1. Het Gerechtshof te Den Haag heeft bij arrest van 11 april 2014 de verdachte wegens 1 meer subsidiair “Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” en 2. “Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en negen maanden, met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen als nader in het arrest omschreven, al dan niet met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
2. Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte] (nummer 14/02148), in welke zaak ik vandaag eveneens concludeer.
3. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft bij schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld.
4. De onderhavige zaak draait om een ‘ripdeal’ met een meervoudig dodelijke afloop. Het Hof heeft in zijn arrest de volgende feiten en omstandigheden vastgesteld:
“ Op 2 april 2011, op de parkeerplaats tussen de Havixhorst en de Broekhorst in Alphen aan den Rijn (hierna ook: de parkeerplaats), vindt vlak na middernacht een ontmoeting plaats tussen enerzijds de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] en anderzijds [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4]. Deze ontmoeting zou gaan over de verkoop van drie kilo cocaïne, door de verdachte en zijn medeverdachte aan (een van) de genoemde vier anderen.
[betrokkene 2], [betrokkene 4], [betrokkene 3] en [betrokkene 1] arriveren in een Renault Laguna op de genoemde parkeerplaats. [betrokkene 2] parkeert deze auto achterwaarts - derhalve met de neus naar de straat gericht - in één van de parkeervakken. Vanaf de voorzijde van de Renault Laguna bezien, staan aan de linkerzijde een witte Hyundai bestelbus en rechts een witte Ford Fiësta en daarnaast een rode Fiat 500 geparkeerd. [betrokkene 2] en [betrokkene 4] stappen uit de Renault Laguna. [betrokkene 1] en [betrokkene 3] blijven in de auto zitten. Vervolgens arriveert medeverdachte [medeverdachte] samen met [betrokkene 6], een kennis, in diens auto. Verdachte en zijn vriendin [betrokkene 5] arriveren in een Kia Ceed. [betrokkene 6] rijdt weg nadat de verdachte uit de auto is gestapt. Verdachte parkeert zijn auto in de directe omgeving van de afgesproken ontmoetingsplek en stapt ook uit. Hij heeft de tas met de cocaïne bij zich . De verdachte en medeverdachte [medeverdachte] lopen samen in de richting van [betrokkene 2] en [betrokkene 4] en vervolgens lopen zij alle vier naar de plek waar de Renault Laguna is geparkeerd.
Op enig moment loopt verdachte terug naar zijn auto. [medeverdachte] neemt plaats in de Renault Laguna. Op dat moment ligt de tas met cocaïne ook in die auto. Hoewel de verklaringen hieromtrent niet eensluidend zijn, is het duidelijk dat [medeverdachte] zich op enig moment weer buiten de auto bevindt en dat tussen hem en [betrokkene 3] een worsteling plaatsvindt. Ook kan worden aangenomen dat [medeverdachte] tijdens deze worsteling op de grond ligt en op enig moment een wapen in zijn handen heeft. [betrokkene 3] roept dan: "Hij heeft een pistool " , stapt in de Renault Laguna en de auto wordt gestart. De tas met cocaïne ligt nog steeds in de auto.
Terwijl de Renault Laguna uit het parkeervak wegrijdt en een bocht naar links maakt richting de Broekhorst, schiet [medeverdachte] - die zich op dat moment links en op korte afstand van de bestuurderszijde van de Renault Laguna bevindt - meermalen in de richting van die Renault Laguna. Hierbij worden alle vier de inzittenden geraakt. [betrokkene 4] en [betrokkene 3] worden in het hoofd geraakt, [betrokkene 2] ter hoogte van de linkerborst, schouder en achterarm en [betrokkene 1] i n de linkerschouder. De Renault Laguna rijdt weg en [medeverdachte] rent vervolgens In de richting van de Kia Ceed. Hij stapt i n de auto en zegt tegen verdachte en [betrokkene 5] dat 'ze' hem hebben geript, dat hij is geslagen en dat de cocaïne is afgepakt. Ook zegt [medeverdachte] dat hij 'hen' heeft geschoten. De verdachte en [medeverdachte] besluiten de Renault Laguna achterna te rijden om te proberen de cocaïne terug te krijgen. Ze rijden - met verdachte aan het stuur - daarbij met hoge snelheid en op korte afstand achter de Renault Laguna aan. Op enig moment gooit [betrokkene 1] de tas met cocaïne uit het raam van de auto. Hierop stopt verdachte de auto, [medeverdachte] stapt uit , pakt de tas , stapt weer in en rijdt met verdachte en [betrokkene 5] naar Rotterdam. De inzittenden van de Renault Laguna rijden naar het Bleuland Ziekenhuis in Gouda. Daar blijkt dat zowel [betrokkene 3] als [betrokkene 4] zijn overleden door orgaanschade aan de hersenstam ten gevolge van een doorschot in het hoofd.”
