1. Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 juni 2014 is [verzoeker] op verzoek van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) in staat van faillissement verklaard. Op 25 juli 2014 heeft [verzoeker] een verzoek ingediend tot opheffing van het faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank Den Haag heeft [verzoeker] bij vonnis van 3 oktober 2014 niet-ontvankelijk verklaard. [verzoeker] is tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen. Het gerechtshof Den Haag heeft in zijn arrest van 20 november 2014 het bestreden vonnis bekrachtigd. Daartoe heeft het hof kort gezegd het volgende overwogen. [verzoeker] heeft wegens hem toe te rekenen omstandigheden niet tijdig een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingediend. Uit het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg van 19 september 2014 volgt dat [verzoeker] niet heeft betwist dat hij de oproepbrief van de griffier, waarin hij in kennis is gesteld van de mogelijkheid om een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling in te dienen, voor ontvangst heeft ondertekend (rov. 8 van het arrest van het hof). Maar ook anders zou [verzoeker] verzoek om de door de rechtbank genoemde redenen op inhoudelijke gronden moeten worden afgewezen. Zo heeft [verzoeker] niet betwist dat het CJIB boetes heeft opgelegd voor in totaal € 32.000,- in verband met het in dienst hebben van personeel zonder verblijfspapieren. Daarnaast is niet aannemelijk geworden dat [verzoeker] zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven, nu hij nog geen serieuze pogingen heeft ondernomen om betaald werk te vinden (rov. 9).
2 Het op 27 november 2014 (en derhalve tijdig) ingediende cassatieverzoekschrift valt uiteen in twee onderdelen. Onderdeel 1 betoogt kort gezegd dat uit het proces-verbaal van de zitting van 19 september 2014 geenszins kan worden opgemaakt dat [verzoeker] de oproepbrief voor ontvangst heeft getekend. Dit onderdeel mist feitelijke grondslag, aangezien in het proces-verbaal is te lezen dat de rechtbank constateert dat [verzoeker] de oproepbrief voor ontvangst heeft getekend, waarna namens [verzoeker] wordt geantwoord: ‘hij weet het niet meer’. Dat het hof deze woorden niet als een betwisting heeft aangemerkt, acht ik onjuist noch onbegrijpelijk. Het falen van onderdeel 1 betekent dat onderdeel 2, dat zich tegen een ten overvloede gegeven oordeel keert, geen nadere bespreking behoeft.
3 De in het voorliggende cassatieberoep opgeworpen klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Ik concludeer daarom tot toepassing van art. 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G