“Bewijsoverweging
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, nu de verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de uitvoer van de heroïne en cocaïne naar het buitenland. Hij heeft hiertoe - kort gezegd - aangevoerd dat de verdachte in het geheel geen wetenschap had van de aanwezigheid van de heroïne en cocaïne in de sporttas die in de auto is aangetroffen.
Het hof overweegt als volgt.
Medeverdachte [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij medeverdachte [betrokkene 3] heeft gevraagd of hij drie Franse medeverdachten naar Venlo wilde begeleiden om daar drugs aan hen over te dragen. De verdachte heeft verklaard dat hij [betrokkene 3] ([betrokkene 3]) tegen kwam, dat hij vroeg wat [betrokkene 3] ging doen, dat [betrokkene 3] zei dat hij deze mensen weg moest brengen, dat hij een Audi zag staan met een Duits kenteken en dat hij vervolgens bij [betrokkene 3] in de auto is gestapt. Als de verdachte door verbalisanten wordt gevraagd of hij die dag met [betrokkene 1] heeft gesproken, ontkent de verdachte aanvankelijk. Als de verdachte vervolgens door verbalisanten wordt geconfronteerd met het feit dat een observatieteam heeft geconstateerd dat de verdachte die dag wel degelijk met [betrokkene 1] heeft gesproken, verklaart de verdachte dat hij [betrokkene 1] heeft gezien bij het Oleanderplein en dat hij daar kort met hem heeft gesproken. Door het observatieteam is echter het volgende gezien. [betrokkene 1] en [betrokkene 3] lopen over de Sleutelbloemstraat te Rotterdam naar de Volkswagen met kenteken [AA-00-BB]. [betrokkene 3] stapt in als bestuurder. [betrokkene 1] wenkt naar de verdachte. De verdachte loopt naar [betrokkene 1] toe, waarna [betrokkene 1] en de verdachte met elkaar praten. Kort hierna stapt de verdachte in als bijrijder in de Volkswagen, waarna wordt weggereden. Uit deze observatie volgt dat de verdachte over wat aan het instappen bij [betrokkene 3] voorafging, onwaarheid heeft gesproken. De verdachte heeft geen verklaring gegeven waarom hij hierover onwaarheid heeft gesproken. Uit de verklaring van [betrokkene 1] kan worden afgeleid dat de sporttas met cocaïne en heroïne zich al op de achterbank bevond toen de verdachte bij [betrokkene 3] in de Volkswagen instapte. Uit het relaas van bevindingen (pagina 6 algemeen proces-verbaal e.v.) volgt dat uit een mededeling van de commandant van het arrestatieteam volgt dat de sporttas bij de latere aanhouding zich nog steeds op de achterbank van de Volkswagen bevond. Nadat de Volkswagen is weggereden, stopt deze korte tijd later bij een coffeeshop, waar de verdachte en de drie Franse medeverdachten softdrugs kopen. De verdachte stapt vervolgens in de Audi van de drie Franse medeverdachten en rijdt met hen mee naar een verderop gelegen tankstation, tijdens welke rit de verdachte gesproken heeft met twee van de drie Franse medeverdachten. Daar stapt de verdachte weer bij medeverdachte [betrokkene 3] in de Golf en rijden zij samen richting Venlo, terwijl de Audi met de drie Franse medeverdachten constant achter hen aanrijdt.
Het hof is gelet op voornoemde gang van zaken van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte op geen enkele wijze bekend was met het doel van de reis naar Venlo en het feit dat er verdovende middelen in de auto lagen. Ook de verklaring van de verdachte dat de Franse medeverdachten de weg naar huis niet wisten zij hen daarom moesten begeleiden, acht het hof niet aannemelijk nu de Franse verdachten zelf over een navigatiesysteem beschikten, terwijl de verdachte de weg naar Venlo ook niet kende en daarom een TomTom in de auto zocht. Een andere, plausibele verklaring voor het begeleiden van de Franse medeverdachten richting Venlo is door de verdachte niet gegeven.
Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte moet hebben geweten dat zich drugs in de auto bevonden en dat hij, nu hij op weg was naar Venlo, mitsdien opzet had op de uitvoer van de drugs uit Nederland. Door met deze wetenschap samen met de medeverdachte [betrokkene 3] op verzoek van de medeverdachte [betrokkene 1] de drie Franse medeverdachten naar Venlo te begeleiden, is tevens sprake van medeplegen in de zin van een bewuste en nauwe samenwerking met de medeverdachten.”
7. In de aanvulling op het arrest heeft het Hof daar het volgende aan toegevoegd:
“Herstel kennelijke misslag in het arrest en aanvulling van het arrest
Op pagina 4 van het arrest wordt verwezen naar de verklaring van de verdachte dat de Franse medeverdachten de weg naar huis niet wisten en dat zij hen daarom moesten begeleiden. Dit moet zijn de verklaring van de medeverdachte [betrokkene 3]. De betreffende overweging dient als volgt te worden gelezen:
Ook de verklaring van de medeverdachte [betrokkene 3] dat de Franse medeverdachten de weg naar huis niet wisten en zij hen daarom moesten begeleiden, acht het hof niet aannemelijk nu de Franse verdachten zelf over een navigatiesysteem beschikten, terwijl de verdachte en de medeverdachte [betrokkene 3] de weg naar Venlo kennelijk ook niet kenden en dat de verdachte daarom een TomTom in de auto zocht.