5. Het eerste middel klaagt dat het Hof het verweer dat het in de tenlastelegging omschreven goed “cocaïne” aan verdachte en zijn medeverdachte toebehoorde ten onrechte heeft verworpen, althans heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
6. Het Hof heeft wettig en overtuigend bewezen verklaard dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
“1.meer subsidiair
hij op 02 april 2011 in het arrondissement Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een tas (inhoudende een grote hoeveelheid cocaïne), toebehorende aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2], welke bedreiging met geweld bestond uit het met zijn mededader
- met hoge snelheid en op korte afstand achter de in een auto zittende [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aan te rijden, zulks nadat eerder een schietpartij had plaatsgevonden waardoor [betrokkene 1] en [betrokkene 2] schotwonden hadden opgelopen en
- hoorbaar voor [betrokkene 2] met een vuurwapen te schieten;
2.
hij op of omstreeks 02 april 2011 te Alphen aan den Rijn en Krimpen aan den IJssel en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft vervoerd een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.”
7. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
“ 3. Bespreking verweren verdediging ten aanzien van het bewijs
3.1. Verweer met betrekking tot het 'toebehoren' ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde
Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 28 maart 2014 is door de raadsman betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde afpersing. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het in de tenlastelegging omschreven goed, te weten de cocaïne, aan de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] toebehoorde en derhalve niet geheel of gedeeltelijk aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] of aan een ander dan verdachte en medeverdachte [medeverdachte].
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Uit de hiervoor onder 1. (zie hierboven onder 4, PV) beschreven feiten en omstandigheden volgt dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] de cocaïne wilde verkopen en dat [betrokkene 1],[betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4] de cocaïne van [medeverdachte] en de verdachte hebben 'geript'. Aan de verdachte is onder 1 meer subsidiair ten laste gelegd dat hij [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4] vervolgens - kortgezegd - met geweld heeft gedwongen de hen toebehorende cocaïne af te geven.
Vooropgesteld dient te worden dat ' (het een feit van algemene bekendheid is dat) cocaïne een illegaal goed is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang en mitsdien vatbaar voor onttrekking aan het verkeer op grond van artikel 36c, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast brengt het enkele aanwezig hebben van cocaïne reeds strafrechtelijke aansprakelijkheid in de zin van artikel 2, onder C, in samenhang met artikel 10, derde lid van de Opiumwet met zich.
Tegen die achtergrond bezien is het hof van oordeel dat het bezit dan wel de eigendom van (een partij) cocaïne, zoals waarvan in deze zaak sprake is , geen rechtsgoed is in de zin van een door de rechtsorde beschermd belang. De in het strafrecht ontwikkelde regels omtrent de vraag betreffende het toebehoren van rechtsgoederen kunnen derhalve niet worden toegepast ter zake de vraag wie rechthebbende is van de partij cocaïne in deze.
Naar oordeel van het hof konden [betrokkene 1] en [betrokkene 2], nadat zij , samen met de andere twee inzittenden van de Renault Laguna, [medeverdachte] de cocaïne hadden afgenomen als heer en meester daarover beschikken. Toen zij met de auto, waarin zich de tas met cocaïne bevond, van de parkeerplaats wegreden, behoorde de cocaïne hen dus daadwerkelijk toe in de zin van artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht zodat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in de zin van die bepaling door de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] konden worden gedwongen tot afgifte hiervan.
Het hof verwerpt het verweer.”
8. Het oordeel van het Hof dat het bezit dan wel de eigendom van cocaïne geen rechtsgoed is in de zin van een door de rechtsorde beschermd belang is (meer dan) opmerkelijk. Dat geldt ook voor de gevolgtrekking daaruit. Immers het Hof concludeert dat nu de cocaïne geen te beschermen rechtsgoed is, de in het strafrecht ontwikkelde regels omtrent toebehoren niet kunnen worden toegepast. Het oordeel van het Hof is moeilijk te doorgronden. Heeft het Hof ‘goed’ als rechtsbelang of als bestanddeel voor ogen? Bedoelt het Hof dat nu het om cocaïne gaat kwalificatie als strafbaar feit niet mogelijk is, omdat cocaïne geen (rechts)goed is als bedoeld in de wet? Dat ligt niet erg voor de hand, alleen al omdat in dat geval het volledig overbodig is te overwegen dat de in het strafrecht ontwikkelde regels omtrent het toebehoren niet behoeven te worden toegepast. Die conclusie vormt voor het Hof immers de reden om het niet eens te zijn met de stelling van de verdediging dat de cocaïne (onder meer) aan verdachte toebehoort en dus anders dan is ten laste gelegd (en bewezenverklaard) niet toebehoort aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Daar komt dan nog bij dat die die conclusie op zich zelf ook al –zacht gezegd- weinig gelukkig is. De in het strafrecht ontwikkelde regels omtrent toebehoren laten namelijk, zoals nog zal worden toegelicht, voldoende ruimte.
