ECLI:NL:PHR:2014:89

ECLI:NL:PHR:2014:89, Parket bij de Hoge Raad, 21-01-2014, 12/03455

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 21-01-2014
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 12/03455
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2014:470
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830

Samenvatting

Roekeloosheid, art. 6 jo. art. 175.2 WVW 1994. De door het Hof in het bijzonder in aanmerking genomen omstandigheden dat verdachte onder invloed van alcohol en zonder in het bezit te zijn van een rijbewijs slingerend, met wisselende snelheden en op te korte afstand van andere auto’s heeft gereden, vervolgens op het weggedeelte, bestemd voor het tegemoet komende verkeer is terecht gekomen en een ongeval heeft veroorzaakt, zijn niet zonder meer toereikend voor het oordeel van het Hof dat verdachte “roekeloos” in de zin van art. 6 jo. art. 175.2 WVW 1994 heeft gereden.

Uitspraak

Beknopte ongevalsbeschrijving

Wij hebben op 29 november 2008, omstreeks 00.15 uur, geassisteerd bij de afwikkeling van het hierna bedoelde verkeersongeval. De bestuurder van een personenauto reed komende vanuit de richting van Ede en gaande in de richting van Wageningen via de Mansholtlaan. Volgens een getuigenverklaring reed de bestuurder van een personenauto erg slingerend en raakte hierbij de middengeleider en verloor daardoor de macht over het stuur. De Alfa Romeo kwam hierdoor in de rechterberm en reed vervolgens de rijbaan weer op en kreeg een aanrijding op de rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer met een taxi en sloeg hierbij over de kop. Bij dit ongeval waren de volgende voertuigen betrokken:

- personenauto, merk Alfa Romeo, gekentekend [AA-00-BB];

- taxi, merk Mercedes-Benz, gekentekend [CC-00-DD].

(Pagina 27 e.v.)

Interpretatie en analyse

Het verkeersongeval vond plaats op 28 november 2008 op de Mansholtlaan te Wageningen. De bestuurder van de Alfa Romeo heeft op een gegeven moment geslingerd waarbij hij met de linkerwielen van de Alfa Romeo de middengeleider heeft geraakt. Vervolgens is de Alfa Romeo dermate in de slip geraakt dat deze nagenoeg zijdeling richting het fietspad is gegleden en vervolgens op de rijbaan tot stilstand is gekomen. Op dat moment bevond de Alfa Romeo zich nagenoeg haaks op de rijbaan en wel op de rechterrijstrook gezien vanuit de richting van Wageningen. Een ogenblik later botste de Mercedes met de voorzijde tegen de rechterzijkant van de Alfa Romeo. Bij deze botsing is de Alfa Romeo gekanteld en vervolgens op het dak gerold.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2012, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven.

Ik heb geen rijbewijs. Ik heb nooit een rijbewijs gehad.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 24 september 2010, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer], zakelijk weergegeven:

Ik had op de avond van 28 november 2008 een feestje en ik had gedronken. Omdat onze sigaretten op waren, wilden we sigaretten halen. Er werd mij gezegd dat ik met verdachte mee moest rijden om sigaretten te halen. Hij zat toen al in de auto. We zijn met zijn tweeën naar Wageningen gereden. We zaten beiden voorin. Ik zat rechts en hij zat links. Hij was degene die reed. Hij heeft ook de hele tijd gereden. Op de heenweg en op de terugweg. Hij had ook gedronken. Door het ongeval heb ik mijn heup gebroken, mijn been was verbrijzeld en mijn hoofd was beschadigd. Ook ben ik geopereerd aan mijn buik. Ik sta nu nog steeds onder behandeling voor mijn been en heup.

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (pagina 70), voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer], zakelijk weergegeven:

U vraagt mij hoe het met mij gaat sinds de aanrijding eind november. Ik heb zes weken bedrust gehad in verband met mijn bekken en gebroken enkel. Ik heb pinnen in mijn linkerbeen. Hier heb ik nog veel last van. Ik kan nu wel lopen, maar dat doet erg pijn. Ik kan hierdoor niet naar school of werk uitoefenen.

Een geschrift als bedoeld in artikel 344 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een medische verklaring betreffende [slachtoffer] (pagina 72), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Datum onderzoek: 29 november 2008.

Letsel: bekkenbreuk, dubbele onderbeenbreuk.

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (pagina 55), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1], zakelijk weergegeven:

Op 28 november 2008, omstreeks 23.30 uur, reed ik met mijn personenauto op de Dr. Willem Dreeslaan te Ede in de richting van Wageningen. Ik zag dat er voor mij een rode personenauto reed met het kenteken [AA-00-BB]. Het viel me op dat deze auto vreemd reed. Met vreemd bedoel ik dat hij het ene moment hard reed en vervolgens weer zachter begon te rijden en haast niet optrok bij de verkeerslichten. Vervolgens ging de auto weer harder rijden en reed daarbij dicht op zijn voorganger. Toen ik Bennekom passeerde op de Dr. Willem Dreeslaan zag ik dat de rode personenauto iets slingerde en ter hoogte van de rotonde met de Droevendaalsesteeg reed de rode personenauto erg dicht op zijn voorganger. Vlak na de rotonde, waar de Dr. Willem Dreeslaan inmiddels was overgegaan in de Mansholtlaan te Wageningen zag ik dat de rode personenauto recht op de daar gevestigde middengeleider afreed. Ik zag dat de bestuurder kennelijk op het laatste moment zijn of haar auto wilde corrigeren omdat de personenauto plotseling naar rechts uitweek. Ik zag vervolgens dat de rode personenauto in de slip raakte en dat de bestuurder kennelijk de macht over het stuur verloor omdat ik de auto steeds verder in de slip zag raken. Ik zag vervolgens dat de rode personenauto na de middengeleider op de linkerweghelft geraakte. Ik zag dat er uit de richting van Wageningen een tweede personenauto aan kwam rijden. Ik zag dat de rode personenauto op de linkerweghelft tolde en vervolgens met de voorzijde op de voorzijde dan wel linkerzijkant de tegemoetkomende personenauto botste. Ik zag vervolgens dat de rode personenauto over de kop sloeg en op zijn dak tot stilstand kwam. Ik zag dat de tweede auto een taxi was.

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (pagina 57), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2], zakelijk weergegeven:

Op 28 november 2008, omstreeks 23.30 uur, reed ik in mijn personenauto op de Dr. Willem Dreeslaan te Ede in de richting van Wageningen. Ik zag in mijn achteruitkijkspiegel dat er een rode personenauto mij snel naderde en zeer dicht op mijn bumper ging rijden. Toen ik naar rechts ging, zag ik dat de rode personenauto mij met hoge snelheid inhaalde. Ik zag vervolgens dat de auto weer snel vaart minderde en vrij direct invoegde voor een aantal auto voor mij. Ik zag dat de rode personenauto vervolgens weer heel langzaam ging rijden. Toen ik eenmaal op de Mansholtlaan te Wageningen kwam, zag ik dat er een aanrijding was gebeurd en dat de rode personenauto die mij kort hiervoor had ingehaald, bij deze aanrijding betrokken was en op zijn kop op de Mansholtlaan lag.”

Het eerste middel, gelezen in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat het oordeel van het Hof dat verzoeker de bestuurder was van de Alfa Romeo die betrokken was bij het tenlastegelegde verkeersongeval berust op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen, althans dat dit oordeel in het licht van het dienaangaande uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging, onbegrijpelijk is, dan wel ontoereikend is gemotiveerd.

Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 8 juni 2012 gehechte pleitnotitie is door de raadsman van verzoeker kort gezegd betoogd dat niet valt vast te stellen wie op het moment van het verkeersongeval de Alfa Romeo bestuurde en wie toen de passagier was.

Het oordeel van het Hof dat verzoeker ten tijde van het tenlastegelegde verkeersongeval de bestuurder van de Alfa Romeo was, vindt voldoende steun in de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen. En in reactie op het verweer van de verdediging dat niet is vast te stellen dat verzoeker op 28 november 2008 de bestuurder van de Alfa Romeo was, heeft het Hof op grond van het relaas van verbalisant [verbalisant] - inhoudende dat zij aannam dat verzoeker de bestuurder van de Alfa Romeo was geweest vanwege de stoelstand en vanwege de positie van [slachtoffer] in de auto, liggend en klemzittend aan de passagierszijde - en de verklaring van [slachtoffer] dat verzoeker de bestuurder was en dat zij naast verzoeker zat, tot het oordeel kunnen komen dat het verzoeker is geweest die op 28 november 2008 de Alfa Romeo bestuurd had en als bestuurder betrokken was bij het onder 1 ten laste gelegde ongeval. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en, ook bezien in het licht van het door de verdediging ingenomen standpunt, toereikend gemotiveerd. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat het aan het Hof vrijstond, gelet op de aan de feitenrechter voorbehouden vrijheid om de bewijsmiddelen te selecteren en te waarderen, meer geloof te hechten aan de verklaring van [slachtoffer] (zoals deze is gerelateerd in het als bewijsmiddel 5 gebruikte proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 24 september 2010), inhoudende dat verzoeker de hele tijd, zowel op de heenweg als op de terugweg, heeft gereden en dat zij rechts zat, te meer nu deze verklaring van [slachtoffer] steun vindt in het als bewijsmiddel 2 gebezigde proces-verbaal van verbalisant [verbalisant].

Het middel faalt.

Het tweede middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, begrijp ik aldus dat het op de keper beschouwd niet klaagt over ’s Hofs oordeel dat sprake is van roekeloosheid – daarover klaagt het derde middel -, maar zich met een motiveringsklacht keert tegen het oordeel van het Hof dat sprake is van een causaal verband tussen de feitelijke gedraging voorafgaand aan het verkeersongeval en het plaatsvinden van het verkeersongeval.

Naar het mij voorkomt noopt dit middel in vorengenoemde zin verstaan niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, en behoeft het middel gelet op het bepaalde in art. 81, eerste lid, RO geen nadere motivering.

Mitsdien kan het middel niet tot cassatie leiden.

Het derde middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, komt met een motiveringsklacht op tegen het oordeel van het Hof dat sprake is van schuld in de zin van roekeloosheid.

Met betrekking tot de bewezenverklaring en de gebezigde bewijsmiddelen, één en ander zoals hierboven onder 4 en 5 weergegeven, houdt het bestreden arrest onder het hoofd “Overweging met betrekking tot het bewijs” in, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:

Gedragingen

Op grond van de in de eventueel later op te maken aanvulling gebezigde bewijsmiddelen acht het hof het volgende wettig en overtuigend bewezen.

Verdachte reed op 28 november 2008 te Wageningen als bestuurder van een personenauto. [slachtoffer] zat bij hem in de auto. Verdachte reed slingerend, met wisselende snelheden en op korte afstand achter andere auto’s. Op enig moment raakte verdachte een op de weg liggende verhoogde middengeleider. Als gevolg daarvan raakte verdachte in een slip en verloor hij de controle over zijn auto. Verdachte kwam terecht op het weggedeelte bestemd voor het tegemoetkomende verkeer, waarop een aanrijding volgde met een daar rijdende auto. Ten gevolge hiervan is verdachtes auto over de kop geslagen en ondersteboven tot stilstand gekomen. Verdachte was ten tijde van het ongeluk onder invloed van alcohol en hij beschikte niet over een rijbewijs.

[slachtoffer] heeft als gevolg van dit ongeluk een dubbele beenbreuk en een breuk in het bekken opgelopen. Daarnaast is zij geopereerd aan haar been waarbij pinnen in haar been zijn gezet. Als gevolg hiervan had zij veel pijn. Zij heeft vanwege de breuken zes weken bedrust moeten houden en in die periode heeft ze niet kunnen werken of naar school kunnen gaan.

Schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet

De vraag is vervolgens of deze feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 en zo ja, of deze schuld bestaat in roekeloosheid.

Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Het hof merkt het rijgedrag van verdachte reeds op zichzelf aan als zeer onvoorzichtig en onachtzaam. Een automobilist heeft onder meer de bijzondere zorgplichten om bewust, en dus niet onder onaanvaardbare invloed van middelen, en alert aan het verkeer deel te nemen, en daarbij de plaats op de weg in te nemen die de (verkeers)wetgever hem heeft voorgeschreven en voldoende afstand tot zijn voorganger te houden. Die voorzorgen heeft verdachte gezien zijn bewezen verklaarde handelen zeer veronachtzaamd.

Met betrekking tot de ten laste gelegde roekeloosheid overweegt het hof nog het volgende.

Met roekeloosheid wordt gedoeld op de zwaarste vorm van schuld. Het gaat dan in het algemeen om gevallen waarin sprake is van zeer onvoorzichtig gedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen. Roekeloosheid vereist een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid.

In de onderhavige zaak is vast komen te staan dat verdachte als bestuurder van een auto een ongeluk heeft veroorzaakt nadat hij slingerend, met wisselende snelheden en op te korte afstand van andere auto’s reed. Hij was daarbij onder invloed van alcohol. Het alcoholgehalte in zijn bloed was aanmerkelijk hoger dan toegestaan. Bovendien beschikte verdachte niet over een rijbewijs; zijn bekwaamheid om een voertuig te besturen was dus niet getoetst en hij was dus onbevoegd een auto te besturen Door desondanks een auto te besturen heeft verdachte desbewust grote risico’s genomen.

Op grond van al deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, merkt het hof het bewezen verklaarde gedrag van verdachte aan als roekeloos.”