Deze overweging wordt voorts als volgt aangevuld:
Het hof neemt voorts in aanmerking dat de verdachte heeft verklaard dat hij de medeverdachte [betrokkene 3] tegenkwam terwijl hij op weg was naar een vriend en dat hij meeging omdat hij toch niets te doen had, terwijl de medeverdachte [betrokkene 3] heeft verklaard dat hij met de verdachte had afgesproken en dat zij die dag van plan waren om te gaan chillen bij een paar meisjes in Eindhoven.”
8. Het Hof heeft naar aanleiding van het door de verdediging gevoerde verweer geoordeeld dat verzoeker moet hebben geweten dat zich drugs in de auto bevonden en dat hij, nu hij op weg was naar Venlo, mitsdien opzet had op de uitvoer van de drugs uit Nederland. Hoewel verzoeker de schijn tegen zich heeft, is het de vraag of dat oordeel toereikend is gemotiveerd.
9. Want wat blijkt nu precies uit ’s Hofs bewijsconstructie, als ik verzoekers eigen verklaringen eerst even buiten beschouwing laat? Dat [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij, [betrokkene 2] en [betrokkene 3] van de drugs wisten. Niet verklaart hij over verzoeker, althans niet in het gedeelte dat als bewijsmiddel 1 is opgenomen. Alleen [betrokkene 3] zegt iets over verzoeker, te weten dat zij in Eindhoven met een paar meisjes zouden chillen (bewijsmiddel 2). Voorts is waargenomen dat verzoeker (NN6) vlak voor vertrek heeft gesproken met [betrokkene 1] (NN1), dat verzoeker vervolgens als bijrijder in de VW Golf is gestapt, waar [betrokkene 3] als bestuurder klaar zit, en dat de Audi steeds achter de VW Golf heeft aangereden (bewijsmiddel 6). Ook volgt nog uit de gebezigde bewijsmiddelen dat de sporttas, met daarin de aangetroffen drugs, al op de achterbank van de VW Golf stond op het moment dat verzoeker als bijrijder instapte (bewijsmiddel 1). Ik merk hier reeds op dat uit de bewijsvoering niet blijkt dat verzoeker op enig moment de sporttas op de achterbank van de VW Golf heeft waargenomen noch dat hij op de hoogte was van de inhoud van deze tas.
10. Verder heeft het Hof de verklaringen van verzoeker voor het bewijs gebezigd (bewijsmiddelen 4 en 5), kennelijk om daarmee een tegenstrijdigheid met de verklaring van [betrokkene 3] over het chillen in Eindhoven tot uitdrukking te brengen. Die tegenstrijdigheid valt echter [betrokkene 3] en niet verzoeker tegen te werpen, nu als vaststaand kan worden aangenomen dat de rit inderdaad naar Venlo ging, zoals verzoeker heeft verklaard.
11. Tot slot heeft het Hof blijkens zijn bewijsoverweging betekenis toegekend aan de omstandigheid dat verzoeker heeft verklaard dat hij medeverdachte [betrokkene 3] tegenkwam, dat hij vroeg wat [betrokkene 3] ging doen, dat [betrokkene 3] zei dat hij deze mensen weg moest brengen, dat hij, verzoeker, een Audi zag staan met een Duits kenteken, dat hij vervolgens bij [betrokkene 3] in de auto is gestapt en dat verzoeker, gevraagd door verbalisanten, in eerste instantie heeft ontkend de betreffende dag met medeverdachte [betrokkene 1] te hebben gesproken, terwijl uit observaties van de politie blijkt dat verzoeker door [betrokkene 1] werd gewenkt en dat zij kort met elkaar hebben gesproken voordat verzoeker in de VW Golf stapte. Aanvankelijk had het Hof ook als onaannemelijke verklaring van verzoeker opgenomen dat [betrokkene 3] en hij de Franse medeverdachten moesten begeleiden omdat deze de weg naar huis niet wisten, maar dat was een vergissing van het Hof, hersteld in de aanvulling op het arrest.
12. Dan blijft dus naast het summiere materiaal dat ik hierboven onder 9 heb weergegeven, de omstandigheid over dat verzoeker (in de woorden van het Hof) aanvankelijk onwaarheid heeft gesproken over zijn contact met [betrokkene 1], kort voordat [betrokkene 3] en verzoeker wegreden. De aanvankelijke ontkenning van verzoeker [betrokkene 1] te hebben gesproken, maakt overigens geen onderdeel uit van enig door het Hof gebruikt bewijsmiddel. Ik neem aan, hoewel het Hof dit niet zo benoemt, dat het Hof deze onwaarheid heeft aangemerkt als een kennelijke leugenachtigheid. De rechter mag een kennelijke leugenachtigheid van belang achten voor het bewijsoordeel, indien deze uit ander bewijsmateriaal dan de eigen verklaring van de verdachte blijkt, zoals in het onderhavige geval de door de politie uitgevoerde observatie. De onderhavige onwaarheid of kennelijke leugenachtigheid is evenwel niet dusdanig, ook niet in combinatie met de overige bewijsmiddelen, dat daaruit de conclusie kan worden getrokken dat verzoeker opzet had op de uitvoer van heroïne en cocaïne (noch dat hij dit tezamen en in vereniging met anderen deed).
13. Op grond van het voorgaande meen ik dat ’s Hofs bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
14. Het middel is terecht voorgesteld.
15. Ik merk nog op dat namens verzoeker op 22 augustus 2013 beroep in cassatie is ingesteld. De Hoge Raad zal mogelijk uitspraak doen nadat sedertdien meer dan twee jaren zijn verstreken, hetgeen zou meebrengen dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM wordt overschreden. Met deze eventuele overschrijding van de redelijke termijn kan door het Hof na terugwijzing rekening worden gehouden.
16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG