8. Tegen genoemd arrest van het Hof Den Haag is cassatie ingesteld en de Hoge Raad heeft dat cassatieberoep verworpen in de zogenaamde Alcoholslotzaak. Hoewel volgens de Hoge Raad art. 68 Sr in dat geval niet van toepassing was omdat geen sprake was van – kort gezegd – meerdere onherroepelijke beslissingen van de strafrechter, oordeelde de Hoge Raad dat de strafvervolging van een verdachte ter zake van het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank wel in strijd is met de beginselen van een goede procesorde in die gevallen waarin de verdachte op grond van datzelfde feit de onherroepelijk geworden verplichting tot deelname aan het ASP is opgelegd. Die beginselen van een goede procesorde kunnen volgens de Hoge Raad immers meebrengen – en brengen in die gevallen ook mee – dat een inbreuk op het beginsel dat iemand niet twee maal kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit, de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging tot gevolg heeft.
9. Ik merk in de eerste plaats op dat ook hier art. 68 Sr niet van toepassing is, nu geen sprake is van meerdere onherroepelijke beslissingen van de strafrechter. Voor zover in het middel wordt geklaagd over schending van genoemde bepaling, faalt het. Ik meen echter dat dit verdachte niet kan worden tegengeworpen omdat de cassatieschriftuur dateert van voor het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2015, waarbij de Hoge Raad zoals hiervoor onder 8 vermeld heeft beslist. Op grond daarvan acht ik het billijk dat de klacht in het middel wordt opgevat als een klacht dat de strafvervolging in strijd is met de beginselen van een goede procesorde.
10. De vraag is vervolgens of ook in de onderhavige zaak sprake is van een strafvervolging die in strijd is met de beginselen van een goede procesorde vanwege een onherroepelijk geworden oplegging van een ASP aan verdachte op grond van hetzelfde feit als waar de strafvervolging op ziet. Hoewel het bij de onderhavige strafvervolging niet gaat om het rijden onder invloed zoals in het hiervoor genoemde arrest, maar om de weigering mee te werken aan een ademonderzoek, doet dat niet af aan de toepasselijkheid van de hiervoor weergegeven overwegingen van de Hoge Raad op de onderhavige zaak. Het gaat er immers om of naast een strafvervolging een ASP is opgelegd voor hetzelfde strafbare feit. Niet van belang is welk strafbare feit dat dan betreft.
11. Nu kan uit de stukken in het dossier niet onomstotelijk worden opgemaakt dat een ASP aan verdachte is opgelegd, laat staan dat het is opgelegd ter zake van hetzelfde strafbare feit als waarvoor verdachte in het bestreden arrest is veroordeeld. Blijkens de processen-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep hebben de verdachte en zijn raadsman op beide zittingen gesteld dat een ASP aan verdachte was opgelegd, maar dat hij geen gevolg heeft gegeven aan dat besluit omdat hij ervoor heeft gekozen zich te verdedigen en tot de dag van de terechtzitting in hoger beroep (van 2 juni 2014) geen rijbewijs heeft. Noch de rechtbank, noch het hof is daarop ingegaan en uit het arrest blijk niet dat die door de verdediging gestelde omstandigheid een rol heeft gespeeld bij de vordering van het openbaar ministerie of bij de strafoplegging. Ook overigens blijkt niet uit het dossier dat aan verdachte een ASP is opgelegd. Wel blijkt daaruit dat verdachte zijn rijbewijs voor negen maanden is ingevorderd met ingang van 19 augustus 2012. Ik heb daarom op 7 mei 2015 navraag gedaan bij het openbaar ministerie en mij is door advocaat-generaal mr. Van Leent, Ressortsparket Arnhem-Leeuwarden, op 19 mei 2015 per e-mail medegedeeld dat aan verdachte inderdaad op 31 augustus 2012 een ASP is opgelegd wegens hetzelfde feitencomplex als waar de onderhavige strafzaak op ziet, te weten de weigering mee te werken aan een ademanalyse op 19 augustus 2012. De desbetreffende e-mailwisseling is op 8 juni 2015 aan de raadsman van verdachte toegezonden en hierop is binnen de gestelde termijn (uiterlijk 15 juni 2015) geen reactie binnengekomen.
12. Gelet op het voorgaande moet er in cassatie vanuit worden gegaan dat in de onderhavige zaak aan verdachte onherroepelijk de verplichting tot deelname aan het ASP is opgelegd. Dat betekent dat het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het hof dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging niet juist is en dat het middel slaagt, zodat het cassatieberoep gegrond moet worden verklaard en het bestreden arrest moet worden vernietigd. Nu de zaak tot niets anders kan leiden dan tot het oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging, kan de Hoge Raad om doelmatigheidsredenen de zaak zelf in die zin afdoen.
13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest behoudens voor zover daarbij het vonnis van de politierechter is vernietigd en tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG