2. Bespreking van de incidentele vordering in cassatie
Bij de beoordeling van de incidentele vordering tot zekerheidstelling op de voet van art. 235 Rv wordt voorop gesteld dat daarvoor dezelfde maatstaf geldt als die welke door het hof op juiste wijze is geformuleerd in zijn tussenarrest van 16 april 2013 met betrekking tot de in hoger beroep ingestelde incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring op grond van art. 351 Rv (zie hierboven onder 1.3).
Dit brengt met zich dat (i) de man belang dient te hebben bij de door hem gevorderde zekerheidstelling, (ii) dat belang van de man (in het licht van de omstandigheden van het geval) zwaarder dient te wegen dan het belang van de vrouw om de door haar verkregen veroordeling direct ten uitvoer te kunnen leggen, en (iii) dat bij deze belangenafweging de kans van slagen van het door de man ingestelde cassatieberoep in beginsel buiten beschouwing dient te blijven.
Daarbij ligt het op de weg van de man om voldoende feiten en omstandigheden aan zijn vordering ten grondslag te leggen op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat het arrest waarvan de man cassatieberoep heeft ingesteld, klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag dan wel dat na dat arrest feiten of omstandigheden zijn voorgevallen of aan het licht zijn gekomen, die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.
De man heeft in dit verband slechts gewezen op het restitutierisico en de dreigende gedwongen verkoop van de door de man met zijn kinderen bewoonde woning, waardoor de man in (verdere) financiële moeilijkheden zou komen.
Deze gestelde omstandigheden – de man onderbouwt een en ander niet met nadere stukken – vormen onvoldoende aanleiding om de door de man gevorderde zekerheidstelling op de voet van art. 235 Rv toe te wijzen. Restitutierisico is op zichzelf (in abstracto) in ieder geval onvoldoende aanleiding om zekerheid op te leggen. Eveneens onvoldoende is de enkele stelling dat voor de geëxecuteerde grote schade valt te duchten.
De man heeft aldus zijn belang bij zekerheidstelling onvoldoende onderbouwd, waardoor niet gezegd kan worden dat zijn belang in deze zwaarder weegt dan het belang van de vrouw om de door haar verkregen veroordeling direct en onverkort – zonder nadere belastende voorwaarde van zekerheidstelling – ten uitvoer te kunnen leggen. Evenmin is gebleken van feiten of omstandigheden die na het in cassatie bestreden arrest zijn voorgevallen of aan het licht zijn gekomen, die kunnen rechtvaardigen dat de door de man gevorderde zekerheidstelling wordt toegewezen.
De incidentele vordering dient derhalve te worden afgewezen.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot afwijzing van de incidentele vordering.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G