ECLI:NL:PHR:2014:78

ECLI:NL:PHR:2014:78, Parket bij de Hoge Raad, 14-02-2014, 13/01243

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 14-02-2014
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 13/01243
Rechtsgebied Civiel recht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2014:944
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 3 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0001830

Samenvatting

Art. 81 lid 1 RO. Invordering bestuursrechtelijke dwangsommen. Misbruik van bevoegdheid of anderszins in strijd met recht? Toerekening gedragingen bestuurder van verschillende vennootschappen. Selectieve handhaving? Voorwaardelijk verzoek om pleidooi gepasseerd.

Uitspraak

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

Naast een inleiding (onder 1-8) en een weergave van de kern van het cassatieberoep (onder 9-26), beide zonder zelfstandige klachten, omvat de cassatiedagvaarding vier middelen (I-IV).

Omdat bij welslagen van middel IV, dat klaagt dat het hof niet gemotiveerd op een verzoek van BBI om pleidooi heeft beslist en ten aanzien waarvan de Gemeente zich aan het oordeel van de Hoge Raad heeft gerefereerd, het bestreden arrest hoe dan ook geen stand kan houden en de zaak na verwijzing wellicht alsnog zal moeten worden bepleit, zie ik aanleiding dat middel als eerste te bespreken.

Volgens het middel was na het in appel gevoerde schriftelijke debat bij BBI veel onduidelijkheid blijven bestaan over het gevoerde handhavingsbeleid ten aanzien van niet-agrarische bedrijven in het buitengebied. BBI had daarover graag opheldering verkregen in een daartoe te gelasten comparitie van partijen. Toen haar desbetreffende verzoek werd afgewezen en de stukkenwisseling werd gesloten, heeft zij, nog steeds volgens het middel, het hof verzocht aan te geven of er een eind- of tussenarrest zou worden gewezen en kenbaar gemaakt dat zij de zaak voor een eventueel eindarrest wilde bepleiten om een toelichting te kunnen geven op bepaalde (althans voor een deel door de Gemeente nog te verstrekken) beleidsstukken. Het middel voert aan dat het hof op 27 juni 2012 telefonisch aan de procesadvocaat van BBI heeft medegedeeld dat het nooit van tevoren aangeeft of een tussen- dan wel een eindarrest zal worden gewezen. Daarop heeft de procesadvocaat nogmaals aan de griffie aangegeven dat BBI haar recht op pleidooi wilde behouden en benutten, zoals vermeld in een op 5 juni 2012 ingediend H-formulier. Voorts zou de procesadvocaat van BBI het desbetreffende verzoek nog eens per brief aan het hof hebben bevestigd. Vervolgens is de zaak verwezen naar de rol van 25 september 2012 en heeft BBI niet meer van de griffie over het verzoek om pleidooi vernomen. Het middel memoreert dat het hof in het op 11 december 2012 gewezen eindarrest slechts gewag heeft gemaakt van het verzoek van BBI om een comparitie, zulks terwijl volgens het middel uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat een afwijzing van een verzoek om pleidooi slechts vanwege klemmende redenen of vanwege strijd met een goede procesorde mogelijk is en in het arrest zelf moet worden gemotiveerd.

Bij de bespreking van deze klacht stel ik voorop dat ook in hoger beroep geldt dat partijen in beginsel het recht hebben hun standpunten bij pleidooi toe te lichten. Een verzoek om de zaak te mogen bepleiten zal slechts in uitzonderlijke gevallen mogen worden afgewezen. Daartoe is noodzakelijk dat van de zijde van de wederpartij tegen toewijzing van dat verzoek klemmende redenen worden aangevoerd of dat toewijzing strijdig zou zijn met de eisen van een goede procesorde. In elk van deze beide gevallen zal de rechter zijn redenen voor afwijzing van het verzoek uitdrukkelijk moeten vermelden en zijn beslissing daaromtrent deugdelijk moeten motiveren.

In het door BBI in cassatie gefourneerde procesdossier bevindt zich een aantal stukken die betrekking hebben op het door het middel bedoelde verzoek om pleidooi.

Van belang is allereerst het roljournaal, waaruit blijkt dat BBI op 5 juni 2012 heeft gefourneerd, dat de Gemeente zulks op respectievelijk 8 mei 2012 en (aanvullend) op 19 juni 2012 heeft gedaan en dat de zaak vervolgens voor arrest op de rol van 25 september 2012 is geplaatst. Van een verzoek om pleidooi wordt in het roljournaal géén melding gemaakt.

Bij de bedoelde stukken bevindt zich voorts een op 4 juni 2012 gedateerd en voor de rol van 5 juni 2012 bestemd H16-formulier (“Niet geregeld verzoek”). Op dat formulier wordt de navolgende toelichting gegeven:

“Bijgaand het procesdossier zijdens [A]. Wij gaan er vanuit dat er een tussenarrest zal worden gewezen. Mocht dit niet het geval zijn dan verzoeken wij reeds nu pleidooi. Er zijn bij de gemeente diverse stukken opgevraagd met een verzoek op grond van de Wet Openbaarheid van Bestuur, nadat er in een laat stadium nieuwe bij cliënt niet bekende maar zeer relevante beleidsinformatie opdook. De gemeente is niet erg meewerkend en daar is al over geprocedeerd. Mijn correspondent hoopt in de komende weken/maanden de betreffende stukken te ontvangen. In een pleidooi kunnen dan deze stukken worden toegelicht.”

Anders dan de cassatiedagvaarding (onder 136-137) suggereert, valt uit de stukken niet op te maken dat (de griffie van) het hof op 27 juni 2012 telefonisch op het bedoelde formulier (dat blijkens het daarop geplaatste stempel kennelijk niet ter griffie van het hof, maar ter griffie van de rechtbank was ingekomen) heeft gereageerd. Uit de eveneens overgelegde brief van de procesadvocaat van BBI van 24 december 2012 aan de griffier van het hof blijkt dat, eerst nadat daarover navraag was gedaan, (niet op 27 maar op) 28 juni 2012 telefonisch door de griffie van het hof zou zijn medegedeeld “dat van tevoren nooit wordt aangegeven of er een tussen- of een eindarrest wordt gewezen.” Kennelijk vond dat telefoongesprek plaats naar aanleiding van een eveneens overgelegde brief van de procesadvocaat van BBI van 27 juni 2012 (die overigens niet aan de griffier van het hof, maar aan de griffier van de rechtbank was gericht) en waarvan de inhoud luidde als volgt:

“Edelachtbare Vrouwe/Heer,

Hierbij zend ik u een afschrift van het H16-formulier zoals dat voor de rol van 5 juni jl. is ingediend. Kortheidshalve verwijs ik u naar de inhoud hiervan.

De zaak staat thans op de rol van 25 september a.s. voor arrest. Ik verzoek u mij hierbij te berichten of u mij kunt meedelen of het arrest wat gewezen gaat worden in deze zaak een tussenarrest betreft of een eindarrest gezien het eerder gestelde in het bovengenoemde H-formulier.

Gaarne verneem ik van u.”

Het was, volgens de brief van de procesadvocaat van BBI van 24 december 2012, in datzelfde telefoongesprek dat “wij (hebben) aangegeven dat appellante haar recht op een pleidooi uitdrukkelijk wilde behouden, in navolging van het daartoe al ingediende H-16 formulier.” Dat de procesadvocaat van BBI ná het bedoelde telefoongesprek van 28 juni 2012 het verzoek om pleidooi nog eens uitdrukkelijk zou hebben bevestigd (zoals zou kunnen worden afgeleid uit de cassatiedagvaarding onder 138, slot) blijkt niet uit de stukken en wordt ook niet in de brief van de procesadvocaat van BBI van 24 december 2012 aan de griffier van het hof aangevoerd.

Voor zover het uitgangspunt in cassatie al moet zijn dat het formulier H16 het hof tijdig heeft bereikt, meen ik dat het hof het in dat formulier vervatte verzoek niet behoefde op te vatten (en kennelijk ook niet heeft opgevat) als een ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk verzoek om pleidooi, waarop het gemotiveerd in zijn (eind)arrest diende te beslissen.

Reeds de keuze voor het formulier H16 wijst erop, dat van een zodanig ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk verzoek geen sprake was. Uit de aanduiding van de verschillende H-formulieren blijkt welke rolhandelingen daarmee kunnen worden verricht. Waar afzonderlijke H-formulieren voor het vragen van pleidooi beschikbaar zijn (te weten de formulieren “H10b Verzoek mondeling pleidooi” en “H10c Verzoek schriftelijk pleidooi”), impliceert de keuze voor formulier “H16 Niet geregeld verzoek” dat BBI daarmee niet (zonder meer) de vaststelling van een mondeling of schriftelijk pleidooi beoogde.

Belangrijker nog dan haar keuze voor een bepaald formulier is dat BBI haar verzoek afhankelijk stelde van een door het hof nog te vormen (en haar op voorhand kenbaar te maken) oordeel, en wel in die zin, dat haar verzoek slechts gold voor het geval dat het hof zich (volgens BBI ten onrechte) reeds tot finale beslechting van het geschil in staat zou achten. Een dergelijk verzoek acht ik onbestaanbaar. Het in de wet vastgelegde recht op pleidooi strekt ertoe de rechter voor te lichten, vóórdat hij zich een oordeel vormt; het omvat (buiten het zich hier niet voordoende geval van een verrassingsbeslissing) niet het recht om in kennis te worden gesteld van de beslissing die de rechter voornemens is te nemen en om, afhankelijk van die voorgenomen beslissing, de zaak al dan niet (alsnog) te bepleiten. Kennelijk is dit een en ander, naar aanleiding van door de procesadvocaat van BBI gedane navraag, op 28 juni 2012 telefonisch door de griffie van het hof aan de procesadvocaat van BBI medegedeeld.

Gelet op de bestaande onzekerheid of het hof nog een tussenarrest zou wijzen en BBI aldus de gelegenheid zou krijgen zich op mogelijk door de Gemeente nog te verstrekken stukken te beroepen, was het aan BBI om hetzij het risico van een aanstonds te wijzen eindarrest te nemen, hetzij ieder risico uit te sluiten door onvoorwaardelijk pleidooi te vragen. Zij heeft dat laatste niet gedaan, óók niet nadat haar (op 28 juni 2012) duidelijk was geworden dat het hof zich (terecht) niet bij voorbaat op het wijzen van een tussen- dan wel een eindarrest wilde vastleggen.

Alhoewel de reden waarom BBI de zaak (mogelijk) nog wilde bepleiten, in beginsel niet ter zake doet, wijs ik nog erop dat het middel (onder 134-135) ten onrechte suggereert dat het (voorwaardelijke) verzoek om pleidooi was ingegeven door de afwijzing van haar verzoek, strekkende tot het gelasten van een comparitie van partijen. Op dat verzoek heeft het hof echter eerst in rov. 4.12, slot, van het eindarrest beslist, en wel in die zin dat het voor een comparitie van partijen zoals door BBI verzocht geen aanleiding zag (“BBI heeft nog verzocht om een comparitie van partijen te gelasten, doch het hof ziet daartoe gezien het vorenoverwogene geen aanleiding.”).

Alhoewel het ongetwijfeld de voorkeur zou hebben verdiend dat hof, indien het, zoals ik veronderstel, tijdig van het voorwaardelijke verzoek van BBI om pleidooi op de hoogte was geraakt, had geëxpliciteerd dat en waarom het dat verzoek niet kon honoreren, meen ik dat het hof, ook nu het zulks heeft nagelaten, niet kan worden verweten van een onjuiste rechtsopvatting te hebben blijk gegeven dan wel zijn beslissing onvoldoende te hebben gemotiveerd. Het middel kan daarom niet tot cassatie leiden.

Middel I omvat een inleiding en een drietal onderdelen (A-C).

Onderdeel I.A klaagt dat het hof in rov. 4.7 van een onjuiste rechtsopvatting van de reikwijdte van de bevoegdheid van de Gemeente tot invordering van de verbeurde dwangsom van € 450.000,00 blijk heeft gegeven. De wijze waarop de Gemeente van haar invorderingsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt, is volgens de klacht in strijd met art. 3:13 lid 2 BW, art. 3:14 BW en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, nu het motief van de Gemeente om tot invordering over te gaan blijkens het advies van 4 maart 2008 is geweest het houden van een “stok achter de deur” en/of het geven van een prikkel aan BBI na het vastlopen van de onderhandelingen over de ontwikkeling van De Driehoek. Het hof sanctioneert ten onrechte dit misbruik van bevoegdheid c.q. van recht, zo betoogt de klacht.

Uit de toelichting (randnummers 29-82) maak ik op dat de klacht in het bijzonder steunt op de navolgende (verkort weergegeven) gronden:

a) de Gemeente heeft, na het onherroepelijk worden van de last, voorwaarden verbonden aan een verdere opschorting van de begunstigingstermijn die niet op de uitvoering van de last zien en onuitvoerbaar zijn (onder meer randnummers 30, 68 en 71);

b) door alleen in het geval van BBI af te wijken van de vaste gedragslijn dat een verbeurde dwangsom niet wordt geïnd indien de overtreding na het verstrijken van de begunstigingstermijn alsnog is opgeheven, handelt de Gemeente in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (onder meer randnummers 30, 50 en 64);

c) de Gemeente heeft (achteraf, na het onherroepelijk worden van de last onder dwangsom) de invordering afhankelijk gesteld van de vraag of de gesprekken met [betrokkene 1] leiden tot verplaatsing van de gehele fabriek, terwijl de last onder dwangsom alleen betrekking had op het verwijderen van twee loodsen en de fabriek destijds bovendien door de Gemeente werd gedoogd (onder meer randnummers 54 en 75);

d) de Gemeente mocht de bevoegdheid tot invordering niet benutten om de gesprekken met [betrokkene 1] in haar voordeel te beïnvloeden, omdat de bevoegdheid tot invordering niet voor dit doel is verleend (onder meer randnummers 58, 75 en 78-81);

e) de verplaatsing van de fabriek naar De Driehoek was lange tijd niet uitvoerbaar, omdat de daarvoor noodzakelijke MER door toedoen van de Gemeente pas in oktober 2009 is voltooid (onder meer randnummers 56 en 71);

f) een bestuurlijke dwangsom dient als prikkel tot herstel van een overtreding, terwijl in dit geval na verbeurte van de dwangsom in 2004 bijna vier jaar zijn verstreken en de Gemeente de verjaring tot acht maal toe heeft gestuit alvorens zij in 2008 tot invordering heeft besloten (onder meer randnummers 39 en 49);

g) ingevolge art. 6, lid 1, onder e, en lid 5 van de overeenkomst uit 2005 heeft de Gemeente haar bevoegdheid tot handhaving ten aanzien van de gehele fabriek tot 31 maart 2010 opgeschort, zodat niet valt in te zien dat de Gemeente in maart 2008 gebruik kon maken van de bevoegdheid tot invordering (onder meer randnummer 61);

h) op grond van de overeenkomst uit 2005 was het belang van de Gemeente bij herstel van de agrarische bestemming afdoende gewaarborgd, zodat met het invorderen van de verbeurde dwangsommen geen redelijk belang meer is gediend, terwijl BBI hierdoor financieel aanzienlijk wordt getroffen (onder meer randnummer 62).

De onderhavige invordering wordt beheerst door het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Wet Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht. Artikel 5:33 lid 1 (oud) Awb bepaalde dat het bestuursorgaan de verbeurde dwangsommen “kan” invorderen, hetgeen duidt op een discretionaire bevoegdheid. In de literatuur werd echter aangenomen dat de ruimte om van invordering af te zien slechts beperkt is en dat daartoe van bijzondere omstandigheden sprake dient te zijn. Daarbij werd het volledig beëindigen van de overtreding na de begunstigingstermijn niet als een bijzondere omstandigheid beschouwd. A fortiori leidde een dergelijke beëindiging niet tot een verplichting voor het bestuur om van invordering af te zien. Voor deze opvatting kan ook steun worden gevonden in de parlementaire geschiedenis van de Dwangsomwet. In de memorie van toelichting bij deze wet werd opgemerkt:

“In de praktijk is meermalen de vraag gerezen of het bevoegde gezag nog wel het recht heeft een verbeurde dwangsom in te vorderen als de overtreder de met de desbetreffende milieuwet strijdige situatie of handeling heeft beëindigd op het moment waarop de invorderingsprocedure wordt gestart. Het antwoord op deze vraag luidt bevestigend. Het recht van het bevoegd gezag een verbeurde dwangsom in te vorderen wordt niet opgeschort of komt ook niet te vervallen, indien de overtreder na het moment waarop hij de dwangsom heeft verbeurd, de overtreding ongedaan heeft gemaakt of na verloop van tijd de overtreding niet heeft herhaald. De verplichting tot betaling van de dwangsom ontstaat immers door het enkele feit van de overtreding. Als dit anders zou zijn, zou het middel van de dwangsom weinig effectief zijn. De functie van een dwangsom is immers niet alleen dat overtredingen ongedaan worden gemaakt, maar ook dat herhalingen worden voorkomen. Hierbij past niet dat een overtreder door een al dan niet tijdelijke verbetering van gedrag zelf zou kunnen bepalen of een verbeurde dwangsom kan worden ingevoerd. Wel zou het bevoegde gezag onder omstandigheden kunnen besluiten niet tot invordering over te gaan.”

Verder benadrukt de Minister in de Nota naar aanleiding van het eindverslag:

“Ik wil voorop stellen dat uit het karakter en het doel van de dwangsombeschikking voortvloeit, dat indien een dwangsom is vastgesteld en de overtreding in kwestie doorgaat de dwangsom ook zal moeten worden geïnd. Immers, zou dit anders zijn, dan zou de dwangsombeschikking het karakter van dwangmiddel al snel verliezen. Inning van de dwangsom is derhalve zonder meer regel. Dit neemt niet weg, dat bijzondere gevallen denkbaar zijn, waarin het niet gerechtvaardigd is tot inning van de (gehele of gedeeltelijke) dwangsom over te gaan. Of zich zo’n geval voordoet hang af van de bijzonderheden en de omstandigheden van het concrete geval. Om hierover in algemene zin uitspraken te doen, acht ik niet zinvol. Wel wil ik benadrukken dat - in lijn met het voorgaande - niet snel zal mogen worden geoordeeld, dat de omstandigheden zó bijzonder zijn, dat niet tot inning moet worden overgegaan.”

Overigens heeft de Vierde tranche in het voorgaande geen wijziging gebracht. Met betrekking tot de invorderingsbeschikking op grond van het huidige art. 5:37 lid 1 Awb heeft de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (hierna: AbRvS) geoordeeld:

“Bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom, dient aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.”

Het hof heeft met zijn oordeel vastgehouden aan de hoofdregel dat verbeurde dwangsommen dienen te worden ingevorderd. In de omstandigheden van het geval heeft het geen grond gezien daarvan af te wijken. Gezien hetgeen hiervoor onder 2.10 is opgemerkt, geeft dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk, ook niet als de in de toelichting op de klacht aangevoerde omstandigheden in aanmerking worden genomen. Ik licht dat als volgt toe.

Het hiervóór (in 2.9) onder a weergegeven betoog, dat is gericht tegen de wijze waarop de Gemeente in haar (hiervóór onder 1.12 genoemde) brief van 16 april 2004 een verdere opschorting van de begunstigingstermijn van voorwaarden afhankelijk stelde, faalt, reeds omdat nadere beslissingen over de begunstigingstermijn zijn op te vatten als appellabele besluiten, welke besluiten de burgerlijke rechter, zolang zij niet zijn vernietigd, dan wel zijn herroepen op gronden die de onrechtmatigheid van die besluiten impliceren, voor rechtmatig moet houden.

Met betrekking tot het hiervóór (in 2.9) onder b vermelde betoog geldt, dat het hof zich onmiskenbaar rekenschap heeft gegeven van de door de Gemeente in het verleden gevolgde gedragslijn om, in situaties waarin de overtreding na het aflopen van de begunstigingstermijn was beëindigd, veelal van het innen van de daarvoor verbeurde dwangsommen af te zien. Ik verwijs daarvoor allereerst naar het in rov. 3.2 onder b uitvoerig geciteerde ambtelijke advies, dat onder meer vermeldt:

“In het verleden heeft uw college, in die gevallen waar sprake was van beëindiging van de overtreding na het aflopen van de begunstigingstermijn, veelal afgezien van het innen van daarvoor verbeurde dwangsommen. De reden hiervan is grotendeels gelegen in het blijven behouden van draagvlak voor het handhavingsklimaat in de gemeente Barneveld. In het onderhavige geval zijn er echter bijzondere omstandigheden aanwezig om deze gedragslijn (op dit moment) terzijde te schuiven. Zo zijn de in het geding zijnde (productie)loodsen illegaal gebouwd, ondanks dat in het verleden afspraken met het betonbedrijf zijn gemaakt over het niet meer treffen van illegale bouwkundige voorzieningen op het perceel. Daarnaast is in 2001 met het betonbedrijf een (inspannings)overeenkomst aangegaan, teneinde te komen tot verplaatsing naar De Driehoek. Op dit moment vinden over de uitvoering van deze overeenkomst weer gesprekken met [betrokkene 1] plaats. Het is dan ook niet uit te sluiten dat naar aanleiding van die gesprekken, de in de vorige alinea genoemde gedragslijn in de toekomst ook bij [A] gevolgd zal worden.”

Een gedragslijn zoals in dit citaat bedoeld, roept in het licht van hetgeen hiervóór (onder 2.10) reeds aan de orde kwam, vragen op. Van het afzien van inning van verbeurde dwangsommen behoort niet “veelal”, maar slechts onder bijzondere omstandigheden sprake te zijn. Ook hetgeen in de geciteerde passage als ratio voor de kennelijk ruimhartiger gedragslijn wordt aangevoerd, overtuigt niet. Het moge zo zijn dat de bedoelde ruimhartigheid aan het draagvlak voor de gemeentelijke handhaving (met name onder - potentiële - overtreders) bijdraagt, maar daarmee is een grotere effectiviteit van die handhaving niet gegeven. Wat van dit alles ook zij, aan de klacht van BBI ligt de op zichzelf juiste gedachte ten grondslag dat zij aan de bedoelde beleidslijn in beginsel gelijke aanspraken kan ontlenen als andere overtreders. Het hof heeft zulks echter niet miskend. Zich kennelijk bewust zijnde dat de Gemeente goede grond moest hebben om ten aanzien van BBI van de bedoelde gedragslijn af te wijken, heeft het hof in rov. 4.7, vierde volzin, overwogen dat “(u)it het (…) besluit van 14 oktober 2004 blijkt dat de gemeente in het onderhavige geval van oordeel was dat de omstandigheden van het geval maakten dat de verbeurde dwangsom (ondanks de verwijdering van de loods) geïnd kon worden”, en voorts, in de vijfde volzin, dat: “(…) niet valt in te zien dat de gemeente met deze (op argumenten gestoelde) handelwijze (…) in strijd met het recht - waaronder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur - heeft gehandeld (…)”.

In het hiervóór (onder 2.13) opgenomen citaat wordt ook gerefereerd aan de gesprekken die ten tijde van het betrokken advies gaande waren over de uitvoering van de overeenkomst uit 2001. Ik lees die passage niet aldus, dat (zoals wordt gesuggereerd in het hiervóór onder 1.22 geciteerde advies van 4 maart 2008) daarin wordt voorgesteld de inning van de verbeurde dwangsommen met het oog op de lopende en mogelijk toekomstige besprekingen als “stok achter de deur” te hanteren. Veeleer valt de betrokken passage op te vatten als kanttekening dat, alhoewel BBI niet valt binnen de termen waaronder overeenkomstig het gemeentelijke beleid van invordering van de verbeurde dwangsommen kan worden afgezien (en alhoewel derhalve in beginsel tot inning van de verbeurde dwangsommen moet worden overgegaan), naar aanleiding van de lopende en mogelijk toekomstige besprekingen wellicht alsnog van invordering zou kunnen worden afgezien.

Alhoewel begrijpelijk is dat BBI, hopende op clementie, een zekere druk heeft ervaren in haar besprekingen met de Gemeente over de verplaatsing van haar fabriek en over de beoogde nieuwe locatie en de inrichting daarvan, kan naar mijn mening niet worden gezegd dat de Gemeente de inning van de reeds verbeurde dwangsommen afhankelijk heeft gesteld van de verplaatsing van de gehele fabriek (waarop de litigieuze last onder dwangsom inderdaad geen betrekking had) en dat zij met de dreiging van die inning concessies van BBI heeft willen afdwingen. Uitgangspunt was dat invordering van de verbeurde dwangsommen zou plaatsvinden. Daaraan doet niet af dat de Gemeente, met het oog op wellicht alsnog te betrachten (wat het hof heeft genoemd:) coulance, niet onverwijld tot invordering is overgegaan. Men kan deze gang van zaken (evenals de reeds besproken gedragslijn van de Gemeente om na beëindiging van de overtreding “veelal” niet tot inning van verbeurde dwangsommen over te gaan) minder juist achten, maar het verwijt dat de Gemeente zich, aldus handelende, jegens BBI aan misbruik van recht en strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft schuldig gemaakt, treft geen doel. Daarbij moet onder meer worden bedacht dat, voor zover al kritiek op de gemeentelijke bevoegdheidsuitoefening mogelijk is, als “richtige” bevoegdheidsuitoefening veeleer een onverwijlde inning van de verbeurde dwangsommen dan het - na uitstel - alsnog afzien van die inning aangewezen zou zijn geweest. In dat licht falen ook de hiervóór (in 2.9) onder c en d weergegeven argumenten dat de invordering afhankelijk is gesteld van verplaatsing van de gehele fabriek en dat de invorderingsbevoegdheid niet mocht worden benut voor beïnvloeding van de lopende besprekingen.

Het hiervóór (in 2.9) onder e weergegeven betoog dat verplaatsing van de fabriek lange tijd niet mogelijk was omdat door toedoen van de Gemeente geen MER voor De Driehoek gereed was, stuit af op de overweging dat niet valt in te zien “dat de gemeente redelijkerwijs gehouden was verdere coulance te betrachten”. Of de vertraging van de verplaatsing van het bedrijf (grotendeels) aan de Gemeente kan worden toegeschreven, heeft het hof kennelijk niet van belang geacht; wél dat de weinig constructieve opstelling van [betrokkene 1] bij de ontwikkeling van De Driehoek de Gemeente in elk geval geen aanleiding tot coulance gaf. Het hof overwoog:

BBI heeft gesteld dat de vertraging in de verplaatsing van het bedrijf (grotendeels) aan de gemeente kon worden toegeschreven. Wat er ook zij van de vraag of de gemeente op dit punt een verwijt gemaakt kan worden, naar het oordeel van het hof staat, mede op basis van de getuigenverklaringen (…) genoegzaam vast dat begin 2008 duidelijk werd dat met name vanwege de opstelling van [betrokkene 1] in de stuurgroep, waarin ook de andere drie grondeigenaren van de Driehoek zitting hadden, de grondeigenaren niet tot een gezamenlijk ontwikkelingsplan voor de Driehoek konden komen. [betrokkene 1] kwam gedurende langere tijd niet naar de stuurgroepvergaderingen en stelde zich ook overigens niet constructief op. (...)”

Wat betreft het hiervóór (in 2.9) onder f weergegeven argument dat pas vier jaar na de verbeurte van de dwangsom tot invordering daarvan is besloten, heeft het hof in rov. 4.7 terecht overwogen dat het de Gemeente in beginsel vrijstond de invordering van verbeurde dwangsommen te stuiten en aan te houden (naar ik aanneem heeft het hof hier bedoeld: de invordering van verbeurde dwangsommen aan te houden en de verjaring van de bevoegdheid tot invordering te stuiten) en voorts geconstateerd dat “de gemeente in haar stuitingsbrieven telkens heeft herhaald dat de verbeurde dwangsommen dienden te worden betaald”. Dat een verbeurde dwangsom met vertraging wordt ingevorderd, doet overigens niet noodzakelijkerwijs afbreuk aan de door het onderdeel bedoelde werking van een opgelegde dwangsom als prikkel tot herstel van een overtreding. Zoals hiervóór (onder 2.10) reeds aan de orde kwam, is het met het oog op de effectiviteit van de bestuurlijke dwangsom van belang dat zij, als zij is verbeurd, op enig moment (ook al is dat nadat de overtreding reeds ongedaan is gemaakt) daadwerkelijk wordt ingevorderd. Ook in het licht van het onder f genoemde argument vormt de litigieuze invordering derhalve geen misbruik van recht en is zij evenmin in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Het hiervóór (in 2.9) onder g weergegeven argument dat de Gemeente op grond van de overeenkomst uit 2005 haar bevoegdheid tot handhaving heeft opgeschort, kan evenmin tot cassatie leiden. De overeenkomst uit 2005 zag slechts op het (vooralsnog) niet handhavend optreden tegen de aanwezigheid van de betonfabriek in de ten tijde van die overeenkomst bestaande omvang, in welk verband de Gemeente zich overigens het recht had voorbehouden om, afgezien van hetgeen overigens in de overeenkomst wordt geregeld, handhavend op te treden indien de omvang van de betonfabriek ten opzichte van de ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bestaande situatie wordt vergroot. Wel of niet handhavend optreden ten aanzien van de ten tijde van het sluiten van de overeenkomst uit 2005 bestaande situatie is in de onderhavige procedure niet aan de orde. In de onderhavige procedure is slechts de invordering van een dwangsom aan de orde die is verbeurd vanwege een illegale en in strijd met uitdrukkelijke afspraken (en ondanks een herhaalde waarschuwing) reeds in het verleden gerealiseerde uitbreiding, die ten tijde van de overeenkomst uit 2005 al ongedaan was gemaakt. Het getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en het is niet onbegrijpelijk dat het hof ter zake in rov. 4.7 reeds beslissend heeft geacht dat in de overeenkomst van 2005 geen afspraken zijn gemaakt over de inning van de dwangsom die betrekking heeft op de grote loods. Ten aanzien van de kleine loods was dat naar het oordeel van het hof anders, omdat die kleine loods ten tijde van het sluiten van de overeenkomst in 2005 nog aanwezig was en derhalve behoorde tot de in die overeenkomst bedoelde “huidige omvang” van de betononderneming, die de Gemeente voorshands zou (blijven) gedogen.

Het hiervóór (in 2.9) onder h weergegeven argument dat met het invorderen van de dwangsom geen redelijk belang is gediend nu op grond van de overeenkomst uit 2005 het belang van de Gemeente bij herstel van de agrarische bestemming reeds afdoende was gewaarborgd, kan evenmin tot cassatie leiden. In de eerste plaats geldt dat de litigieuze dwangsom geen betrekking had op het herstel van de agrarische bestemming waarop de overeenkomst uit 2005 ziet, maar op het ongedaan maken van een eerder illegaal en in strijd met uitdrukkelijke afspraken (en ondanks een herhaalde waarschuwing) gerealiseerde uitbreiding, die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst uit 2005 al ongedaan was gemaakt. In de tweede plaats geldt dat, zoals hiervóór (onder 2.10) reeds aan de orde kwam, het (anders dan bij wijze van uitzondering en onder bijzondere omstandigheden) niet invorderen van een verbeurde dwangsom de effectiviteit van dat handhavingsinstrument zou aantasten en dat zelfs het feit dat de betrokken overtreding (zij het eerst na ommekomst van de begunstigingstermijn) al ongedaan is gemaakt, daarom in beginsel geen grond biedt om van invordering af te zien. Dit laatste geldt a fortiori, indien de betrokken overtreding nog niet is beëindigd, maar er al wel zicht op beëindiging bestaat, zoals in het geval dat de overtreder zich contractueel tot beëindiging heeft verbonden.

Voor zover het onderdeel beoogt meer of andere klachten voor te dragen dan hiervoor besproken, voldoen deze niet aan de daaraan ingevolge art. 407 lid 2 Rv te stellen eisen van bepaaldheid en precisie. De slotsom is dat het onderdeel niet tot cassatie kan leiden.

Onderdeel I.B klaagt dat het hof zijn oordeel over de uitoefening van de invorderingsbevoegdheid in rov. 4.7 (bezien in samenhang met de feitelijke vaststellingen in rov. 3.2 sub b en c) heeft gebaseerd op een feitelijk onjuiste en onbegrijpelijke uitleg van de gedingstukken. Kort samengevat wordt de klacht als volgt toegelicht.

De besprekingen in 2004 vloeiden voort uit de overeenkomst uit 2001, welke slechts betrekking had op een voorwaardelijke en gedeeltelijke ontwikkeling van De Driehoek teneinde de verhuizing van BBI naar deze locatie mogelijk te maken. Gesproken kon worden van een (inspannings)verplichting van BBI om te verhuizen. De overeenkomst uit 2005 had een ander en breder karakter, omdat daarmee werd beoogd het complete gebied van De Driehoek in overleg met alle grondeigenaren als bedrijventerrein te ontwikkelen. In art. 6 lid 1 onder e in samenhang met art. 6 lid 5 van deze overeenkomst was de afspraak opgenomen dat BBI uiterlijk per 31 december 2010 van haar huidige locatie zou verdwijnen, bij gebreke waarvan de Gemeente het recht zou herkrijgen om verplaatsing af te dwingen met handhavend optreden. Een en ander betekent dat het overleg in de periode 2007-2008 niet zag op de verplichting van BBI tot verplaatsing van haar bedrijf, maar op de volledige ontwikkeling van De Driehoek als bedrijventerrein. Door in rov. 4.7 te verwijzen naar het op 14 oktober 2004 genomen besluit van burgemeester en wethouders (en het onderliggende advies van 8 oktober 2004) om verjaring van de verbeurde dwangsommen te voorkomen en vervolgens een relatie te leggen met (het ambtelijk advies van 4 maart 2008 en) het besluit van 20 maart 2008 om tot invordering over te gaan heeft het hof kennelijk eraan voorbijgezien dat de overeenkomst uit 2005 een andere inhoud heeft dan die uit 2001 en dat het overleg over De Driehoek hierdoor een verandering heeft ondergaan, te weten overleg tussen alle grondeigenaren waar het overleg in 2004 nog slechts ging tussen de Gemeente en BBI. Voorts heeft het hof eraan voorbijgezien dat de overeenkomst uit 2005 gezien de handhavingsafspraak het karakter heeft van een bevoegdhedenovereenkomst waaraan de Gemeente was gebonden, aldus - nog steeds - de toelichting.

Uit de bestreden rov. 4.7 valt niet op te maken dat het hof van een onjuiste uitleg van de overeenkomst uit 2005 is uitgegaan. Na te hebben vooropgesteld dat de Gemeente in haar stuitingsbrieven steeds aan betaling van de verbeurde dwangsommen met betrekking tot de illegale, in het verleden gerealiseerde uitbreiding van de betonfabriek heeft vastgehouden, heeft het hof in rov. 4.7 (niet onbegrijpelijk) geoordeeld dat de ontwikkelingen na 2004 (ook die na het sluiten van de overeenkomst van 2005) de Gemeente niet tot het alsnog betrachten van coulance met betrekking tot die dwangsommen verplichtten. Daarbij heeft het hof van belang geacht dat op basis van de verschillende getuigenverklaringen genoegzaam vaststaat

“dat begin 2008 duidelijk werd dat met name vanwege de opstelling van [betrokkene 1] in de stuurgroep waarin ook de andere drie grondeigenaren van de Driehoek zitting hadden, de grondeigenaren niet tot een gezamenlijk ontwikkelingsplan voor de Driehoek konden komen. [betrokkene 1] kwam gedurende langere tijd niet naar de stuurgroepvergaderingen en stelde zich ook overigens niet constructief op. De door BBI bij productie XV bij memorie van antwoord in het incidenteel appel overgelegde verslagen van de stuurgroepvergaderingen van 7 december 2007 en 10 januari 2008, bevestigen dat [betrokkene 1] op dat moment niet voortvarend meewerkte.”

Naar in de geciteerde passage ligt besloten, is het niet aan het hof ontgaan dat in 2008 inmiddels het tot stand brengen van een gezamenlijk ontwikkelingsplan voor De Driehoek door de gezamenlijke grondeigenaren aan de orde was.

Overigens blijkt uit de gedingstukken niet (de cassatiedagvaarding noemt althans geen vindplaatsen) dat BBI in de feitelijke instanties heeft gesteld dat het overleg over De Driehoek op grond van de overeenkomst uit 2005 een relevante wijziging heeft ondergaan. In haar memorie van grieven onder 9 heeft BBI juist gesteld dat, “(h)oewel de overeenkomst uit 2005, in afwijking van de eerder gesloten overeenkomst uit 2001 (…) betrekking heeft op volledige ontwikkeling van De Driehoek, (…) het scheppen van de planologische mogelijkheid tot verplaatsing van BBI naar De Driehoek voor BBI het primaire doel van de overeenkomst (is) gebleven (…)”.

De cassatiedagvaarding vermeldt evenmin dat en waar BBI in de feitelijke instanties heeft gesteld dat de overeenkomst uit 2005 als een bevoegdhedenovereenkomst is te beschouwen. Overigens kwam hiervóór (onder 2.17) reeds aan de orde dat het hof de overeenkomst uit 2005 (niet onbegrijpelijk) aldus heeft uitgelegd dat zij in elk geval géén betrekking had op de invordering van de reeds door BBI verbeurde dwangsom ter zake van de grote loods.

Onderdeel I.C richt een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.7 dat genoegzaam is komen vast te staan dat de opstelling van [betrokkene 1] de oorzaak ervan was dat de grondeigenaren niet gezamenlijk tot een ontwikkelingsplan voor De Driehoek konden komen. Volgens de klacht heeft het hof dit (bewijs)oordeel onvoldoende onderbouwd door te verwijzen naar de verklaringen van drie partijgetuigen en naar slechts twee van de in totaal veertien vergaderverslagen die als de producties XIV en XV bij akte overlegging nadere producties zijn overgelegd. Hieraan voegt de klacht toe dat het hof in het licht van die andere gedingstukken ook niet duidelijk maakt waarom het meent voorbij te kunnen gaan aan de vraag of de Gemeente hier ook een verwijt treft.

Ter motivering van zijn oordeel dat niet valt in te zien dat de Gemeente was gehouden verdere coulance te betrachten, heeft het hof in rov. 4.7 overwogen:

- dat genoegzaam vaststaat dat begin 2008 duidelijk werd dat met name vanwege de opstelling van [betrokkene 1] de grondeigenaren in de stuurgroep niet tot een gezamenlijk ontwikkelingsplan konden komen;

- dat [betrokkene 1] gedurende langere tijd niet naar de stuurgroepvergaderingen kwam en zich ook overigens niet constructief heeft opgesteld;

- dat deze vaststellingen mede zijn gebaseerd op getuigenverklaringen van [betrokkene 2], wethouder ruimtelijke ontwikkeling, [betrokkene 3], gemeenteambtenaar en destijds projectleider Harselaar Zuid en De Driehoek, en [betrokkene 4], directeur ontwikkelingsbedrijf Barneveld en destijds lid van stuurgroep;

- dat de door BBI als productie XV bij memorie van antwoord in het incidenteel appel overgelegde verslagen van de stuurgroepvergaderingen van 7 december 2007 en 10 januari 2008 bevestigen dat [betrokkene 1] op dat moment niet voortvarend meewerkte.

Aldus heeft het hof naar behoren gemotiveerd waarom naar zijn oordeel [betrokkene 1] ten tijde van het besluit tot invordering een verwijt kon worden gemaakt van het uitblijven van een gezamenlijk ontwikkelingsplan. Bij de beantwoording van de vraag of de Gemeente gehouden was tot het betrachten van verdere coulance heeft het hof in het midden kunnen laten of ook de Gemeente zelf aan de vertraging in de ontwikkeling van De Driehoek heeft bijgedragen. Voor een verdergaande toetsing van dit feitelijke oordeel is in cassatie geen plaats, nog daargelaten dat de klacht niet concreet toelicht aan de hand van welke (passages uit) getuigenverklaringen of verslagen het hof tot een ander oordeel had moeten komen.

Middel II richt een rechts- en motiveringsklacht tegen het oordeel in rov. 4.7 dat aan BBI kan worden toegerekend dat [betrokkene 1] zich in de stuurgroep niet constructief heeft opgesteld omdat hij directeur en grootaandeelhouder van BBI was. In de toelichting wordt betoogd dat [betrokkene 1] in de stuurgroep is opgetreden namens GA1 B.V. en dat deze vennootschap de eigenaar is van de binnen De Driehoek gelegen gronden die mogelijk door BBI in gebruik zullen worden genomen. De beide hoedanigheden van [betrokkene 1] mogen volgens de toelichting niet met elkaar worden vereenzelvigd in het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van de invordering van de door BBI verbeurde dwangsommen.

De klacht kan niet tot cassatie leiden. Bij de toerekening van gedragingen van een bestuurder aan een rechtspersoon heeft als maatstaf te gelden of deze gedragingen in het maatschappelijk verkeer als gedragingen van de rechtspersoon zijn op te vatten. In appel heeft BBI zelf gesteld dat [betrokkene 1] “DGA” (directeur en grootaandeelhouder) van zowel GA1 B.V. als BBI is. Met het bestreden oordeel respondeerde het hof op het betoog van BBI dat zij juridisch geen partij was in de besprekingen met de Gemeente over de ontwikkeling van De Driehoek omdat zij geen grondeigenaar is, dat de positie van BBI juridisch niet mag en kan worden vereenzelvigd met die van GA1 B.V. en dat als de houding van GA1 B.V. in de onderhandelingen de Gemeente niet zint, zulks haar juridisch niet het recht geeft BBI hierop als toekomstig gebruiker aan te spreken. Kennelijk is het hof bij de toerekening van de opstelling van [betrokkene 1] aan BBI ervan uitgegaan dat deze gedragingen in het maatschappelijk verkeer als gedragingen van BBI hebben te gelden. In het licht van het hiervoor samengevatte betoog van BBI behoefde dat oordeel geen nadere motivering. Daarbij verdient opmerking dat uit de eigen stellingen van BBI volgt dat ook [betrokkene 1] zelf bij zijn opstelling in de stuurgroep geen duidelijk onderscheid tussen de belangen van GA1 B.V. en die van BBI heeft gemaakt:

“[betrokkene 1] heeft namens GA1 BV kort daarop in december 2007 de onderhandelingen met de gemeente en de andere grondeigenaren opgeschort, omdat met die voorwaarden de gemeente de overeenkomst met BBI uit 2005 niet nakwam, waarmee primair aan BBI de mogelijkheid werd geboden om gezien de ligging van de voor haar aangewezen locatie feitelijk met voorrang te verhuizen. (…)”

En:

“GA1 BV heeft in de onderhandelingen een bepaalde positie ingenomen en net als de andere grondeigenaren haar wensen en ideeën binnen de stuurgroep op tafel gelegd met betrekking tot een zo snel mogelijke ontwikkeling van De Driehoek, wel mede gericht op het belang van BBI en de afspraken die tussen de gemeente en BBI zijn gemaakt sinds 2000 over een verhuizing naar een aangewezen locatie binnen dat gebied van De Driehoek. (…)”

Middel III is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.8 dat BBI zich tevergeefs beroept op het besluit van 26 mei 1999 waarbij het college van burgemeester en wethouders een generaal pardon voor bouw- en gebruiksovertredingen zou hebben verleend, tegen de beslissing van het hof in rov. 4.12 om geen comparitie van partijen te gelasten alsmede tegen de opsomming van de gedingstukken in rov. 2 van het bestreden arrest. Het middel valt uiteen in een tweetal onderdelen.

Onderdeel III.A behelst de volgende klachten:

- uit een tweetal passages in rov. 4.8 (aangehaald in de cassatiedagvaarding, onder 118) blijkt dat het hof het betoog van BBI met betrekking tot onder meer de beleidsnota “Selectieve handhaving” en het besluit van 26 mei 1999 tot verlening van een generaal pardon niet goed heeft begrepen (randnummer 121);

- het is niet duidelijk of het hof heeft kennisgenomen van de beleidsnota “Selectieve handhaving”, nu immers in rov. 4.8 niet naar deze nota wordt verwezen, terwijl uit die nota blijkt dat vóór 1995 van een formeel handhavingsbeleid geen sprake was en in het buitengebied ad hoc werd gehandhaafd (randnummers 121 en 122);

- door het verzoek van BBI om een inlichtingencomparitie af te wijzen is het hof tekortgeschoten in zijn taak als hoogste feitenrechter (randnummer 124);

- in het door het hof gegeven overzicht van de gedingstukken in rov. 2 van het bestreden arrest ontbreekt de antwoordakte (met als producties beleidstukken) van BBI van 22 mei 2012; dit impliceert volgens het onderdeel een schending van een fundamenteel procesrecht (randnummers 123-126).

De eerste klacht kan niet tot cassatie leiden. Aan de begrijpelijkheid van de uitleg die het hof in rov. 4.8 aan de gedingstukken van BBI heeft gegeven, kan niet afdoen dat volgens het onderdeel (randnummer 121) BBI met de overgelegde stukken, en met name met de nota “Selectieve handhaving”, de geloofwaardigheid van het handhavingsbeleid van de Gemeente ter discussie heeft willen stellen, nu het onderdeel niet vermeldt dat en waar BBI in appel stellingen van die strekking zou hebben geponeerd. In de memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft BBI onder 13 slechts betoogd dat met de genoemde nota in 1995 een formeel handhavingsbeleid werd ingezet, “waar het in de jaren daarvoor is blijven steken in het ad hoc aanpakken van excessen, veelal op basis van subjectieve overwegingen”; voorts heeft BBI op de aangegeven plaats aangevoerd de genoemde nota te hebben overgelegd “ter verduidelijking van de reden voor het nemen van een besluit tot het geven van een generaal pardon”. Het bedoelde pardon was, naar in cassatie vaststaat, beperkt tot bouw- en gebruiksovertredingen die vóór 1 januari 1988 waren ontstaan. De litigieuze dwangsommen zijn verbeurd ter zake van loodsen, die, naar het hof in rov. 4.8 heeft vastgesteld, eerst na 1989 zijn gerealiseerd en derhalve buiten het bereik van het bedoelde pardon vielen. Voor zover BBI zou menen dat de Gemeente desondanks op grond van het generaal pardon (en op grond van de ontwikkelingen die tot dat pardon hebben geleid) niet handhavend met betrekking tot die loodsen had mogen optreden, geldt ten slotte dat zij zulks had moeten geldend maken door de haar ten dienste staande bestuursrechtelijke rechtsmiddelen tegen de oplegging van de last onder dwangsom aan te wenden en dat, nu zij dat heeft nagelaten en aan die last formele rechtskracht toekomt, zij een en ander niet meer in een geding voor de burgerlijke rechter aan de orde kan stellen.

Ook de tweede klacht kan niet tot cassatie leiden. Er is geen reden om aan te nemen dat het hof geen kennis zou hebben genomen van de nota “Selectieve handhaving”, die bij de in rov. 2.1 genoemde memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep, tevens inhoudende akte tot het overleggen van nadere producties en een verzoek tot het gelasten van een comparitie, is overgelegd. Uit de enkele omstandigheid dat het hof die nota niet in rov. 4.8 heeft genoemd, kan niet worden afgeleid dat het hof van de inhoud daarvan geen kennis heeft genomen, zeker niet nu zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom het hof in rov. 4.8 uitdrukkelijk op die nota had moeten ingaan.

De derde klacht faalt, omdat het hof ingevolge art. 88 jº art. 353 Rv een discretionaire bevoegdheid had tot het gelasten van een inlichtingencomparitie en overigens in rov. 4.12 voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom het een zodanige comparitie niet nodig achtte.

De vierde klacht kan niet tot cassatie leiden. Het (kennelijk abusievelijk) onvermeld laten van de antwoordakte en de daarbij overgelegde stukken bij de weergave van het geding in rov. 2 dwingt niet tot de conclusie dat het hof daarvan geen kennis heeft genomen. Overigens licht de klacht niet concreet toe waarom de bedoelde stukken zouden afdoen aan het oordeel dat het hof in rov. 4.8 heeft gegeven.

Onderdeel III.B klaagt dat het hof in rov. 4.8 niet voldoende heeft gemotiveerd dat, gelet op de door BBI overgelegde beleidsstukken, de invordering door de Gemeente op een consistent en geloofwaardig handhavingsbeleid berust.

Ook deze klacht faalt, reeds omdat het onderdeel niet stelt dat en waar BBI in appel heeft aangevoerd dat het ontbreken van een consistent en geloofwaardig handhavingsbeleid aan de onderhavige invordering in de weg staat. Overigens stuit het betoog dat de Gemeente geen consistent en geloofwaardig handhavingsbeleid heeft gevoerd af op de in rov. 4.5 bedoelde formele rechtskracht van de last onder dwangsom van 24 juni 2003.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?