Het onder 1 primair ten laste gelegde is toegesneden op art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994. Dat betekent dat de in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende term “roekeloos” geacht moet worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 175, tweede lid aanhef en onder a, WVW 1994.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat op grond van de enkele omstandigheid dat verzoeker onder invloed van alcohol verkeerde en het feit dat hij niet over een rijbewijs beschikte, niet geconcludeerd kan worden dat het rijgedrag van verzoeker als roekeloos is aan te merken, zodat de daarop betrekking hebbende beslissing van het Hof onbegrijpelijk en/of onvoldoende is gemotiveerd.

Ik meen dat het middel, in samenhang met de toelichting gelezen, op een verkeerde lezing van het arrest berust en derhalve faalt. Het oordeel van het Hof dat sprake is van roekeloosheid steunt niet alleen op de vaststellingen dat verzoeker onder invloed van alcohol verkeerde en niet over een rijbewijs beschikte. Het Hof heeft immers de vraag onder ogen gezien of de “feitelijke gedragingen van verzoeker, gegeven de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verzoekers schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 in roekeloosheid bestaat.” Naast het onder invloed van alcohol en zonder rijbewijs rijden, heeft het Hof ook verzoekers rijgedrag zelf meegewogen: het slingerend rijden, het met wisselende snelheden rijden, het op korte afstand van andere auto’s rijden, het een op de weg liggende verhoogde middengeleider raken, het als gevolg daarvan in een slip raken en de controle over de auto verliezen, en het op het voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weggedeelte terechtkomen.

Ten overvloede (in mijn visie), merk ik het volgende op. Het culpoze verkeersongeval als bedoeld in art. 6 WVW 1994 behelst een schuldvereiste dat betrekking heeft op het verkeersongeval en niet op het gevolg. Wanneer deze schuld in de zin van culpa kan worden aangenomen, laat zich niet in zijn algemeenheid in een voor alle gevallen geldende definitie vatten, maar hangt volgens HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2208, NJ 2011/172 af van verschillende factoren zoals het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag de schuld in de hier bedoelde zin worden afgeleid. Niet uit art. 6 WVW 1994 maar pas uit art. 175, tweede lid, WVW 1994, welk artikel is opgenomen onder hoofdstuk XI “Strafbepalingen”, blijkt dat ‘roekeloosheid’ als de zwaarste vorm van het culpoze verkeersongeval geldt en om die reden een strafverzwarende omstandigheid vormt. Ten opzichte van de ‘gewone’ schuldvormen is zelfs sprake van een verdubbeling van het maximum van de op te leggen gevangenisstraf. Om het beeld compleet te maken: het derde lid van art. 175 WVW maakt nog extra strafverhoging mogelijk indien de schuldige verkeerde in de door alcohol of een andere stof benevelde toestand als bedoeld in art. 8 WVW 1994.

Evenals dit het geval is bij voorbedachte raad in de zin van art. 289 Sr, heeft de forse strafverhoging ingeval van ‘roekeloosheid’ bij een verkeersongeval ertoe geleid dat de Hoge Raad in zijn rechtspraak betreffende de Wegenverkeerswet 1994 hoge, en gelet op enkele recente uitspraken aangescherpte, eisen stelt aan de motivering van de bewijsconstructie bij deze zwaarste vorm van culpa en dat hij niet snel schuld in de zin van roekeloosheid aanneemt. Ik wijs wat het toetsingskader in cassatie betreft op HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:959, 960, 962 en 964, in welke arresten de Hoge Raad het volgende heeft overwogen:

"Het voorgaande brengt mee dat de vraag of in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994 een beoordeling vergt van de specifieke omstandigheden van dat geval. De Hoge Raad kan bij het beoordelen van cassatieberoepen die zich richten tegen beslissingen in concrete gevallen, slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen omtrent de inhoud van het begrip roekeloosheid. Bij die toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat "roekeloosheid" in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder "roekeloos" - in de betekenis van "onberaden" - wordt verstaan.

(…)

Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Uit hetgeen hiervoor onder (…) is overwogen vloeit voort dat in dit verband doorgaans niet volstaat de enkele vaststelling dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer in art. 175, derde lid, WVW 1994 genoemde, zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leidende gedragingen."

Ik stel vast dat het Hof in zijn bewijsoverweging ruim aandacht heeft besteed aan het bewijs van de roekeloosheid en in die zin voldaan heeft aan de instructie van de Hoge Raad.

Voorts meen ik dat uit de gebezigde bewijsmiddelen en ’s Hofs bewijsoverweging voldoende feiten en omstandigheden blijken waaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van verzoeker een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen en dat verzoeker zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Naar het mij voorkomt schiet de bewijsvoering van het Hof dus niet tekort.

De middelen falen. Naast het tweede middel kan ook het eerste middel worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Jwr 2014/19 NbSr 2014/122
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?