1. Het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij arrest van 1 maart 2012 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 553.494,78,- en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van € 550.000,-.
2. Namens de betrokkene heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, vier middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt dat de afwijzing van het ter terechtzitting van 29 april 2011 gedane verzoek tot het horen van diverse getuigen in het licht van hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht, onbegrijpelijk is, althans onvoldoende met redenen is omkleed.
4. In het proces-verbaal terechtzitting van 29 april 2011 is het volgende opgenomen:
“De raadsman maakt gebruik van de hem geboden gelegenheid het standpunt van de verdediging nader toe te lichten. Daartoe voert hij het woord overeenkomstig zijn overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte pleitnotities. In aanvulling op zijn pleitnotities legt de raadsman een aantal op schrift gestelde verklaringen van [getuige 1], [getuige 4], [getuige 2], [getuige 5], [getuige 6], [getuige 7] en [getuige 3] aan het gerechtshof over. De raadsman merkt op dat - indien het hof zulks noodzakelijk acht - voornoemde personen bereid zijn om een getuigenverklaring af te leggen.”
5. De in het proces-verbaal genoemde pleitnotities (evenals de op schrift gestelde en door de raadsman kennelijk overhandigde verklaringen) bevinden zich niet bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Bij brief van 16 januari 2014 heeft de griffier van het Hof de Hoge Raad bericht dat deze pleitnotities in het ongerede zijn geraakt. Dit betekent dat niet valt na te gaan of het in het middel bedoelde verzoek is gedaan en, zo ja, op welke wijze dit verzoek is onderbouwd. Dit verzuim moet leiden tot nietigheid van het onderzoek en de uitspraak.
6. Gelet op het voorgaande kan een bespreking van de overige middelen volgens mij achterwege blijven. Mocht Uw Raad een dergelijke bespreking niettemin geboden achten, dan ben ik graag bereid aanvullend te concluderen.
7. De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG