BESLISSING
Het hof:
(…)
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het meer subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.508,04 (drieduizend vijfhonderdacht euro en vier cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], een bedrag te betalen van € 3.508,04 (drieduizend vijfhonderdacht euro en vier cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.”
9. Voor de beoordeling van het middel is het tweede lid van art. 421 Sv van belang, dat luidt:
“Heeft de voeging in eerste aanleg plaats gehad, dan duurt zij, voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep.”
10. In de toelichting op het middel wordt ten eerste erop gewezen dat door de rechtbank en het hof weliswaar hetzelfde bedrag is toegewezen aan de benadeelde partij, maar dat het vonnis van de rechtbank inhoudt dat het toegewezen bedrag ziet op zowel materiële als immateriële schade, terwijl uit het bestreden arrest zou volgen dat het door het hof toegewezen bedrag enkel ziet op materiële schade. In aanmerking genomen dat de benadeelde partij zich in hoger beroep niet opnieuw heeft gesteld, leidt de steller van het middel daaruit af dat het hof in strijd met art. 421 lid 2 Sv de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde materiële schade tot een hoger bedrag heeft toegewezen dan in eerste aanleg was toegewezen.
11. De rechtbank heeft inderdaad het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag van € 3.508,04 gesplitst in een deel voor de geleden materiële schade van (in totaal) € 2.508,04, en een deel voor de geleden immateriële schade van € 1.000,-, terwijl het dictum van het bestreden arrest van het hof inhoudt dat € 3.508,04 is toegewezen “ter zake van materiële schade”. De eerste vraag is of daaruit moet worden afgeleid dat het hof heeft bedoeld enkel een vergoeding voor geleden materiële schade toe te wijzen. De steller van het middel merkt op zichzelf terecht op dat het feit dat het hof in het dictum tot drie keer toe alleen spreekt over de materiële schade, niet direct wijst op een vergissing of een verschrijving. Anderzijds blijkt uit de aan dat dictum voorafgaande overwegingen dat het hof zich er rekenschap van heeft gegeven dat het enkel over de gevorderde schadevergoeding kon oordelen voor zover die vordering in eerste aanleg was toegewezen. Gelet daarop, en in aanmerking genomen dat het hof overigens niets heeft overwogen omtrent de berekening van de schadevergoeding of de hoogte en samenstelling daarvan, terwijl het in totaal hetzelfde bedrag heeft toegewezen als de rechtbank, kan mijns inziens worden aangenomen dat het hof niet heeft willen afwijken van de beslissing van de rechtbank. Als het hof wel, in afwijking van de rechtbank, van oordeel was dat enkel de materiële schade voor vergoeding in aanmerking kwam dan zou het in de rede hebben gelegen dat het hof had aangegeven waaruit het toegewezen bedrag dan bestond. In dat geval zou het bedrag van de door de rechtbank toegewezen immateriële schadevergoeding immers wegvallen, en is zonder nadere motivering niet duidelijk op welke materiële schade dat deel (€ 1.000,-) van het door het hof toegewezen bedrag dan op ziet. Gezien het voorgaande, leid ik uit de overwegingen van het hof af dat het door het hof toegewezen bedrag ook ziet op een deel materiële en een deel immateriële schade, en dat het dictum bij vergissing inhoudt dat de toegewezen vergoeding enkel ziet op materiële schade. Zo bekeken faalt het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag.
12 Maar ook indien moet worden aangenomen dat het hof heeft bedoeld het bedrag enkel toe te wijzen voor geleden materiële schade, kan de klacht niet tot cassatie leiden. In de wettelijke bepaling zelf wordt ten aanzien van de toegewezen vordering geen onderscheid gemaakt tussen materiële en immateriële schadevergoeding. Het tweede lid van art. 421 Sv houdt enkel in dat de voeging in hoger beroep van rechtswege voortduurt “voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen”. In de wetsgeschiedenis en literatuur is weinig aandacht besteed aan de uitleg van dat tweede lid en dus aan de vraag of het daarin gaat om het totale bedrag van de toegewezen vordering of dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen toegekende materiële en de toegekende immateriële schadevergoeding. In Blok en Besier wordt bijvoorbeeld ten aanzien van het sindsdien inhoudelijk niet gewijzigde tweede lid van art. 421 Sv slechts opgemerkt dat de appelrechter niet een hoger bedrag kan toewijzen, indien de rechter in eerste aanleg de vordering niet ten volle heeft toegewezen. En A-G Meijers merkte onder verwijzing naar Blok-Besier, enkel op dat het tweede lid van art. 421 Sv in het bijzonder zag op het geval dat de rechter in eerste aanleg de vordering niet ten volle heeft toegewezen en dat de appelrechter dan niet de vordering voor het gehele bedrag mag toewijzen.
13. Art. 421 Sv maakt dus zelf geen onderscheid, terwijl de wetsgeschiedenis, noch de literatuur enig aanknopingspunt biedt voor de stelling dat de toegekende bedragen voor materiële en immateriële schadevergoeding in geval van de situatie van art. 421 lid 2 Sv, in hoger beroep afzonderlijk niet hoger mogen zijn dan de respectievelijke bedragen die in eerste aanleg zijn toegewezen. Daaruit maak ik op dat het gaat om het totale, in eerste aanleg toegewezen bedrag waarboven het hof de vordering niet mag toewijzen in het geval de benadeelde partij zich in hoger beroep niet opnieuw heeft gevoegd. In dat licht bezien en nu het door het hof toegewezen bedrag hetzelfde is als de rechtbank in totaal heeft toegewezen, heeft het hof - ook als moet worden aangenomen dat het de vordering enkel heeft toegewezen ten aanzien van de materiële schade - in overeenstemming met art. 421 lid 2 Sv niet meer schadevergoeding toegewezen dan in eerste aanleg.
14. Het middel faalt in zoverre.
15. Daarnaast wordt in het middel geklaagd over de beslissing van het hof dat het toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2011, zijnde de datum waarop het bewezenverklaarde feit is gepleegd. Dat zou onbegrijpelijk zijn nu de gestelde en toegewezen materiële schade voor zover het de gederfde inkomsten betreft, niet reeds op genoemde datum in haar geheel is ontstaan, maar in de loop van de daaropvolgende periode.
16. Terecht wordt gesteld dat enkel wettelijke rente is verschuldigd vanaf het moment waarop de schade is ingetreden. Maar anders dan de steller van het middel betoogt, behoeft de rechter die de wettelijke rente oplegt, daarbij niet te bepalen wat de hoogte is van de te betalen rente of hoe dat rentebedrag precies moet worden berekend. De Hoge Raad heeft immers geoordeeld dat de omvang van het bedrag van de wettelijke rente niet nader of in een concreet bedrag behoeft te worden uitgedrukt, nu het verschuldigde bedrag met voldoende mate van nauwkeurigheid vaststaat indien het bedrag van de door het strafbare handelen veroorzaakte schade is bepaald en ten aanzien daarvan is bepaald vanaf welke datum de wettelijke rente is verschuldigd. Een dergelijk oordeel sluit niet uit dat de vastgestelde schade deels ook is ontstaan na die datum en dat dus een deel van de wettelijke rente ook pas vanaf dat moment is verschuldigd. Gelet daarop heeft het hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de wettelijke rente is verschuldigd vanaf de datum waarop het bewezenverklaarde feit is gepleegd.
17. Ook deze klacht treft geen doel, zodat het middel in zijn geheel faalt.
18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
19. Het eerste middel kan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.
20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG