14/00641
Mr. F.F. Langemeijer
21 februari 2014
Conclusie inzake:
[verzoeker]
tegen
Ontvanger van de Belastingdienst/Rivierenland
1. Verzoeker tot cassatie is door de Ontvanger op grond van art. 36 Invorderingswet aansprakelijk gesteld voor belastingschulden van een vennootschap. De procedure is geëindigd met de verwerping van het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 30 oktober 2007.
2. Bij arrest van 24 september 2013 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot herroeping van het arrest van 30 oktober 2007.
3. Bij brief van 30 november 2013, gericht aan de Hoge Raad, heeft verzoeker bezwaren ingebracht tegen het arrest van 24 september 2013 en verzocht deze zaak (in cassatie) te behandelen. De griffier heeft verzoeker bij brief van 12 december 2013 gewezen op de noodzaak van procesvertegenwoordiging door een advocaat bij de Hoge Raad. Verzoeker heeft dit verzuim niet hersteld. Gelet op het bepaalde in art. 426a lid 1 (en art. 407 lid 3) Rv, is het verzoek niet ontvankelijk.
4. In zijn toelichting en in opeenvolgende brieven van 2 december 2013, 18 december 2013 en 23 januari 2014 heeft verzoeker te kennen gegeven, geen advocaat bij de Hoge Raad bereid te hebben gevonden om zijn zaak in cassatie te behandelen. Dit argument kan de wettelijke bepalingen over verplichte procesvertegenwoordiging niet opzij zetten. Op grond van art. 13 Advocatenwet kan de Deken van de Orde van Advocaten een advocaat aanwijzen, tenzij er gegronde redenen zijn om dit niet te doen. Indien verzoeker voor een toevoeging in aanmerking komt, kan rechtsbijstand worden verleend op de voet van art. 12 Wet op de rechtsbijstand door toevoeging van een advocaat bij de Hoge Raad.
5. In het onderhavige geval doet zich de complicatie voor, dat tevens een verkeerde rechtsingang is gekozen: cassatieberoep had in dit geval bij dagvaarding moeten worden ingesteld (art. 385 Rv). Art. 69 lid 1 Rv, ook in cassatie van toepassing, schrijft voor dat indien een procedure met een verzoekschrift is ingeleid in plaats van met een dagvaarding (of omgekeerd), de rechter zo nodig de aanlegger beveelt binnen een door de rechter te bepalen termijn, op kosten van de aanlegger, het stuk waarmee de procedure is ingeleid, te verbeteren of aan te vullen. De procedure geldt dan als aanhangig vanaf de oorspronkelijke dag van indiening. Het is niet helemaal duidelijk hoe, ingeval van cumulatie van fouten, de “wissel”-bepaling van art. 69 lid 1 Rv zich verhoudt tot de hersteltermijn van 14 dagen, zoals deze volgt uit de jurisprudentie over gevallen waarin de juiste rechtsingang was gekozen (een verzoekschrift) maar ondertekening door een advocaat (hier: een advocaat bij de Hoge Raad) was nagelaten. In herinnering wordt gebracht dat art. 123 Rv voor het verzuim om een advocaat te stellen voor de dagvaardingsprocedure in eerste aanleg (titel 2 van Boek 1 Rv) een bijzondere regel geeft.
6. Het komt mij voor, dat de cassatierechter aan toepassing van de “wissel”-bepaling in art. 69 Rv, waarmee de zaak “op het juiste spoor wordt gezet”, eerst toekomt nadat het verzoekschrift in cassatie op de juiste wijze is ingediend. Deze volgtijdelijke uitleg brengt mee dat eerst aan alle vereisten voor indiening van een verzoekschrift in cassatie moet zijn voldaan (zoals de ondertekening door een advocaat, betaling griffierecht enz.). Indien het cassatieverzoekschrift reeds afstuit op een van die ontvankelijkheidsvereisten, zoals in dit geval, komt de cassatierechter niet meer toe aan toepassing van art. 69 Rv.
7. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.