9. De door het Hof aangevoerde reden dat cocaïne geen (te beschermen) rechtsgoed is, deugt niet. Dat het hier gaat om een voorwerp dat vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer is namelijk geen afdoende grond om tot dat oordeel te komen. Immers betrekkelijk onschuldige voorwerpen kunnen onder meer door hun subjectieve bestemming of in verband met het ontbreken van een vergunning of de overtreding van vergunningsvoorwaarden worden onttrokken aan het verkeer. Denk aan een partij overhemden die zonder vergunning wordt geïmporteerd. Indien in het algemeen wordt aangenomen dat het voorhanden hebben van cocaïne geen te beschermen rechtsgoed is, rijst de vraag waarom dan wel kan worden bewezen verklaard dat de cocaïne (een rechtsgoed is dat) toebehoorde aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. De steller van het middel heeft sterke papieren als hij het oordeel van het Hof dat cocaïne geen te beschermen rechtsgoed is betwist, maar tot cassatie behoeft het niet te leiden. Het gaat immers om de gevolgtrekking inzake het toebehoren.
10. In het kader van de bewijsvraag staat centraal of bewezen kan worden dat de cocaïne aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] toebehoorde. Het begrip toebehoren heeft ook buiten de civielrechtelijke context van eigendom en dergelijke in het strafrecht een eigen betekenis. Het middel betwist niet zelfstandig (los van het argument dat ten onrechte cocaïne niet is aangemerkt als rechtsgoed) het in de bewezenverklaring vervatte oordeel van het Hof dat de cocaïne aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] toebehoorde. Het is niet onbegrijpelijk dat het Hof de (tijdelijke) zeggenschap die beide ‘rippers’ over de zich in de auto bevindende cocaïne hebben kennelijk doorslaggevend acht voor de vraag of de cocaïne hen toebehoort. Machielse signaleert (in het kader van toe-eigening) een tendens ook tijdelijke heerschappij over een goed van een ander aan te merken als het als heer en meester beschikken. Dat er mogelijk nog een of meer anderen zijn aan wie de cocaïne toebehoort, doet in strafrechtelijke zin niet ter zake. Het is niet uitgesloten dat een rechthebbende een voorwerp dat een ander toebehoort wegneemt. Denk bijvoorbeeld aan een geleasde auto die wordt ‘weggenomen’ door de eigenaar. Het oordeel van het Hof dat de in het strafrecht ontwikkelde regels omtrent toebehoren niet kunnen worden toegepast, onderschrijf ik niet, maar ik stel vast dat die regels voldoende ruimte laten om een toebehoren van de cocaïne aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bewezen te verklaren. Ondanks de (meer dan) opmerkelijke overwegingen van het Hof is de bewezenverklaring voldoende gemotiveerd en valt op het eerste gezicht niet in te zien welk belang nog met cassatie is gediend. Omdat echter de hier door het Hof gebezigde overweging tevens een rol speelt in het kader van het slagende derde middel, meen ik dat het is aangewezen dat het onderhavige middel in het voetspoor van het derde middel slaagt.
11. Het eerste middel slaagt.
12. Het tweede middel behelst de klacht dat het Hof het verweer dat sprake was een rechtmatige burgeraanhouding ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
13. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
“ Strafbaarheid van de verdachte
(…)
Verweer met betrekking tot extensief noodweerexces
(…)
Ten slotte is in het kader van bovengenoemd verweer nog bepleit dat het in - en voortzetten van de achtervolging onder de eerder genoemde omstandigheden heeft plaatsgevonden in het kader van een rechtmatige burgeraanhouding bij ontdekking op heterdaad van een ripdeal zoals bedoeld in artikel 53 van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof overweegt dat het dossier en het verhandelde ter terechtzitting voor dit verweer geen enkel aanknopingspunt bieden. De verdachte heeft bij de politie noch ter terechtzitting in eerste aanleg dan wel in hoger beroep verklaard dat hij, al dan niet samen met zijn medeverdachte, de inzittenden van de Renault Laguna als dieven van de cocaïne bij de politie wilden aangeven, dan wel dat zij de cocaïne aan de politie wilden overdragen. De verdachte heeft daarentegen meermalen verklaard dat de achtervolging was ingezet om de cocaïne terug te krijgen. Dat blijkt ook uit het feit dat verdachte en zijn mededader de cocaïne, toen zij deze weer in hun bezit hadden, gedeeltelijk bij een ander hebben verborgen en - kennelijk – gedeeltelijk aan de leverancier hebben teruggegeven.
