) dat zij voldoende belang hadden om in hun cassatieberoep te worden ontvangen “voor de vaststelling van haar schade welke is veroorzaakt met of bij de aanwijzingsbeschikking van de Ondernemingskamer”. Hetgeen in het schrijven van 5 mei 2014 verder nog is opgemerkt (omtrent de beschikking van 25 april 2014, de daaraan voorafgaande procedure en procedures bij andere colleges) noopt niet tot enige thans nog door de Hoge Raad te nemen beslissing.
6. Mijn conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de Stichting in haar herzieningsverzoek.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.