ECLI:NL:PHR:2015:143

ECLI:NL:PHR:2015:143, Parket bij de Hoge Raad, 27-01-2015, 13/01774

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 27-01-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 13/01774
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2015:512
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 7 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Profijtontneming. 1. Geen middel van cassatie a.b.i. de wet. 2. Hoofdelijke aansprakelijkheid. Ad. 1. Het middel is immers gericht op vernietiging van de bestreden uitspraak voor het geval dat de cassatiemiddelen in de hoofdzaak gegrond zouden worden bevonden en ziet in zoverre eraan voorbij dat ex art. 557.4 Sv een uitspraak op een vordering van het OM, a.b.i. art. 36e Sr, eerst kan worden tenuitvoergelegd nadat en v.zv. de veroordeling, a.b.i. art. 36e.1 Sr, in kracht van gewijsde is gegaan, terwijl ex art. 511i Sv een uitspraak op een vordering van het OM a.b.i. art. 36e Sr van rechtswege vervalt doordat en v.zv. de uitspraak als gevolg waarvan de veroordeling van verdachte, a.b.i. art. 36e.1 Sr, achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat (vgl. ECLI:NL:HR:1998:ZD1016). Opmerking verdient bovendien dat de rechter in voorkomende gevallen o.g.v. art. 577b.2 Sv, het te betalen bedrag kan verminderen of kwijtschelden. Ad 2. Middel slaagt op gronden als vermeld in de conclusie van de AG.

Uitspraak

Legale contante inkomsten: Eenmanszaak [medeveroordeelde]: jaren 2008 t/m 2011Contante privé-opnamen: € 20.477,05 Contante privéstortingen: € 8.345,00 Eindsaldo contante privéonttrekking eenmanszaak: € 20.477,05 - € 8.345,00 = € 12.132.05

Verkoop Volkswagen Caddy met kenteken [BB-00-BB] Bedrag op inkoopverklaring € 6.900,00

Legale handel op marktplaats Evenals de advocaat-generaal acht het hof het op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep aannemelijk dat de medeveroordeelde met de handel op marktplaats een bedrag van in totaal € 10.000,- legaal heeft verdiend en het hof zal hiermee rekening houden bij de vaststelling van het te betalen ontnemingsbedrag. Uit de door de raadsman overgelegde bescheiden is niet aannemelijk geworden dat [medeveroordeelde] meer dan € 10.000,- met de handel via marktplaats heeft verdiend.

Totaalbedrag legale contante inkomsten: € 12.132.05 + € 6.900,00 + € 10.000,- = € 29.032,05

Totaalbedrag beschikbaar voor uitgaven: € 29.032,05 - € 19.891,10 = € 9.140,95.

Contante stortingen rekeningen van [medeveroordeelde] en [betrokkene]:Contante stortingen op rekening [0001]: € 47.000,00 Contante stortingen op rekening [0002]: € 3.460,00 Contante opnamen van rekening [0001]: € 18.615,00 Contante opnamen van rekening [0002]: € 5.485,00

Verschil stortingen en opnamen: (€ 47.000,00 + € 3.460,00) - (€ 18.615,00 + € 5.485,00) = € 26.360,00 -

Totaal uitgaven en verschil stortingen: € 26.360,00 + € 66.823.63 = € 93.183,63

Gelet op al het bovenstaande stelt het hof het totale bedrag waarop het door de veroordeelde verkregen voordeel wordt geschat vast op € 84.042,68 -.

8. Uit de bewijsconstructie volgt dat de betrokkene samen met haar medeveroordeelde ruim honderdduizend euro meer heeft uitgegeven dan op grond van hun legale inkomsten verklaarbaar zou zijn geweest. Daarbij is, in afwijking van het door de verdediging ingenomen standpunt, uitgegaan van de gezamenlijke uitgaven en inkomsten. Dat uitgangspunt is in lijn met de veroordeling in de hoofdzaak wegens schuldwitwassen. In de bestreden uitspraak en de gebezigde bewijsmiddelen liggen aldus in voldoende mate de redenen besloten waarom het hof is afgeweken van het standpunt van de verdediging. Tot een nadere motivering van zijn - niet onbegrijpelijke - oordeel was het hof niet gehouden.

9. Het middel faalt.

9. Het derde middel keert zich tegen de toepassing van art. 36e, zevende lid Sr.

10. Het bestreden arrest houdt ten aanzien van de bepaling van de betalingsverplichting het volgende in:

“Deze verplichting zal hoofdelijk worden opgelegd, nu de veroordeelde het voordeel naar het oordeel van het hof tezamen met medeveroordeelde [betrokkene] (bedoeld zal zijn: [medeveroordeelde], AG) heeft genoten.”

11. Het zevende lid van art. 36e Sr is bij de op 1 juli 2011 in werking getreden Wet van 31 maart 2011, Stb. 171 als volgt komen te luiden:

"Bij het vaststellen van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van het eerste en tweede lid ter zake van strafbare feiten die door twee of meer personen zijn gepleegd, kan de rechter bepalen dat deze hoofdelijk dan wel voor een door hem te bepalen deel aansprakelijk zijn voor de gezamenlijke betalingsverplichting."

12. In de ontnemingszaak tegen de medeveroordeelde [medeveroordeelde] heeft het hof eveneens het bepaalde in art. 36, zevende lid, Sr toegepast, waarbij het hof erop heeft gewezen dat de betrokkene het voordeel naar het oordeel van het hof tezamen met de medeveroordeelde [betrokkene] heeft genoten. De Hoge Raad overwoog in deze zaak:

“2.4. Art. 36e, zevende lid, Sr houdt een wijziging van wetgeving in ten aanzien van de toepasselijke regels van sanctierecht (vgl. HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:653). In zo een geval dient door de rechter op grond van art. 1, tweede lid, Sr bij verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, de voor de betrokkene gunstigste bepalingen te worden toegepast.

Het na 1 juli 2011 geldende recht kan niet als gunstiger voor de betrokkene worden aangemerkt, aangezien naar het voorheen geldende recht niet de in art. 36e Sr bedoelde betalingsverplichting kan worden opgelegd tot het volledige bedrag dat een betrokkene en zijn mededader tezamen wederrechtelijk hebben verkregen zonder dat behoeft te worden vastgesteld welk deel daarvan in het vermogen van de betrokkene is gevloeid. Het Hof heeft, in aanmerking genomen dat in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak is bewezenverklaard dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen in de periode van 7 februari 2008 tot en met 9 februari 2012, in deze zaak ten onrechte toepassing gegeven aan genoemde bepaling.

Het middel slaagt.”

13. Ook in de onderhavige zaak heeft de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel betrekking op de periode van 7 februari 2008 tot en met 9 februari 2012. Dat betekent dat het middel slaagt op de hiervoor, in het arrest van de Hoge Raad van 30 september 2009 weergegeven gronden.

14. Het eerste ‘middel’ is niet aan te merken als een middel van cassatie als bedoeld in de wet, terwijl het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Het derde middel slaagt. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?