Het verweer wordt in alle onderdelen verworpen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
15. Ik merk op dat er geen sprake is geweest van een zelfstandig verweer betreffende de burgeraanhouding en het oordeel slechts is gegeven in het kader van de verwerping van een beroep op noodweerexces. Ook in cassatie wordt de begrijpelijkheid van het feitelijk oordeel van het Hof dat er geen aanknopingspunt is voor burgeraanhouding niet bestreden. Er is domweg geen sprake geweest van een (burger)aanhouding. In de toelichting op het middel wordt de stelling geponeerd dat een onrechtmatige aanhouding nog steeds een aanhouding is. Ik sluit dat inderdaad niet uit, maar het doet hier niet ter zake nu het Hof feitelijk heeft vastgesteld dat het handelen van de verdachte niet is aan te merken als een (poging tot) aanhouding.
16. Het tweede middel faalt.
17. Het derde middel klaagt dat het Hof het beroep op noodweerexces ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
18. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
“ Strafbaarheid van de verdachte
(…)
Verweer met betrekking tot (extensief) noodweerexces
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman voorts betoogd dat de verdachte ter zake van het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat dat de verdachte heeft gehandeld uit extensief noodweerexces. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte door de afpersing weliswaar de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden, maar dat deze overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een door de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn goed - te weten de cocaïne - veroorzaakte, hevige gemoedsbeweging.
Het hof overweegt als volgt.
Zoals hiervoor reeds overwogen is het hof van oordeel dat het bezit dan wel de eigendom van (een partij) cocaïne, zoals waarvan in deze zaak sprake is, geen rechtsgoed is in de zin van een door de rechtsorde beschermd belang. De in het strafrecht ontwikkelde regels omtrent de vraag naar het toebehoren van rechtsgoederen kunnen derhalve niet worden toegepast ter zake de vraag wie rechthebbende is van de partij cocaïne in kwestie. Ook voor een geslaagd beroep op noodweer is - naar het oordeel van het hof - allereerst vereist dat het gaat om een belang dat door de rechtsorde wordt beschermd. In deze is evenwel sprake van een partij cocaïne, die daar niet onder te brengen valt zodat de verdachte een beroep op noodweer in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht niet toekomt. Daarbij is het een feit van algemene bekendheid dat in (de illegale wereld van) de drugshandel van (grote) partijen cocaïne verkopers hiervan regelmatig worden bestolen, 'geript'. Nu de verdachte in weerwil daarvan zich willens en wetens in de drugshandel (van deze omvang) heeft begeven, komt hem ook om die reden een beroep op noodweer, ter zake van de geripte partij cocaïne, niet toe.
Nu verdachte reeds geen beroep op noodweer toekomt, kan een beroep (extensief) noodweer-exces naar het oordeel van het hof evenmin slagen.
Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat sprake was van noodweerexces als gevolg van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van eens anders lijf, in dit geval dat van medeverdachte [medeverdachte] ten tijde van de worsteling tussen hem en [betrokkene 3], overweegt het hof dat nu hiervoor geen nadere motivering is gegeven, niet is in te zien waarom de verdachte - die immers niet bij de worsteling aanwezig was - zich met betrekking tot deze situatie op noodweer(exces) zou kunnen beroepen.
(…)
Het verweer wordt in alle onderdelen verworpen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.”
19. Voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) acht het Hof allereerst vereist dat het gaat om een belang dat door de rechtsorde wordt beschermd. Waarom hier volgens het Hof geen sprake is van een belang dat door de rechtsorde wordt beschermd, kwam bij de bespreking van middel 1 al naar voren en ik herhaal mijn standpunt dat de enkele omstandigheid dat een goed niet vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer een ontoereikende grond is. In de termen van art. 41, eerste lid, Sr gaat het hier om de wederrechtelijkheid van de aanranding en niet primair om de bevoegdheid om zich te verweren. Het Hof concentreert zich op dat laatste: een aanranding is reeds niet wederrechtelijk indien de aangerande geen recht, geen bevoegdheid heeft. Het Hof verwart zo de bevoegdheid zich te verweren enerzijds en de (wettelijk vereiste) wederrechtelijkheid van de aanranding anderzijds. Doorslaggevend lijkt mij dat hoe dan ook het vanuit het perspectief van de rechtsorde niet wenselijk, zelfs verboden is dat mensen elkaar goederen afpakken, ook al zijn dat illegale, verboden goederen. Is in redelijkheid vol te houden dat iemand die een illegaal voorwerp voor handen heeft steeds zonder meer moet laten weggevallen dat dit hem (zoals in het onderhavige geval met geweld) wordt afgepakt en dus de schade maar moet accepteren? Het komt mij dus voor dat er in het onderhavige geval wel sprake was van een noodweersituatie toen de compaan van verdachte de cocaïne met geweld afhandig werd gemaakt.Het uitgangspunt van het Hof dat van een dergelijke situatie geen sprake was is daarmee onjuist. Overigens lijken er andere gronden aanwezig om het beroep op noodweerexces te verwerpen, maar een finaal oordeel daarover vraagt om feitelijke vaststellingen en daarvoor is in cassatie geen ruimte.
20. Het derde middel slaagt.
21. Het vierde middel klaagt dat het Hof het beroep op overmacht ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
22. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
“ Strafbaarheid van de verdachte
Verweer met betrekking tot psychische overmacht
Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 28 maart 2014 is door de raadsman betoogd dat verdachte ter zake van het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat sprake was van psychische overmacht. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de reële bedreiging van een letale represaille als de drugs, danwel het equivalent in geld, niet zouden worden (terug-)gebracht bij de leveranciers, verdachtes wilsvorming belemmerde. Van hem kon redelijkerwijs niet gevergd worden dat hij aan deze van buiten komende, door doodsangst ingegeven drang weerstand zou bieden, aldus de raadsman.
Het hof overweegt als volgt.
Vooropgesteld dient te worden dat voor een geslaagd beroep op psychische overmacht is vereist dat de gedraging van de verdachte voortkomt vanuit een van buitenaf komende dwang dan wel drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.
Het hof wil aannemen dat op het moment dat de verdachte zich geconfronteerd zag met het feit dat de cocaïne die hij en medeverdachte [medeverdachte] wilden verkopen, 'geript' werd, hij zich realiseerde dat hij problemen kon krijgen met de leveranciers van de cocaïne. Naar het oordeel van het hof is dit echter geen omstandigheid die een zodanige dwang of drang oplevert dat geen andere reactie dan het plegen van het hem verweten strafbare feit mogelijk was, nog daargelaten dat noch uit het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting volgt dat en in hoeverre de verdachte toen daadwerkelijk onder druk stond.
Het hof verwerpt het verweer.”
23. In de toelichting op het middel wordt geconcludeerd dat wanneer met het Hof wordt aangenomen dat verdachte problemen kon krijgen met de leveranciers van cocaïne het oordeel dat dit niet een zodanige drang of dwang oplevert dat geen andere reactie dan het plegen van het verdachte verweten strafbare feit mogelijk was strijdt met de maatschappelijke werkelijkheid in het criminele drugsmilieu waarin het plegen van ernstige geweldsmisdrijven jegens degenen die een waardevolle drugstransactie niet naar behoren voltooien schering en inslag is. Vanuit het standpunt van verdachte bezien was er na de razendsnelle ‘ripdeal’ geen andere reactie mogelijk dan het plegen van de bewezenverklaarde afpersing.
24. Het feitelijke uitgangspunt voor het Hof bij het verwerpen van het verweer is niet meer dan dat verdachte zich realiseerde dat hij problemen kon krijgen met de leveranciers van de cocaïne. Dat is iets heel anders dan de gestelde doodsangst. Gelet op die feitelijke vaststelling is het anders dan de steller van het middel meent niet onbegrijpelijk dat het Hof heeft geoordeeld dat mogelijke problemen met leveranciers niet een zodanige dwang of drang opleveren dat verdachte geen weerstand kon bieden het bewezenverklaarde strafbare feit te plegen. Daarbij lijkt mij in aanmerking te nemen dat de afpersing wordt voorafgegaan door een ultieme poging van verdachte’s compaan de cocaïne terug te krijgen door vele malen gericht te schieten met een vuurwapen (waardoor twee inzittenden van de auto het leven laten). Verdachte behoefde dus in ieder geval niet bij de leveranciers aan te komen met het verhaal dat hij zich de cocaïne zomaar had laten afpakken.
25. Het vierde middel faalt.
26. Het eerste en derde middel slagen, terwijl de overige middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
27. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor wat betreft feit 1 en de strafoplegging en terugwijzing van de zaak naar het Hof, teneinde deze op het bestaande beroep in zoverre opnieuw te berechten en af te doen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG